25 september 2022

Lezing: Lucas 8
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het verhaal dat aan het verhaal van vanmorgen voorafgaat is het verhaal van de storm op het meer. Het bootje van Jezus en zijn leerlingen vaart op het meer. Er steekt een stormwind op. Het bootje dreigt in de golven ten onder te gaan. Dan gaat Jezus staan en beveelt de wind om te gaan liggen. En een ogenblik later is het meer zo glad als een spiegel en schittert de zon op het water.

In het verhaal van vanmorgen gaat het ook over een storm. Een storm die woedt in het hart van een man. Hij woont in het gebied van de Gerasenen. Hij heeft een woest uiterlijk. Lang haar dat al maanden of jaren niet gewassen is en dat in dikke klitten als vilt over zijn schouders hangt. Hij is uitzinnig van woede. Zijn ogen spuwen vuur. De woede vertekent zijn gezicht dat niet langer menselijk lijkt maar lijkt op de tronie van een demon. Zijn naakte lijf bedekt met modder en vuil. Hij woont tussen de graven. Hij voelt zich meer verbonden met de doden dan met de levenden. Om hem tegen zichzelf te beschermen had men zijn handen dikwijls aaneengebonden. En om anderen tegen aanvallen van hem te beschermen had men hem verschillende keren met een ketting aan een rots geketend. Maar zijn woede en zijn kracht waren zo groot dat hij de boeien en de ketting steeds weer stuk kon trekken.

Daar zit hij nu tussen de graven. Helemaal alleen. Van god en mens verlaten. Het ene moment kijkt hij woedend, het volgende moment doodsbang en je ziet ook diepe eenzaamheid en groot verdriet.

Dan hoort hij in de verte mensen lachen en praten. Hij kijkt op, ziet een groepje mensen aankomen lopen. Mannen en vrouwen. In hun midden loopt een man met een baard in een wit gewaad. Zijn gezicht straalt. Hij is een en al licht en liefde, zachtmoedigheid en vriendelijkheid.

Deze aanblik snijdt de bezeten man door zijn ziel. Hij voelt ondraaglijke pijn. De aanblik van de man laat hem zijn diepe eenzaamheid in alle hevigheid voelen. Hij schreeuwt het uit en rent woedend op Jezus af. Zijn vuist heeft hij al geheven, klaar om Jezus met een klap dood te slaan.

Maar dan gebeurt er iets vreemds. De man voelt in zijn hele lijf dat er een wonderlijke zachte kracht van Jezus uitgaat. Een warmte, een zachtheid die meer lijkt op een ruimte dan op kracht. Een helende ruimte waar de man in binnengaat.

En tot zijn verbazing ziet hij dat Jezus helemaal niet bang voor hem is. Iedereen die hem tegenkomt loopt altijd hard weg maar Jezus blijft staan, wacht rustig tot de man bij Hem is en kijkt hem liefdevol aan.

De man valt voor Jezus op zijn knieën. “Wie ben je?” vraagt hij aan Jezus. Waarom ben je niet bang? Waarom loop je niet hard voor me weg? Weet je niet dat ik je met een slag van mijn vuist dood kan slaan? “

“Ja, dat weet ik,” antwoordt Jezus, “maar toch ben ik niet bang. Ik ben niet bang voor de dood omdat ik me veilig voel in de handen van God. Ik voel me veilig, hier en nu. Ik word omringd door de liefdevolle handen van God. En ik weet dat diezelfde handen me ook na mijn dood, liefdevol zullen omringen.”

En Jezus vervolgde: “Ik ben niet bang maar ik zie dat jij doodsbang bent. Je bent bang en eenzaam. En om die angst te overwinnen word je boos. Niet maar een klein beetje: je wordt woedend. Je wilt ontsnappen aan je eenzaamheid door mensen aan je te onderwerpen.  Dat is een kwaal waar vele mensen aan lijden, gewone mensen, maar in het bijzonder koningen, keizers, generaals en dictators.

Zij denken dat de wereldvrede dichterbij komt door de macht van het zwaard. Maar dat geloof ik niet. Ik geloof niet in een macht die van buitenaf opgelegd wordt maar in een macht, die van binnenuit komt. Ik geloof in de macht van de liefde. Net zoals een boom groeit uit een zaadje komt de macht van de liefde vanuit jezelf.

De macht van het zwaard berust op zwakheid, onderwerping en machteloosheid van anderen. De macht van de liefde onderwerpt niemand maar geeft iedereen macht en verbindt de mensen met elkaar. De macht van het zwaard loopt uit op oorlog en verdriet. De macht van de liefde schept vrede en vreugde. “

De man luisterde aandachtig naar Jezus. “Maar waarom zou ik u geloven?” vraagt hij. Er staat veel voor hem op het spel. Wanneer hij zich zou overgeven aan de macht van de liefde en het zou niet werken dan zou hij weer terugvallen in zijn isolement en weer overgeleverd worden aan eenzaamheid, angst, verdriet en woede. Dat zou onverdraaglijk zijn.

Jezus kijkt de man liefdevol aan met zijn stralende ogen en zegt dan zacht en vriendelijk: “Wees niet bang!” En dan geeft de man zich over aan de liefde van God en de liefde van Jezus. Zijn lichaam begint te schudden en te schokken. Woede, angst, eenzaamheid en verdriet verlaten zijn lichaam en ziel. Hij schreeuwt het uit en huilt hartverscheurend. Jezus legt zijn hand zachtjes op zijn hoofd. Langzaam komt de man tot rust. Zijn gezicht dat kort daarvoor nog van pijn en woede vertrokken was en nauwelijks meer het gezicht van een mens leek, is nu een voluit menselijk gelaat geworden. Zijn ogen stralen rust uit. De mensen rond Jezus nemen hem mee naar een beek, wassen hem en trekken hem schone kleding aan.

Dan maken ze een vuurtje. En bij het vuurtjes breken ze brood en drinken ze wijn. Ze praten, zingen en lachen. En danken God voor het wonder dat door Jezus werd gedaan.

Amen.

4 september 2022

Lezing: God en het lijden
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Afgelopen donderdag stond er in het dagblad Trouw een cartoon, getekend door de cartoonist “Tom”. Op de tekening zag je Mark Rutte in een boksring staan. Hij droeg bokshandschoenen, een korte broek en een hemd. Het hemd liet zijn dat hij vrij tenger gebouwd is. Mark Rutte verwachtte het tegen één tegenstander op te moeten nemen maar er duiken wel vier tegenstanders op : grote gespierde mannen met op hun hemden de woorden: energiecrisis, klimaatcrisis, koopkrachtcrisis en asielcrisis. Mark Rutte kijkt geschokt naar zijn tegenstanders en vraag: “ Eh, vier tegelijk ? Moet ik het opboksen tegen vier tegenstanders tegelijk ? “

Op humoristische wijze brengt de cartoonist ons aller ervaring in beeld: er spelen op ogenblik het zoveel problemen tegelijkertijd ! En de problemen zijn zo groot !

En op het journaal zien we beelden van slachtoffers van oorlog, de verwoestingen ten gevolge van overstromingen, bosbranden en droogte.

De beelden van wanhopige hongerige, dakloze en verzwakte mensen zijn aangrijpend. Geen wonder dat de vraag opkomt : Waarom doet God er niets aan ? Waarom grijpt hij niet in ?

Er zijn goede en minder goede redenen om niet in God te geloven. Onze samenleving is doordrenkt van het wetenschappelijke denken. Velen kunnen alleen geloven wat zichtbaar is door een microscoop of telescoop of wat op de een of andere manier meetbaar is. Ze denken dat de werkelijkheid niet groter is dan de materiële wereld. Dat dit niet klopt blijkt al eenvoudig uit het contact dat tussen mensen mogelijk is.

We hebben een gezicht dat deel uit maakt van de materiële wereld. Een neus, een mond, lippen, wangen een voorhoofd. Een stenen beeld heeft dezelfde elementen. Het verschil tussen een beeld en een mens is dat wanneer wij een medemens aanspreken door het materiële gezicht de ziel van de medemens heen breekt. Deze ziel is niet meetbaar, niet zichtbaar maar openbaart zich aan ons. Die ziel licht op en wij herkennen een medemens en roepen de woorden uit die Adam uitriep toen hij Eva ontwaarde: “Eindelijk een mens zoals ik ! “

De ziel, de persoon van medemens licht op in het materiële gezicht van de ander. Daarom spreken  we niet alleen van “gezicht “  maar van “gelaat “ . Daar spreekt grote eerbied uit.

Zoals de ziel van de medemens in het materiële gezicht oplicht zo licht de aanwezigheid van God op in de materiële werkelijkheid. De bergen , rivieren, bomen en bloemen zijn niet alleen materie die zichtbaar en meetbaar is maar de ziel van God breekt er in door, licht er in op. Dat het geloof in god in strijd zou zijn met de wetenschap is dus geen goede reden om niet in God te geloven.

Wat wél een goede reden is om niet in God te geloven dat is het lijden in de wereld. Dat lijden kunnen we niet weg redeneren. Dat dringt zich aan ons op in de journaals : wanhopige moeders met ondervoede kinderen op schoot die ons met grote holle ogen aanstaren, huilende vaders en moeder bij het graf van hun zoon die gesneuveld is in de oorlog in Oekraïne, beelden van arrestaties van jonge mensen in Rusland die zich durven uitspreken tegen de oorlog. Noem maar op.

Wanneer je die beelden ziet dan moet je niet spreken, dan moet je zwijgen, je moet niet met een verklaring komen, je moet niet zeggen dat het ergens goed voor is. Iemand die lijdt moet je troosten verder moet je zwijgen uit eerbied voor het lijden.

Dit gezegd hebbend wil ik toch proberen iets te zeggen over de wijze waarop we kunnen spreken en denken over God en het lijden. Ik hoop dat ik het op voldoende respectvolle wijze kan doen.

In de eerste plaats : we leven in déze werkelijkheid. Een andere werkelijkheid kennen we niet. We kunnen wel vragen : waarom heeft God de wereld niet zo geschapen dat er geen lijden mogelijk zou zijn ?” Maar die vraag heeft geen zin. We leven in een werkelijkheid waar lijden is en in deze werkelijkheid licht God op, breekt Hij door de materie heen en spreekt ons aan zoals een medemens ons aanspreekt.

We krijgen van God geen uitleg over het lijden in deze wereld. Maar in de bijbel horen we dat God geen toeschouwer is die vanuit zijn hoge hemel onverschillig toelijkt naar het lijden op aarde. Wanneer het volk Israël gebukt gaat onder de slavernij in Egypte verschijnt God aan Mozes en zegt Hij :  “ Ik heb zeer wel gezien het lijden van mijn volk en hun jammerklachten heb ik gehoord. Daarom ben ik neergedaald om ze te verlossen. “

Het volk Israël heeft God niet als een onverschillige God ervaren , als een God die niets doet dan toekijken maar als een God die medelijden heeft met Zijn volk en ze wil verlossen.

En ook de mensen die Jezus ontmoetten hebben God niet als een onverschillige God ervaren. Wanneer ze in Jezus’ nabijheid kwamen hadden ze het gevoel in de nabijheid van God Zelf te komen.  En die nabijheid ervoeren ze als liefde. Een liefde die ook sprak uit Jezus’ woorden en daden. De mooiste zin uit de evangeliën vind ik de woorden: “ En Jezus zag de schare en hij werd met ontferming over hen bewogen. “

Door de eeuwen heen hebben mensen ondanks alle lijden God als liefde ervaren. Maar het mooie van de bijbel is dat het lijden en de vraag naar het lijden daar niet ontkend  wordt maar een centrale plaats in krijgt. Er zijn momenten waarop je God niet als liefde kunt ervaren. Midden in het oude testament staat psalm 22 en de dichter van deze psalm schreeuwt het uit van ellende : “ Mijn God, mijn God waarom hebt gij mij verlaten ? “

En midden in het N.T. schreeuwt Jezus deze woorden uit aan het kruis: “ Mijn God , mijn God waarom hebt Gij mij verlaten ? “

Wanneer deze vraag niet op deze plaatsen in de bijbel zou klinken dan zou de bijbel niet meer dan een sprookjesboek zijn. Een boek met mooie verhalen die aan de werkelijkheid voorbij gaan.

Maar gelukkig wordt de vraag gesteld: “ Mijn God mijn God waarom hebt Gij ons verlaten ? “

De vraag wordt niet op een rationele wijze beantwoord. We krijgen geen redelijk antwoord waarmee we wel kunnen leven. Op het niveau van het hoofd wordt de vraag niet beantwoord maar wel op het niveau van het hart en de ziel.

Psalm 22 is een klaagpsalm. Klacht volgt op klacht: “ Ik ben een worm en geen mens. Als water ben ik uitgegoten, mijn gebeente valt uiteen, mijn kracht is droog als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte….zo gaat het maar door. Maar dan opeens, halverwege de psalm is er een omslag. De klaagpsalm slaat op eens om in een lofzang: “ Gij hebt mij geantwoord ! “ jubelt de psalmist en de rest van de psalm jubelt hij door.

Dit moment is de psalm wordt de mystieke omslag genoemd. De inhoud van het antwoord dat de psalmist ontvangt vernemen we niet. Het is een intiem gebeuren tussen God en de psalmist.

En dit zien we ook bij Jezus aan het kruis. “ Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten ? “ roept Jezus uit. Maar even later roept Hij: “ In Uw handen beveel ik mijn geest. “ Ook hier vernemen we niet wat er gebeurt is tussen Jezus en zijn Vader. We horen niet het antwoord dat God aan Jezus gaf op zijn indringende vraag. Ook hier is het een intiem gebeuren tussen God en Jezus. Ook hier is sprake van een mystieke omslag.

Dit geeft de richting aan waarop wij kunnen omgaan met de vraag naar God en het lijden. Geconfronteerd met lijden moeten we uit eerbied voor degenen die lijden onze mond houden en zwijgen.

We mogen we geen verklaringen geven voor het lijden. We mogen niet speculeren over de vraag waar het vandaan komt. We weten het niet. We weten alleen dat we in een wereld leven waarin lijden voorkomt en geen andere wereld kennen dan deze.

Het enige dat we kunnen doen is om ons in gebed te richten tot God en Hem zelf die vraag te stellen: “ Mijn God , mijn God waarom ? “ Alleen in die persoonlijke, intieme verhouding met God kan het gebeuren dat er ook in ons hart een mystieke omslag kan plaatsvinden en wij met de dichter van psalm 22 kunnen uitroepen : “Gij hebt mij geantwoord. “ En met Jezus kunnen bidden: “ Vader in Uw handen beveel ik mijn geest.

Amen.

28 augustus 2022

Lezing: Lucas 18
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Vanmorgen lezen we de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar die in de synagoge aan het bidden zijn. Welke voorstelling maakt u zich van Jezus terwijl Hij deze gelijkenis vertelt? Ik vermoed dat u zich Jezus voorstelt als een leraar voor de klas of als een dominee op een kansel. Zoals een leraar en een dominee een lang verhaal houden voor de klas of de gemeente en de leerlingen en de gemeenteleden  aandachtig en in stilte luisteren.

Maar dit beeld klopt denk ik niet. We moeten ons Jezus niet voorstellen als een leraar of een dominee maar als een cabaretier. Een cabaretier houdt geen lange redevoeringen maar probeert vanaf het moment van opkomst contact te leggen met de mensen in de zaal. En gedurende zijn hele voorstelling probeert hij dat contact vast te houden. Dat doet hij door humoristische verhalen te vertellen, door grappen te vertellen, door beeldspraak en door mensen te provoceren. Een goede cabaretier is niet alleen grappig maar heeft ook een boodschap.

Zo communiceerde Jezus ook met de mensen. Hij hield geen lange dogmatische preken over de hoofden van de mensen heen maar maakte direct contact met hen door humor, door provocatie, door beeldspraak. En dikwijls sprak hij rechtstreeks liefdevolle woorden tot de mensen die hen in het hart raakten.

Cabaretiers hebben vaak een hele goede antenne voor maatschappelijke verhoudingen. Ze zijn dikwijls goede psychologen en kunnen mensen goed imiteren. Ze nemen de lichaamshouding, de gezichtsuitdrukking en de spreekwijze van iemand over en men herkent onmiddellijk wie wordt bedoeld. Dikwijls nemen ze hoogwaardigheidsbekleders op de korrel.

De Farizeeën waren de hoogwaardigheidsbekleders in de tijd van Jezus. Omdat er spanning was tussen Jezus en een deel van de Farizeeërs is het beeld dat de evangelisten van hen schetsen wat negatiever dan ze verdienen. In een tijd waarin het volk door de Romeinse bezetting van de God van Israël dreigde weg te drijven probeerden zij door zich strikt te houden aan de leefregels van de Thora, dicht bij God te blijven. Hun bedoeling was zuiver en goed. Een aantal Farizeeërs sloeg hierin wat door. De gehoorzaamheid aan de regels werd belangrijker dan de liefdevolle relatie met God. Maar dit was niet de essentie van hun geloof. Zij geloofden net als wij dat het in het geloof om liefde gaat en wij die liefde niet hoeven te verdienen.

In de gelijkenis heeft Jezus de Farizeeërs op het oog die wat doorslaan in hun goede bedoelingen en omdat zij zich zo inspanden om zich strikt aan de regels van de wet te houden, neerkeken op hen die daar wat minder mee bezig waren.

Waarom Jezus op dat moment de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar vertelt, weten we niet. Maar ik stel me zo voor dat Jezus ergens zat, dat er mensen om Hem heen stonden en dat er toen een hooghartige Farizeeër langsliep die misprijzend naar Jezus en de mensen om Hem heen keek.

Jezus zag het, de mensen zagen het. En dan begint Jezus zijn verhaal: Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, een Farizeeër en een tollenaar. En Jezus zal toen als een cabaretier de lichaamshouding van een hooghartige Farizeeër aangenomen hebben. Hij maakte zich groot, deed zijn borst vooruit en stak zijn neus in de lucht. Zo dat de mensen in de lach geschoten zullen zijn.

En bij de tollenaar zal hij zich klein gemaakt hebben, zijn hoofd naar de grond gebogen en af en toe even schichtig opgekeken hebben. De mensen keken geboeid toe. Iemand zal Jezus de Farizeeër toegeroepen hebben: “Hé, opschepper! “En een zal Jezus de tollenaar toegeroepen hebben: “Afperser!”

Jezus naam weer de lichaamshouding van de Farizeeër aan keen naar de hemel en riep: “God, ik dank U dat in niet ben als de andere mensen: roofzuchtig, onrechtvaardig en overspelig en dank U wel dat ik niet ben als die tollenaar!”

De Farizeeër ziet het kwade alleen in andere mensen. Hij is zich niet bewust van zijn schaduwkant. Zijn eigen roofzuchtige, onrechtvaardige en overspelige neigingen projecteert hij op anderen. Hij meent oprecht dat hij een heilig man is.
De Farizeeër is een hoogmoedig. En hoogmoed is de oerzonde, de bronzonde, de zonde waaruit alle andere zonden uit voortkomen.

In Genesis 2 staat het verhaal over de zondenval. Van alle bomen in de hof mogen Adam en Eva eten maar niet van de boom van kennis van goed en kwaad. Wanneer zij van die boom eten zullen ze worden als God.
De vruchten van de boom zijn begeerlijk voor Adam en Eva. Zij willen worden als God. En dat is de kern van hoogmoed: zelf God willen zijn. Zelf alle eer en alle glorie, alle macht en alle rijkdom willen hebben. Denk aan Donald Trump. En hierbij hoort dat je zelf wel denkt te kunnen bepalen wat goed of kwaad is.

Het zelf God willen zijn is een aanlokkelijke gedachte maar het valt in werkelijkheid zwaar tegen. Wanneer je god bent sta je op eenzame hoogte. Je hebt geen gelijken meer. Je hebt geen vrienden meer. Je kunt alleen nog maar neerkijken op anderen. En anderen houden niet van je maar kunnen niet anders dan je bewonderen.

Vele popsterren hebben aan den lijve ervaren hoe eenzaam je dan wordt. Velen hebben zelfmoord gepleegd. Vaak op 27-jarige leeftijd.

Het zondenval verhaal is als een röntgenfoto die ons onze binnenkant toont of ons als in een spiegel voorhoudt wie we zijn. Maar let op! Ik zei zostraks al: Jezus was als een cabaretier. Hij sprak met humor. U moet mijn woorden dat het zondenval verhaal ons een spiegel voorhoudt niet zwaar opvatten. Het is niet zo dat we onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. We zijn wel degelijk in staat om goed te doen en lief te hebben maar de meeste mensen kennen ook wel een lichte neiging tot hoogmoed. Helemaal niet erg. Als je je er maar van bewust bent en er met een beetje humor mee om kunt gaan.

Er is een mooi joods verhaal over hoogmoed en nederigheid:
Een rabbi die weet van de waarde van nederigheid bidt in de synagoge: “Vergeef me Heer dat ik de zondigste mens van deze synagoge ben. “De voorzitter van het synagoge bestuur hoort dit en bidt: “Vergeef me Heer dat ik de zondigste mens van het hele dorp ben! “De koster hoorde beide gebeden en bidt: “Vergeef me Heer dat ik de zondigste mens van héél het land ben! “Dan draaien de rabbi en de voorzitter van de synagoge zich om en bijten hem toe: “Wie denk je wel dat je bent dat je kunt claimen de zondigste mens van het hele land te kunnen zijn?”

Humor is wezenlijk voor het geloofsleven. Wanneer je hoogmoed of hebzucht, of eerzucht of wat dan ook bij je zelf opmerkt, veroordeel je zelf dan niet maar lach erom in het geloof dat het je al vergeven is door een liefdevolle God.

De tollenaar voelde zich zo schuldig dat hij zich op de borst sloeg en zelfs zijn ogen niet naar de hemel durfde op te heffen. Jezus zei van hem dat hij rechtvaardig was in de ogen van God. Wanneer je je bewust bent van een neiging tot hoogmoed of hebzucht of eerzucht of wat dan ook, dan heb je er al afstand van. Je ziet het. Je valt er niet meer samen. En waar je niet mee samen valt projecteer je niet meer op anderen.

Hoewel je er niet meer mee samenvalt ben je er nog niet van los. Maar dat is een proces. Dat komt wel. Gun je zelf de tijd, in de wetenschap dat God van je houdt en kijk naar jezelf een je medemens met humor.

Amen.

10 juli 2022

Lezing: Lucas 10, 25-37
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Beste jongeren en ook ouderen,

Jullie weten wel dat we het in de kerk vaak hebben over God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Vaak wordt niet uitgelegd wat we daarmee bedoelen. Eigenlijk moet dat in iedere dienst opnieuw uitgelegd worden en in een jeugddienst kun je er niet omheen. Daarom: Wie is God? Wie is de Zoon, wie is de Heilige Geest?

God is geen oude man met een witte baard die zit op een gouden troon in de hemel maar de kracht die het universum van binnenuit bijeen houdt en de kracht die ook ons van binnenuit bijeenhoudt. En die kracht is liefde. God’s liefde doorstroomt het universum en ook ons. En God is niet alleen een kracht, je kunt Hem ook aanspreken, je kunt tot Hem bidden.

God is ook ruimte. Paulus zegt: “In hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.” “Maar we zien Hem niet,” zullen jullie misschien zeggen. Nee, maar wij zijn in God zoals vissen in het water. De vissen worden omringd door water maar zijn er nooit buiten geweest. Je zou ze even op moeten pakken en boven het water houden en dan weer teruggooien in het water. Dan zouden ze het water gaan zien. Bij vissen zou dat lukken. Maar men kan ons niet even buiten God houden zodat wij Hem kunnen gaan zien wanneer we weer terug zouden komen in Hem. Voor ons is het de kunst om Hem in het water van het leven te ontdekken.

Wie is de Zoon?  Dat is Jezus. En Jezus laat ons zien wie God is. Als Zoon lijkt hij op zijn Vader. Hij was een Jood. De Joden noemen het O.T. de wet. In de wet staan 613 ge-en verboden. Waarom 613? Dit is de optelsom van 148 en 365. De Joden geloofden dat het menselijk lichaam uit 248 delen bestond. Een jaar heeft 365 dagen. De 613 ge-en verboden moeten niet als wetten worden beschouwd maar als leefregels voor een gelukkig leven. In de wet, de Thora zegen de joden staan 613 leefregels zodat men iedere dag van het jaar met heel het lichaam God kan liefhebben. Wanneer je dat doet kun je dansend door het leven gaat met de Thorarol in je armen. Hoe ziet iemand eruit die de 613 leefregels in de praktijk brengt? Kijk naar Jezus. Hij danst door het leven met de Thorarol in zijn armen en straalt puur geluk uit.

Wie is de Heilige Geest? Met Zijn Heilige Geest, met zijn enthousiasme (dat betekent vol van God zijn)  inspireert God ons om ook de 613 leefregels in de praktijk te brengen en om zo gelukkig te worden. Jezus die vol was van de Heilige Geest is onze inspiratiebron.

Nu het verhaal van vanmorgen. Een wetsleraar komt bij Jezus en stelt Hem een vraag. Een wetsleraar  (je kunt hem beter dansleraar noemen. Hij leert mensen dansend met de Thorarol door het leven gaan) weet veel over de praktische toepassing van die 613 leefregels. Hij vraagt aan Jezus: “Meester wat moet ik doen om het eeuwige leven te verkrijgen?” Met “het eeuwige leven“ bedoelde hij niet het leven na de dood. Het  “eeuwige leven” is een uitdrukking van kwaliteit. De wetsgeleerde vroeg Jezus eigenlijk: “ Hoe kan mijn leven een goede kwaliteit krijgen? Hoe kan ik gelukkig worden? Hoe kan ik een zinvol leven lijden?”

Jezus antwoordt hem: “Wat staat er in de wet?” De man antwoordde door de samenvatting van de 613 leefregels te geven: “Heb God lief boven alles en je medemensen als jezelf.” En dan antwoordt Jezus: “Precies goed! Je slaat de spijker op zijn kop!”

De man voelt zich dan een beetje voor schut staan en wil laten zien dat hij toch wel een hele knappe wetsgeleerde is .Daarom stelt hij een denkt hij zelf slimme vraag: “ Maar als ik mijn medemens lief moet hebben, wie is mijn medemens dan?”

Jezus is een hele goede psycholoog. Uit de manier waarop deze man de vraag stelt begrijpt Jezus dat hij nog een groeiproces moet doormaken. Deze man ziet  niet dat hij naar de wereld en naar de mensen om hem heen kijkt alsof de wereld om hem draait, alsof hij het centrum van de wereld is.

Een medemens is in zijn ogen iemand die dicht bij hem staat. Als buurman zal hij zich verantwoordelijk voelen voor zijn naaste buren, voor de buren links van hem en rechts van hem. Zou een overbuurman een probleem hebben of iemand die een paar huizen verderop woont dan zou hij denken: “Ze wonen niet dicht bij mij dus ik ben niet verantwoordelijk voor hen.”

Jezus wil hem laten zien dat hij zichzelf ziet als centrum van de wereld en daarom vertelt Hij een verhaal.

Een man wordt overvallen door rovers en zwaar gewond achter gelaten langs de kant van de weg. Een priester komt langs een hulppriester komt langs. Beiden kennen de 613 leefregels  goed. Maar ze kijken angstig om zich heen : “Gauw wegwezen! Misschien zijn de rovers nog in de buurt.“ Dan komt er een Samaritaan aan. Joden hadden in die tijd een hekel aan Samaritanen. Zoals de orthodoxe joden in Israël een hekel hebben aan Palestijnen. En Jezus laat in zijn verhaal nu uitgerekend een Samaritaan degene zijn die de gewonde man hulp verleent.

En dan vraagt Hij aan de wetgeleerde: “Wie was de medemens van de man die overvallen werd? :de priester, de hulppriester of de Samaritaan?  “De wetgeleerde antwoordt: “de Samaritaan, want die was goed voor de gewonde man.” Toen zei Jezus: doe dan voortaan net zoals de Samaritaan.“

De wetsgeleerde vroeg aan Jezus: “Wie is mijn medemens?“ En Jezus vraag Hem nadat hij het verhaal verteld heeft: “Wie was de medemens van de man die overvallen werd? “  De vraag is dus niet: “Wie is mijn medemens maar: “Voor wie kan ik een medemens zijn?“

Niet jij staat in het middelpunt maar je medemens. Nu geldt voor ons allemaal dat we dezelfde ontwikkeling mogen doormaken die de wetgeleerde die zich tot Jezus richtte doormaakte. We staan allemaal in het middelpunt van ons leven en de Heilige Geest leert ons beetje bij beetje om de ander als middelpunt te gaan zien. De Heilige Geest leert ons om ons af te vragen: “Voor wie kan ik medemens zijn?“

Het grote gevaar is nu dat jullie mijn woorden op moralistische wijze gaan opvatten. Dat jullie mijn woorden heel serieus nemen en denken: “Nu mag ik niet meer voor mezelf leven en plezier maken maar ik moet me de hele dag afvragen voor wie ik medemens kan zijn. Maar zo bedoel ik het niet en zo bedoelde Jezus het niet.”

In de eerste plaats: je bent goed zoals je bent. God houdt van je en kijkt met liefdevolle ogen naar je. Je hoeft jezelf niet te veranderen of te verbeteren. De Heilige Geest zal je in de loop van je leven laten zien voor wie je medemens kunt zijn.

In de tweede plaats. De Samaritaan liep niet de hele dag rond te kijken of er nog gewonde mensen langs de kant van de weg zouden liggen die hij zou moeten redden. Nee, hij zag de man toevallig liggen, kreeg met hem te doen, zette hem op zijn ezel en bracht hem naar een herberg. Hij gaf de herbergier geld om de man nog een tijdje te verzorgen en dacht toen bij zichzelf: “Nu heb ik genoeg gedaan!“ Hij stapte weer op zijn ezel, floot een deuntje en reed vrolijk verder. De gewonde man was hij al lang weer vergeten.

Jezus roept ons op om ons af te vragen voor wie wij een medemens kunnen zijn maar Hij zegt ook: “Maak je geen zorgen voor de dag van morgen. Let op de vogels on de hemel. Ze zaaien niet en maaien niet en toch zorgt de hemelse vader voor ze. Let op de bloemen. Zelfs koning Salomo was niet mooier gekleed dan zij.” Jezus bedoelde: “Geniet van het leven. Maak het allemaal niet te zwaar.

Amen.

26 juni 2022

Lezingen: Jesaja 25, 6-9
Lucas 14, 16-24
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Jezus was uitgenodigd in het huis van een vooraanstaande Farizeeër om daar de maaltijd te gebruiken. Hij ligt daar aan tafel met een aantal Farizeeërs en wetgeleerden en er zullen ook een paar leerlingen van Hem aanwezig geweest zijn.

De Farizeeën en wetgeleerden letten scherp op Jezus. Ze hadden grote moeite met Hem. Dat is ook wel te begrijpen. Israël werd bezet door de Romeinen. Het Joodse volk dreigde de band met de God van Israël kwijt te raken. Om dat te voorkomen, om dicht bij de God van Israël te blijven hielden zij zich heel streng aan de voorschriften van de Joodse Wet. Vooral de reinheidswetten waren voor hen belangrijk. Ook dat is logisch want die reinheidswetten geven richting aan hoe je dagelijks leven eruit ziet: Wat doe je het eerst wanneer je opstaat? Handen wassen. Wat eet je wat niet? Geen varkensvlees. Wat doe je wel of niet op de Sabbat, met wie ga je om (alleen met mensen die zich ook aan de voorschriften van de wet houden) enzovoort.

De bedoeling van de Farizeeën was goed: het volk dicht bij de God van Israël houden door de voorschriften van de wet nauwkeurig te volgen. Echter: ze sloegen hierin soms een beetje door. De voorschriften van de wet werden van middel om bij God te blijven tot doel.
Ze hadden grote moeite met Jezus omdat Jezus in hun ogen veel te losjes met de voorschriften van de wet omging. Hij leek de wet te relativeren met opmerkingen als: Wanneer je zoon of dochter op Sabbat in een put valt haal je hem of haar er toch uit? En tijdens het wandelen met zijn leerlingen plukte Hij gaandeweg wel eens wat aren om even wat te kauwen te hebben. En ook genas Hij zieken op Sabbat. Hiermee maakte hij duidelijk dat de mens er niet is voor de wet maar de wet er is voor de mens.

Goed dat Jezus dat deed. En ook wel een beetje begrijpelijk dat de Farizeeën er wat moeite mee hadden. Ik zeg “de Farizeeën“ maar er zullen ook Farizeeën geweest zijn die Jezus heus wel snapten b.v. Nicodemus .
Jezus ligt dus aan tafel in het huis van een vooraanstaande Farizeeër met Farizeeën die kritisch naar Hem kijken en luisteren en dan vertelt Jezus een verhaal. Hij begint met de woorden: “Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. “

 De Farizeeërs die een grote bijbel kennis hadden zullen meteen gedacht hebben aan het visioen van Jesaja uit Jesaja 25 dat Marja zonet met ons gelezen heeft: Op de berg Sion zal God voor alle volken van de wereld een feestmaal aanrichten. Een feestmaal van uitgelezen gerechten en belegen wijnen. En God zal de sluier wegnemen die het zicht op Hem belemmert. Voor altijd zal hij de dood teniet doen en alle tranen wegnemen. “
De Farizeeën begrijpen dat Jezus met de “iemand“ die een groot feest wilde geven “ God Zelf bedoelde.
Jezus vervolgt: “Toen het tijd was voor het feestmaal stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om hen te zeggen: “Alles is klaar “

(Hier komen de woorden vandaan die ik vorige week nog uitsprak om u na de instellingswoorden van het avondmaal uit te nodigen om naar voren te komen: “Komt nu, want alle dingen zijn gereed.“)

Maar de mensen die uitgenodigd worden beginnen zich een voor een te verontschuldigen. En daarvoor gebruiken ze overduidelijk smoesjes:
De één zegt: “Sorry ik kan niet komen want ik heb net een akker gekocht en die moet ik gaan belijken. “Een doorzichtige smoes want wie koopt er nu een akker die hij niet eerst heeft gezien?
De ander zegt: “Sorry, ik heb vijf span ossen gekocht en ik moet ze gaan keuren. “Ook weer duidelijk een smoes. Want wie koopt er nu vijf span ossen voor ze eerste gezien te hebben?
En een derde zegt: “Sorry, ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen. “Maar waarom zou je niet naar een feestmaal kunnen gaan wanneer je pas getrouwd bent? Ook duidelijk een smoesje.

In het verleden zijn er nogal wat preken gehouden waarin mensen werden gewaarschuwd om niet op dezelfde manier smoesjes te bedenken om aan het evangelie te ontkomen. Maar dan verzand je in moralisme waar je niet vrolijk van wordt en je ook niet tot gedragsverandering zal aanzetten. Het evangelie is een vreugdevolle boodschap. Het is de vreugde die inspireert tot verandering.

Wanneer de gastheer alle smoesjes hoort, ontsteekt hij in woede. . Dan slaat hij zijn vuist in zijn handpalm en zegt: “Verdorie nog aan toe, nu valt mijn feest in het water!” Maar dan krijgt hij een idee en zeg tegen zijn dienaren: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” En wanneer er dan nog plaats over is stuurt hij zijn dienaren erop uit ook buiten de stad gasten te zoeken.

Om dit verhaal te kunnen begrijpen moeten we weten dat de Farizeeën zich zo nauwkeurig aan de voorschriften van de wet probeerden te houden dat ze de reinheidswetten die in de tempel golden ook toepasten in hun eigen huis. Omdat ze het gevoel hadden dat de Romeinen de tempel verontreinigden probeerden ze God te eren door van hun huizen miniatuurtempels te maken. Alle regels die in de tempel golden lieten ze ook in hun eigen huis gelden.
Voor de tempel gold dat kreupelen, lammen en blinden en ieder die misvormd was niet werd toegelaten. Een mens moest als beeld van God Zijn volmaaktheid weerspiegelen. Een gehandicapte is niet volmaakt en zou Gods volmaaktheid dus niet kunnen weerspiegelen, zo redeneerde men.

En nu laat Jezus de gastheer uit Zijn verhaal uitgerekend de blinden, kreupelen en verlamden uitnodigen op zijn feestmaal. De aanwezige Farizeeën zullen boosheid in zich op hebben voelen komen. Ze zullen zich maar met moeite hebben kunnen bedwingen om Jezus niet met grote verontwaardiging te onderbreken.
Jezus provoceerde hen maar Hij provoceerde hen niet met kwade maar met goede bedoelingen. Jezus was één met God. Hij zag de Farizeeën niet als vijanden. Omdat Hij één was met God. Keek Hij ook door de liefdevolle ogen van God en zag de Farizeeën als Zijn broeders. Hij provoceerde hen omdat Hij hen de ogen wilde openen voor de oneindige liefde van God.
Jezus ging Zelf liefdevol met mensen om. Of het nu mannen of vrouwen, volwassen of kinderen, Joden of heidenen, zieken of gezonden, rechtvaardigen of zondaars waren: Jezus had hen onvoorwaardelijk lief. En wanneer mensen in de buurt van Jezus waren dan hadden ze het gevoel dat ze in de buurt van God Zelf waren. Wanneer Jezus hen met liefdevolle ogen aankeek hadden ze hert gevoel dat God Zelf hen met liefdevolle ogen aankeek.
Ze voelden zich door God bemind. En Jezus’ blik was niet alleen liefdevol maar ook vol van respect. Jezus respecteerde de mens naar wie Hij keek en gaf hem en haar een gevoel van koninklijke waardigheid.
Blinden, kreupelen, lammen, vrouwen, kinderen, zondaars …… in de samenleving werd er met minachting naar hen gekeken, er werd op hen neergekeken…. Jezus kijkt ze aan met oneindige, onvoorwaardelijke liefde en respect en verheft ze uit stof tot koninklijke waardigheid. Ook zij kunnen in hun onvolmaaktheid, de volmaaktheid van God weerspiegelen. Ook zij, juist zij, kunnen beelden van God zijn.

Wat heeft dat ons te zeggen? Zoals we hier bijeen zijn zitten we zo vaak vol zelfkritiek. We kwellen onszelf dikwijls met schuldgevoelens, we zijn dikwijls zo kritisch naar onszelf toe, we stellen onszelf dikwijls zulke hoge eisen, we denken volmaakt te moeten zijn.
Jezus houdt ons voor: God houdt van je zoals je bent in al je onvolmaaktheid. En in je onvolmaaktheid kun je een volmaakt beeld van God zijn.
U bent een volmaakt beeld van God! U bent een prachtig mens. U bent van grote schoonheid!

Amen

12 juni 2022

Lezingen: Exodus 33, 12-17   en   Joh.3, 1-13
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

We lezen vanmorgen het verhaal over de nachtelijke ontmoeting van Jezus en Nicodemus. Vele kinderen zijn bij het voorlezen uit de kinderbijbel over deze naam gestruikeld: “Nico de mus” lazen ze dan.

Wie was Nicodemus? Hij was een Farizeeër. Hij was dus een Schriftgeleerde. Maar hij wordt ook “één van de Joodse leiders” genoemd. Dat betekent dat hij zitting had in het hoogste Joodse bestuursorgaan: “het Sanhedrin”.

Farizeeërs waren schrift geleerden maar ze waren niet de hele dag met schriftstudie bezig. Ze voorzagen in hun eigen levensonderhoud. Zo was Paulus, die ook een Farizeeër was, tentenmaker van beroep.

Waarmee Nicodemus zijn geld verdiende is niet bekend. Wel weten we dat hij zeer rijk geweest moet zijn. In Johannes 19 lezen we n.l. dat Nicodemus bij de voorbereiding van Jezus’ begrafenis zorgde voor een mengsel van mirre en aloë om Jezus’ lichaam mee te zalven. Mirre en aloë waren zeer kostbaar.  Nicodemus schonk wel honderd pond. Hij moet dus zeer rijk geweest zijn.

Waarschijnlijk was hij al op leeftijd. Want nadat Jezus heeft gezegd dat een mens opnieuw geboren moet worden vraagt hij: “Hoe kan een mens opnieuw geboren worden wanneer hij al oud is?”

In Johannes 7 lezen we dat Nicodemus het opneemt voor Jezus in het Sanhedrin. Wanneer enkele leden ervan schampere opmerkingen maken over Jezus, dan zegt Nicodemus: “Volgens onze wet kun je iemand niet veroordelen, voor je jezelf goed op de hoogte hebt gesteld van wat hij heeft gezegd.”

Nicodemus is dus niet zomaar iemand. Hij is een schriftgeleerde. Hij is al op leeftijd. En op grond van zijn schriftgeleerdheid en zijn levenswijsheid is hij uitgekozen om zitting te nemen in het Sanhedrin. Hij is bovendien één van de rijkste en waarschijnlijk ook één van de invloedrijkste mannen in Jeruzalem. Hij is een onbevooroordeeld en onafhankelijke man. Hij heeft het lef om het in het Sanhedrin op te nemen voor Jezus.

Uit het gegeven dat hij ’s nacht bij Jezus op bezoek gaat maken sommige bijbelgeleerden op dat hij zich er voor geschaamd zou hebben om met Jezus gezien te worden. Hij zou bang geweest zijn voor gezichtsverlies. Maar hij lijkt me niet een man die daar bang voor zou zijn. Hij was een onafhankelijke man, die zich niet druk maakte om wat anderen van hem zouden vinden. Dat blijkt immers uit het feit dat hij het in het Sanhedrin durfde op te nemen voor Jezus.

Waarschijnlijker lijkt het mij dat het Sanhedrin Nicodemus erop uit gestuurd heeft om zich eens wat nauwkeuriger op de hoogte te stellen van Jezus’ ideeën. Nicodemus’ door de jaren heen gerijpte wijsheid en zijn onbevooroordeeldheid maken hem bij uitstek geschikt om eens kennis te maken met Jezus en om daar later verslag van te doen in het Sanhedrin.

We lezen dat hij ’s nachts naar Jezus toe ging maar er zal wel bedoeld zijn dat dit later op de avond was. Overdag was het veel te heet voor diepe gesprekken.

En dan lezen we Jezus in het gesprek met Nicodemus tegen hem zegt: “Waarachtig ik verzeker u, alleen wie opnieuw wordt geboren kan het Koninkrijk van God zien.” Nicodemus begrijpt niet wat Jezus bedoelt en vraagt: “Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is?”

Nicodemus vat Jezus’ woorden letterlijk op. Hij luistert met zijn verstand, met zijn linker hersenhelft. Met onze linker hersenhelft denken we logisch. Met onze linker hersenhelft rekenen wij, kijken wij op de klok, plannen wij onze dag en verrichten wij ons dagelijks werk.

Onze rechter hersenhelft werkt heel anders. Met onze rechter hersenhelft luisteren wij naar muziek, kijken we naar een zonsondergang, lezen we een gedicht of bewonderen we een mooi schilderij.

Nicodemus hoort Jezus’ woorden met zijn linker hersenhelft. Jezus begrijpt dat hij hulp nodig heeft om Zijn woorden te begrijpen. En dan gaat Jezus te werk als een mystagoog. In het woord mystagoog zit het woord “mystiek” en mystiek wil zeggen: het gaat om de directe ervaring van God. Mystiek gaat nog een stapje verder dan geloof. In het geloof reik je naar godservaring en de mystiek onderga je deze. Jezus was een mysticus: Hij ervoer God in zijn ziel.

Een mystagoog leidt mensen in, in de ervaring van God. Daarvoor is het nodig dat een mens afdaalt van zijn of haar hoofd naar het hart en de ziel. Daarvoor is het nodig dat een mens omschakelt van de linker hersenhelft naar de rechter hersenhelft.

Jezus was een mystagoog. Hij voert Nicodemus van zijn hoofd naar zijn hart en zijn ziel.

Wanneer Nicodemus met zijn vraag: “Hoe kan een mens geboren worden wanneer hij oud is?” te kennen geeft dat Hij Jezus niet beluistert vanuit zijn hart, voert Jezus hem daar naartoe. Jezus doet dat met gebruik van beeldtaal: de taal van de rechter hersenhelft, de taal van de poëzie en de taal van het geloof.

Hij antwoordt: “Niemand kan het koninkrijk van God binnengaan tenzij hij of zij geboren wordt uit water en geest.” Jezus wist dat Nicodemus een schriftgeleerde was en daarom gebruikt hij woorden die bij de schriftgeleerde Nicodemus verhalen zouden oproepen met behulp waarvan Nicodemus Hem zou kunnen begrijpen.

“Geboren worden uit water en geest.”

De aarde werd geboren uit water en Geest: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde, de aarde nu was woest en ledig en duisternis lag over de vloed maar de Geest van God zweefde over de wateren. Daalde neer en de aarde werd geboren uit het vruchtwater van de oervloed.”

Het volk Israël werd geboren uit water en Geest. Nadat de Farao het volk had laten gaan maar spijt kreeg en het achterna ging met zijn leger van soldaten en paarden, stond het volk voor het water van de Rode zee. Toen schoot God te hulp. In het scheppingsverhaal zweefde de Geest over de wateren. Nu schiet de Geest te hulp in een stormwind. De wind blaast het water opzij, er ontstaat een doorgang door het water. Het volk wordt geboren uit water en Geest.

En bij Zijn doop werd Jezus geboren uit water en Geest. Begint het Nicodemus al wat te dagen? Verplaatst hij zijn horen van zijn linker naar zijn rechter hersenhelft? Daalt hij aan de hand van Jezus af van zijn hoofd naar zijn hart?

Uit het feit dat hij mirre en aloë schonk om, ter voorbereiding op Jezus’ begrafenis, het lichaam van Jezus te zalven mogen we opmaken dat hij met hart en ziel van Jezus is gaan houden.

Ten slotte. Wat zegt het ons dat wij geboren moeten worden uit water en geest?

 Wanneer wij geboren worden dan is dat het begin van een lang proces van volwassen wording. We moeten ons een plaats veroveren in de samenleving. Daarvoor gaan we naar school en volgen we opleiding. We zoeken een levenspartner met wie we kinderen kunnen krijgen. We zoeken een baan en een huis. Dit neemt ons tot ver in onze volwassenheid bijna helemaal in beslag. We zijn egocentrisch bezig. Dat is niet erg. Dat is niet egoïstisch. Zo is het leven.

Maar dan komt er een moment, wanneer we een plaats veroverd hebben in de samenleving en een partner, baan een huis en kinderen hebben, en we eigenlijk alles hebben wat we nodig dachten te hebben maar er dan toch een gevoel van leegte ontstaat. We missen iets. Dat is het moment waarop de woorden van Jezus over geboren worden uit water en geest tot ons kan gaan spreken.

Het egocentrisme uit onze eerste levenshelft is een heel positief iets. Het is het vruchtwater waaruit we opnieuw geboren kunnen worden. Wanneer de geest waait over dit water dan worden wij opnieuw geboren als mensen die openstaan voor God en medemens en schepping. Dan worden wij mensen die ruimte hebben voor God, medemens en schepping. Geve God dat wij geboren mogen worden uit water en geest.

Amen.

5 juni 2022, Pinksteren

Lezingen: Joël 3: 1-5      Handelingen 2: 1-11
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Bij zijn hemelvaart zei Jezus tot zijn leerlingen: “Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de Heilige Geest. “

En zo kwam het dat in een bovenzaal in Jeruzalem de leerlingen van Jezus, Maria de moeder van Jezus, een aantal vrouwen, en de broers van Jezus bijeen waren. En ongetwijfeld zullen er ook zussen van Jezus aanwezig geweest zijn. “Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed,” lezen we in Handelingen 1.
En wat er dan gebeurt, komt niet zomaar uit de lucht vallen maar is een vrucht van het vurig en eensgezind zich wijden aan het gebed:
“Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar zij zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten en allen werden vervuld met de Heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen zoals hen dat door de Geest werd ingegeven.”

En we vernemen van de evangelist Lucas, die ook de schrijver is van het boek Handelingen, dat dit alles gebeurde op de dag van het Pinksterfeest. Het “Pinksterfeest” is de Griekse naam voor het Joodse “Wekenfeest”. Het mooie van de feestkalender van het volk Israël is dat het vieren van gebeurtenissen uit de geschiedenis van het volk worden verweven met het vieren van landbouwfeesten.

De bijbelse geschiedenis komt tot leven in landbouwfeesten: De bevrijding uit Egypte wordt gevierd op het Pesachfeest en op de tweede dag van het Pesach feest wordt de eerste opbrengst van de gerstoogst aan God geofferd. Dit wordt het “feest van de eerstelingen” genoemd. Er wordt dan een omer gerst geofferd. Een omer is het gewicht van de hoeveelheid manna die één persoon per dag kreeg toen het brood uit de hemel kwam.
En vijftig dagen later (7 weken) wordt het “Wekenfeest” gevierd: Sjavoeot in het Hebreeuws. Dat getal 50 klinkt in de Griekse naam voor dit feest “Pentacoste”, “Penta” is 50: Pinksteren.
Op het Joodse Pinksterfeest werd de eerste opbrengst van de gerstoogst aan God geofferd. Pas daarna zou de rest van de gerst oogst geoogst worden. Op dit feest vierde men de verbondssluiting van God met zijn volk. God daalde neer in op de berg Sinaï en schonk de Tien leefregels voor het leven in het beloofde land.
Deze verwevenheid van het vieren van gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël en de landbouwfeesten zien we nu ook in het Pinksterverhaal in Handelingen.

Op het feest van de eerstelingen, op de tweede dag van het paasfeest, vijftig dagen voor Pinksteren, heeft God Jezus opgewekt uit de dood. En Paulus schrijft daarover in 1 Kor. 15: 20  “als eersteling van de gestorvenen.” De Opgestane Heer is de eersteling van de oogst van uit de dood opgewekten.
En dan op het Wekenfeest, het Pinksterfeest, wordt een begin gemaakt met het binnenhalen van de rest van de oogst. De leerlingen van Jezus, de moeder van Jezus, de broers en zussen van Jezus ontvangen als eersten de Heilige Geest en daarna maar liefst 3000 mensen. En het binnenhalen van de oogst gaat nog steeds door: “de velden zijn wit om te maaien”, zegt Paulus “bidt de Heer dat Hij arbeiders uitzendt om te oogsten.”

Op het Wekenfeest is dus een agrarisch feest maar op het feest wordt ook de verbondssluiting op de berg Sinaï herdacht. Mozes ontving uit handen van God de twee stenen tafelen. In Exodus 19 lezen we dat God in vuur neerdaalde op de Sinaï. En de rabbijnen schreven dat God de Tien Woorden in vurige letters op de twee stenen tafelen geschreven had. Wanneer we nu lezen in Handelingen 2 dat er op het Pinksterfeest, dus het feest waarop de Joden de gave van de twee stenen tafelen herdachten, aan de leerlingen van Jezus vlammen verschenen die zich verdeelden over hun hoofden, dan verwijst dit vuur naar het vuur waarin God verscheen op de Sinaï. Het vuur verwijst naar de verbondssluiting en naar de vurige letters waarmee God de tien woorden in de stenen tafelen graveerde.
En dit eerste verbond dat God met zijn volk sloot verwijst ook naar het tweede verbond waarover de profeet Jeremia sprak:
“Ik zal Mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij Mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de Heer kennen want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al.”

Op de berg Sinaï schreef God met vurige letters de Tien woorden in de twee stenen tafelen. Op het Pinksterfeest schrijft hij de Tien Woorden met vurige letters in de harten van de mensen. Dit betekent dat God niet alleen Zijn leefregels geeft maar ook de kracht en de wil om deze leefregels in de praktijk te brengen.
En die leefregels hoeven niet meer onderwezen te worden. Ze hoeven niet meer te worden uitgesproken en gehoord….nee iedereen heeft ze in zijn of haar hart en brengt ze van harte in de praktijk !

In de psychotherapie zijn er meerdere stromingen. Twee ervan wil ik noemen. De psychoanalyse en de gedragstherapie. De psychoanalyse gaat ervan uit dat je de ziel van de mensen moet veranderen en dat er dan vanzelf een verandering van het gedrag volgt. Dus van binnen naar buiten.
In de gedragstherapie gaat men ervan uit dat je door het gedrag te veranderen vanzelf vanbinnen verandert, dus van buiten naar binnen. Voor beide valt denk ik wat te zeggen.

Het Pinksterverhaal gaat ervan uit dat wanneer de mens van binnen verandert, zijn of haar gedrag vanzelf verandert. De weg is van binnen naar buiten.
In de dagelijkse praktijk merken we denk ik wel op dat de Pinkstermethode wel aangevuld moet worden met de methode van de gedragstherapie. Wanneer we ons gedrag veranderen dan veranderen we op den duur ook vanbinnen.

Ten slotte nog de windvlaag die het huis waar de leerlingen bijeen waren opeens vulde. Ik denk dat dit een verwijzing is naar Genesis 1:
“De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag over de vloed maar de Geest van God zweefde over de wateren.” De woeste leegheid van de aarde en de duisternis waarin de aarde gehuld was roepen een gevoel van uitzichtloosheid en troosteloosheid op. Tot in de eeuwigheid zal daar niets gebeuren. Maar dan staan er opeens die verwachtingsvolle woorden:
“Maar de Geest Gods zweefde over de wateren.”

Verwachtingsvolle woorden, hoopvolle woorden: schepping!

Het Hebreeuwse woord voor deze geest is “ruach”. En het is deze ruach die opeens als een windvlaag het boven vertrek vult waar de leerlingen van Jezus en de vrouwen in gebed aanwezig waren. Dat betekent: er zal herschepping plaatsvinden. De leerlingen en de vrouwen, de 3000 later op de dag, de hele mensheid zal worden herschapen. “Ruach” wordt vertaald als “wind” of “adem” dat klopt ook wel maar nauwkeuriger is het te vertalen als “windkracht” en “ademstoot”.
De ruach brengt iets in beweging: de herschepping. De ruach brengt mensen in beweging. Spontaan en van harte brengen ze de Tien Woorden in de praktijk.

Het Pinksterfeest is een oogstfeest. De volgelingen van Jezus brengen de vruchten van de Geest voort: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.

Amen.

22 mei 2022

Lezingen: Jesaja 45: 18 en 19 en  1Korintiërs 13: 1 t/m 13
Voorganger: ds. mw. A. G. van Beijeren, Roden

klik voor de overdenking op onderstaande link:

Overdenking 22 mei 2022

15 mei 2022

Lezing: Johannes 13, 31-35
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Jongens en meisjes, broeders en zusters 

Greetje heeft met ons een aantal verzen gelezen uit Johannes 13. We horen dan wat Jezus tegen zijn leerlingen zegt bij het laatste avondmaal dat hij met hen vierde. Hij voelt aan dat hij gearresteerd zal worden en zal sterven. En daarom bereidt Hij zijn leerlingen voor op de tijd dat Hij er niet meer zal zijn. En met oog op die tijd zegt Hij: 

Ik geef jullie een nieuwe gebod: heb elkaar lief zoals ik jullie heb liefgehad.”  

Jezus zegt dat hij zijn leerlingen een nieuw gebod geeft. Maar de inhoud klinkt ons toch bekend in de oren: “Heb elkaar lief.“ Dat is wat Jezus zijn leerlingen altijd al leerde. En Hij had het niet van zichzelf maar hij had het van huis uit meegekregen. Iedere Jood kende de samenvatting van de Joodse leefregels:
“Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf.” 

Wanneer Jezus zegt dat Hij een nieuw gebod geeft dan bedoelt Hij niet dat hij een ander gebod geeft. Wat Hij bedoelt is dat dit gebod telkens opnieuw nieuw is. Het is als met het doorbreken van de lente. Dat beleef je ieder jaar weer als nieuw. En zo is het met het ’s ochtends wakker worden: uitgerust, fris en vrolijk begin je verwachtingsvol aan een nieuwe dag. En zo geeft Jezus een nieuw gebod, die nooit verouderd maar telkens opnieuw lentefris is.
Dit is een morgen als ooit de eerste, zingende vogels geven hem door.”
Dauw op de aarde, zonlicht van boven, vochtige gaarde geurig als toen.” 

 De inhoud van het nieuwe gebod luidt: “Heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad moeten ook jullie elkaar liefhebben.” Dat roept de vraag op: Hoe heeft Jezus zijn leerlingen dan liefgehad? Het antwoord luidt:  “Met grenzeloze liefde!” Wat is grenzeloze liefde? Dit wordt zichtbaar in het woord ” barmhartig”. In de bijbel wordt God vaak een barmhartige God genoemd. Het woord “barmhartig” komt van het Hebreeuwse woord “rachamim “. In dat woord zit het Hebreeuwse woord voor “baarmoeder” verborgen. Wanneer je God “barmhartig” noemt, en de bijbel doet dat, heb je dus een vrouwelijk godsbeeld voor ogen. Wanneer God “barmhartig” genoemd wordt betekent dit dat God voor de mensen voelt wat een moeder voelt voor haar nog ongeboren kind. En dat is grenzeloze liefde.  

Jezus roept zijn leerlingen dus op elkaar grenzeloos lief te hebben. Nu al wil ik benadrukken dat grenzeloze liefde niet betekent dat je jezelf altijd moet wegcijferen of geen grenzen mag stellen. Maar zo is het niet. Wanneer je jezelf altijd maar weg cijfert blijft er een nul over. Waar het om gaat is dat je je in bepaalde situaties afvraagt: “Hoe kan ik deze situatie tot bloei brengen?” Je bent zelf deel van een situatie.
Stel dat je een vriend of vriendin hebt die je telkens maar afsnauwt. Dat kun je misschien honderd keer verdragen maar op een bepaald moment is de maat vol en verbreek je de vriendschap. Wanneer de vriend dan vraagt waarom je dat doet en je legt het uit, kan hij of zij dan uitroepen:  “Maar had dat dan eerder gezegd! Dan had ik het niet langer gedaan. Ik wil je niet kwijt!” Het opnemen voor jezelf, het grenzen stellen aan het gedrag van de ander doe je niet voor jezelf maar ook voor de ander. 

 Jezus liefde voor zijn leerlingen was grenzeloos. Die van ons vaak niet. Dat werd duidelijk aan Berts uitleg over de emotionele bankrekening. In een relatie storten mensen positieve zaken op de bankrekening b.v. je toont je waardering door kleine aardigheden: “Wat zie je er leuk uit.” “Wat lief dat je dit voor me doet.” En je neemt negatieve zaken op van de bankrekening: “Je snauwt, je spreekt geen woorden van waardering enzovoort.” Die emotionele bankrekening is niet goed of slecht maar geeft gewoon weer hoe het werkt in menselijke relaties. Wij staan daar niet boven. Wij hoeven daar ook niet boven te staan. Maar het is goed om in te zien dat het zo werkt. De balans tussen geven en nemen moet in een relatie in evenwicht zijn. Wanneer Jezus ons oproept om grenzeloos lief te hebben, vraagt hij ons niet om de werkelijkheid van de balans te ontkennen. Dat zou ons ziek kunnen maken.  

Ook uit het experiment met vooroordelen dat Allard, Lise en Ilse ons lieten zien, blijkt dat onze liefde niet grenzeloos is. We hebben vooroordelen. En die vooroordelen staan grenzeloze liefde in de weg. Vooroordelen zorgen ervoor dat wij ons hart afsluiten voor de ander in plaats van dat we ons hart voor de ander openstellen. 

Jezus roept ons op tot grenzeloze liefde maar emotionele bankrekeningen en vooroordelen staan die grenzeloze liefde in de weg. Hoe kunnen wij deze obstakels uit de weg ruimen? Hoe kunnen wij grenzeloos lief leren hebben zonder dat we over ons heen laten lopen of ons zelf overvragen en burned out raken ? 

Het begint ermee dat wij ons bewust worden van datgene wat bij ons de grenzeloze liefde in de weg staat. Het gaat erom dat wij onze emotionele bankrekeningen en vooroordelen (en jaloezie en afgunst en ergernis noem maar op…) onder ogen zien. Bewust onder ogen zien. En dat kun je alleen verdragen wanneer je weet dat God met liefdevolle ogen naar je kijkt. Kijk niet naar jezelf door de strenge ogen waarmee jij jezelf de maat neemt. Kijk naar jezelf door de liefdevolle ogen van God. Hij houdt van je zoals je bent met grenzeloze liefde. Je hoeft niet volmaakt te zijn voor Hij van je kan houden. Hij houdt al van je.  

En het is ook van belang dat je van jezelf houdt met grenzeloze liefde: met de liefde van een moeder voor haar ongeboren kind. Wanneer je bang bent of verdriet hebt kan het helpen dat jij in jezelf de rol opneemt van liefdevolle vader of moeder en kind. Wanneer het kind in jou bang is of verdriet heeft kun je met een ander deel van je ziel als liefdevolle vader of moeder je innerlijk kind liefdevol toespreken en zo geruststellen of troosten. Zo kun je jezelf liefhebben. 

Hoe kunnen wij grenzeloos lief leren hebben? Door met liefdevolle ogen onder ogen te zien wat in ons dat grenzeloos liefhebben in de weg staat. En dat onder ogen zien dat moet wel 10, 100, 1000 misschien wel 10.000 keer opnieuw gebeuren. Telkens zie je de obstakels weer opduiken maar op een gegeven moment, misschien na jaren, misschien na een leven, vallen ze weg. En dan word je grenzeloze liefde. 

Wanneer Jezus ons oproept : “Heb elkaar grenzeloos lief.” Doet hij dan een appel op onze wil? Spreekt hij ons aan op onze wilskracht? Ik denk het niet of hooguit een klein beetje. Wij kunnen niet met onze wil besluiten: vanaf nu ga ik grenzeloos liefhebben. Wij hebben onszelf niet zo in de greep met onze wil dat we dat zouden kunnen. Maar wie zou gaan proberen om op wilskracht grenzeloos lief te gaan hebben zou ook snel burned out raken. Dan overvragen we onszelf. 

Uit het verhaal over de doop van Jezus blijkt hoe Jezus leerde om grenzeloos lief te hebben. Johannes doopte Jezus door Hem achterover kopje onder in het water onder te dompelen. Toen Jezus uit het water oprees en zijn ogen ten hemel sloe , zag hij hoe de hemel openscheurde en de Heilige Geest als een duif op Hem neerdaalde en hij hoorde een Stem met grenzeloze liefde zeggen: “Jij bent Mijn zoon, Ik heb jou lief.”  

Op dat moment werd Gods liefde in Jezus ziel uitgestort. En Jezus ontving zoveel liefde liefde voor God, de medemens en voor zichzelf dat Hij er een leven lang van kon uitdelen. 

Jezus roept ons op om elkaar grenzeloos lief te hebben. Dat moeten we niet proberen op wilskracht. Dat is eigenlijk wat teveel van ons gevraagd. Wij kunnen de medemens pas grenzeloos liefhebben wanneer wij net zoals dat bij Jezus bij zijn doop gebeurde, de liefde van God in onze ziel uitgestort krijgen. En ik wens jullie en ik wens u toe dat dit mag gebeuren. 

Amen. 

 

 

8 mei 2022

Lezingen: Psalm 103  en Galaten 5, 1-6
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Een bekende Amerikaanse theoloog, Paul Tillich, stelde dat een mens in zijn of haar leven voor de uitdaging staat om een antwoord te geven op drie vragen. Ten eerste: hoe ga ik om met de dood? Ten tweede: Hoe ga ik om met mijn tekortschieten, mijn onvolmaaktheid, mijn schuld? En ten derde: Wat is de zin van mijn leven?

Hieraan moest ik denken toen ik afgelopen woensdag in het dagblad Trouw een verhaal las van een mevrouw met de naam Monique ten Brinke. Het verhaal staat in een reeks van verhalen over zingeving die wekelijks in Trouw geplaatst worden.

Monique Ten Brinke vertelt dat zij liefdevolle en wijze ouders had. Ouders die haar ook leerden dat de dood bij het leven hoort. Wanneer haar ouders midden zeventig zijn sterft haar moeder. Toen haar moeder hoorde dat ze ziek was en niet meer beter kon worden zei ze: “Ik ben mijn kinderen voorgegaan in het leven en nu ga ik ze voor in de dood.”

Haar vader leeft nog tien jaar als weduwnaar. Al die tijd doet hij zijn best om zijn huis nog steeds het ouderlijk huis van zijn kinderen te laten zijn.

Dan wordt ook Monique haar vader ziek. Er breekt voor haar een hele drukke tijd aan. Ze heeft een baan als apotheker. Ze heeft de zorg voor haar kinderen én ze krijgt de mantelzorg voor haar vader erbij.

Op een middag rijdt ze van haar werk naar huis, ze nadert een kruising moet dan een besluit nemen: Sla ik links af om naar mijn zieke vader te gaan of sla ik rechts af om naar mijn kinderen te gaan die op mij wachten. Ze besluit rechts af te slaan naar haar kinderen maar heeft dan het gevoel haar vader in de steek te laten. Zou ze links af slaan dan zou ze zich schuldig voelen t.o.v. haar kinderen. Wat ze ook doet, in haar beleving schiet ze altijd tekort. En dat gevoel van tekortschieten bepaalt haar leven.

Een paar weken later slaat ze links af naar haar vader maar in haar vermoeidheid valt ze boos tegen hem uit waarop haar vader in tranen uitbarst. Ze voelt zich heel schuldig.

Een tijdje later overlijdt haar vader. Hij was R.K. en dus wordt de uitvaartdienst geleid door de pastoor. Ook na de uitvaartdienst blijft Monique rondlopen met het gevoel dat ze tekortgeschoten is t.o.v. haar vader en voelt ze zich schuldig dat ze terwijl hij ziek was tegen hem uitgevallen is.

Op weg van haar werk naar huis passeert ze het huis van de pastoor. Op een dag stopt ze voor het huis, belt aan en vraagt de pastoor of ze hem kan spreken. Ze is welkom en dan stort ze haar hart bij hem uit. Ze vertelt hoe schuldig  ze zich voelt en hoe ze zich voelt tekortschieten.

De pastoor luistert naar haar met een liefdevolle blik in zijn ogen. Wanneer ze haar verhaal gedaan heeft bidt hij met haar. En Monique vertelt dat ze eigenlijk niet gehoord heeft wat hij bad maar na het gebed voelde ze zich enorm opgelucht.

De liefdevolle blik van de pastoor, de rust waarin hij naar haar luisterde. Ze voelde zich door hem en door hem heen door God aanvaard zoals ze was met al haar tekortkomingen. Ze realiseerde zich dat ze niet volmaakt hoefde te zijn maar er in haar onvolmaaktheid helemaal mocht zijn.

Ze zegt: “Menszijn is tekortschieten. Ik ben niet langer bang tekort te schieten, ik weet dat ik dat zal blijven doen. Dat geeft betekenis aan mijn leven, want het besef van feilbaarheid draagt mij nu in plaats van dat ik erdoor wordt beheerst. Dat geeft ruimte, dat is zin.”

Monique had het gevoel dat zij perfect zou moeten zijn. Ze zou een perfecte apotheker, een perfecte dochter en een perfecte moeder inéén moeten zijn. Ze legde zichzelf daarmee een zwaar juk op. En dit kwam niet alleen uit haar zelf. Ook vanuit de samenleving worden deze beelden van perfectie aan vrouwen opgedrongen. En niet alleen aan vrouwen maar ook aan mannen. Mannen wordt voorgehouden dat ze hun zaakjes altijd perfect op orde moeten hebben. Lukt dat niet dan hebben ze dat aan zichzelf te wijten.

Vele mensen leggen zichzelf het juk op perfect te moeten zijn. Paulus spreekt hen aan in Galaten 5 waar hij zegt: “Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houdt dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.”

Paulus schrijft dit in het kader van een discussie die zich in de zich ontwikkelende christelijke gemeente van Galatië. Deze gemeente bestond voor het grootste deel uit niet- joden. Paulus had hun duidelijk gemaakt dat het voor hen niet nodig was om zich aan al de voorschriften van de Joodse wet te houden. Ze hoefden zich van hem ook niet te besnijden. Het enige dat telt voor niet- Joodse christenen is de samenvatting van de Joodse wet zoals Jezus die gegeven had: “Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. “ Joodse christen mochten zich natuurlijk gewoon aan de voorschriften van de Joodse wet houden. Want deze was niet opgeheven of verouderd. “Geen jota of tittel ervan is verouderd.” zei Jezus maar de niet – Joodse christenen hoefden zich van Paulus niet aan alle cultuurbepaalde voorschriften te houden.

Maar na Paulus kwamen er Joods -christelijke predikers in de gemeente van Galatië die meenden dat het wel nodig was dat de niet-joodse christenen zich aan alle voorschriften van de Joodse wet zouden houden en zich ook zouden moeten laten besnijden.

En daarom schrijft Paulus aan de gemeente van Galatië : “Laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.” “Laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.”  Hoezo opnieuw? Wat was dan het eerste slavenjuk? Dat lezen we iets verderop : “Als u probeert door God als een rechtvaardige aangenomen te worden door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt.” En dus niet langer vrij.

Dit “proberen door God als rechtvaardige aangenomen te worden door de wet na te leven “ dat is het perfectionisme waar ik over sprak. Dat is het idee van Monique dat ze een perfecte apotheker, dochter en moeder zou moeten zijn. Dat is het idee dat je nooit een keer in  vermoeidheid boos zou mogen uitvallen naar iemand. Dat is het idee dat je geen fouten zou mogen maken.

In het verleden werd dit perfectionisme in de schoenen geschoven van het Joodse geloof. Het proberen om de wet perfect na te leven en zo rechtvaardig te worden voor God zou de essentie van het Joodse geloof zijn.

Maar dat klopt helemaal niet. Ook joodse gelovigen wisten dat je niet volmaakt hoefde te zijn om toch te mogen leven voor Gods aangezicht. Psalm 103 getuigt hiervan:

“Prijs de Heer, mijn ziel …hij vergeeft u alle schuld. Liefdevol en genadig is de Heer. Hij blijft geduldig en groot is Zijn trouw…Hij straft ons niet naar onze zonden. Hij vergeldt ons niet naar onze schuld. Zover het oosten is van het westen zover heeft Hij onze zonden van ons verwijdert.”

Ook de Joodse gelovigen wisten :we hoeven niet volmaakt te zijn. God houdt van ons zoals we zijn. We hoeven niet perfect te zijn. We mogen tekortschieten. We mogen fouten maken. Die ruimte gunt God ons. In die ruimte mogen we leven.

Paulus schrijft aan de gemeente van Galatië : “In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is. Belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent,die het geloof zijn kracht verleent.”

Dit geloof is het vertrouwen dat we niet perfect hoeven te zijn om door God te worden liefgehad maar de mensen mogen zijn die we zijn: mensen met fouten en gebreken, mensen die tekortschieten.

Het idee dat we perfect moeten zijn om Gods liefde te verdienen is geen slavenjuk die alleen Joden zichzelf zouden opleggen. Het is een algemeen menselijke neiging die je in alle religies tegenkomt. En ook daarbuiten: ook niet religieuze mensen menen dikwijls dat ze perfect moeten zijn.

Paulus leert ons dat Jezus in zijn liefdevolle omgang met mensen ons heeft laten zien dat we in God liefde mogen zijn wie we zijn.

Paul Tillich had het over drie grondproblemen van het menselijk bestaan :dood, het gevoel tekort te schieten en schuld en de vraag naar de zin van ons leven.

Het antwoord op het probleem van de dood kan ik nu niet diep ingaan. Ik noem twee prachtige uitspraken. Huub Oosterhuis schreef: “En niemand valt of hij valt in Uw handen. “ Okke Jager schreef: “Een vriendschap met God is een eeuwige vriendschap.”

Het antwoord op het probleem van de schuld lezen we in psalm 103 : “Prijs de Heer mijn ziel. Hij vergeeft u alle schuld.”

En de vraag naar de zin van ons leven wordt beantwoord in ons leven zelf wanneer we leven in het vertrouwen dat we geborgen zijn in God, zelfs in de dood en we mogen weten dat onze zonden vergeven zijn. Er komt dan een ontspanning in ons leven. Vanuit die ontspanning vragen we ons af :Waarom leef ik?  Ik weet het niet. Maar ik leef graag. Het licht is mooi. De kleuren zijn mooi. De mensen zijn mooi. In al die schoonheid zie je de schoonheid van God. God in wie wij leven, in wie wij ons bewegen en in wie wij zijn.

Amen.

1 mei 2022

Lezing: Psalm 100 en Johannes 21: 1 t/m 14
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Vandaag is het de derde zondag van Pasen. Twee weken geleden vierden we het Paasfeest. In mijn preek heb ik toen onder woorden gebracht wat de kern van het paasfeest is. Dat is de belofte dat zoals Jezus uit de dood werd opgewekt alle mensen die ooit geleefd hebben, alle mensen die nu leven en alle mensen die nog geboren zullen worden ook uit de dood zullen worden opgewekt.

Bovendien zal onze planeet aarde getransformeerd worden tot één grote Hof van Eeden. De mensheid zal in harmonie samenleven. Rouw en geweeklaag wordt niet meer gehoord. De dood zal er niet meer zijn.

Deze belofte klinkt heel naïef. Het geloof dat de belofte vervuld zal worden lijkt een heel kinderlijk geloof. Maar diep in ons hart leeft het verlangen naar de opstanding, naar die nieuwe hemel en die nieuwe aarde. In het geloof komt het erop aan dat wij aan dit verlangen trouw blijven. En trouw blijven aan dit verlangen betekent niet dat we achterover leunen en met de armen over elkaar : “Stil maar wacht maar alles wordt nieuw”. zingen. We zingen niet “stil maar, wacht maar”, we zingen “bidt maar, werk maar, alles wordt nieuw”. God wil ons inschakelen in Zijn werk van schepping en herschepping.

Het geloof in de opstanding van alle mensen van alle tijden en alle plaatsen lijkt naïef. Maar wie zich realiseert dat de belofte hiervan wordt gedaan door de schepper van hemel en aarde, door de Heer van het heelal, weet dat dit geloof niet naïef is.

Laten we even tot ons laten doordringen wat het betekent wanneer ik God “de Heer van het heelal“ noem.  Onze aarde maakt deel uit van het Melkwegstelsel. Om van de ene kant van het Melkwegstelsel naar de andere kant te reizen, moet je 100.000 jaar reizen met de snelheid van het licht. Het licht beweegt zich met een snelheid van 300.000 km per seconde. Honderdduizend jaar met de snelheid van 300.000 km per seconde. Zo groot is ons Melkwegstelsel. En er zijn miljarden sterrenstelsels.

Het betekent dus nogal wat wanneer ik God “Heer van het heelal“ noem. Hij is het die het heelal van binnenuit samenhoudt. Hij is de ziel van het heelal. En deze God belooft ons de opstanding uit de doden.

De opstandingskracht wordt in de lente zichtbaar in het doorbreken van de bloesem en de groen in de natuur. Deze opstandingskracht wordt zichtbaar in beeldende kunst, hoorbaar in muziek, voelbaar in dans.

Op het Paasfeest vierden we dat Jezus als eerste van de mensheid opstond uit de dood. In de weken na Pasen lezen we over de keren dat de Opgestane Heer na zijn dood aan zijn leerlingen verscheen. En zo lezen we vanmorgen het verhaal over de verschijning van de Opgestane Heer aan zijn leerlingen bij het meer van Tiberias.

Ik zei zonet al dat het geloof in de opstanding er niet toe moet leiden dat we achterover gaan leunen om met de armen over elkaar “ stil maar wacht maar alles wordt nieuw “ te gaan zingen. Nee, wij worden actief betrokken bij het scheppings- en herscheppingsproces : “Bid maar werk maar, alles wordt nieuw“ mogen wij zingen.

Dat dit zo is blijkt uit het verhaal van vanmorgen. Het verhaal richt onze aandacht niet op de hemel maar op de aarde. We lezen dat Jezus aan zijn leerlingen verscheen bij het “Meer van Tiberias“. wij staan er niet zo gauw bij stil maar de naam “Meer van Tiberias“ is niet zo maar een onschuldige aanduiding van het meer. De eigenlijke naam van het meer is “ Meer van Galilea “. De naam van het meer werd veranderd door koning Herodus de Grote. Hij wilde in een goed blaadje komen bij keizer Tiberias. Daarom bouwde hij aan het meer van Galilea een stad die hij Tiberias noemde en tegelijkertijd veranderde hij de naam van het meer. In: ”Meer van Tiberias”.

Dat was op zich voor de Joden al ergerlijk genoeg maar daar zou je nog mee kunnen leven, zou je kunnen denken. Waarschijnlijk was het echter zo dat de vissers voorheen uit hun eigen meer hun eigen vissen konden vangen. Maar opeens wordt het meer opgeëist door de keizer. Het meer is niet meer het eigendom van de vissers maar van de keizer van Rome. De vissen zijn niet de vissen van de vissers maar van de keizer. In het vervolg moeten de vissers belasting betalen over hun vangst.

Toen Jezus voor Pilatus stond, stond de koning van het Koninkrijk van God tegenover de vertegenwoordiger van de keizer van Rome. Het Koninkrijk van God stond tegenover het keizerrijk.

In het verhaal van vanmorgen zien we een vergelijkbare confrontatie : de Opgestane Heer staat tegenover keizer Tiberias. De opgestane Heer komt in opstand tegen keizer Tiberias. De blik is niet op de hemel gericht maar op de aarde.

Het verhaal kennen we. Petrus vraagt zes medeleerlingen mee te gaan vissen. De hele nacht vingen ze niets. Dan roept de Opgestane Heer en toe dat ze het net aan stuurboord moeten uitgooien.

U hebt natuurlijk wel vaker gehoord dat dit niet handig was omdat het roer aan stuurboord zat. Dat was een lange roeispaan. Wanneer je het net aan stuurboord uitgooit kan het gemakkelijk in het roer verstrikt raken. Dat had ik ook vaker gelezen. Maar wat ik nu las wist ik niet. De vissers visten niet midden op het meer omdat het daar diep was en de vissen op grote diepte zwemmen. Daarom visten de vissers dicht bij de oever. Ze maakten hun net aan een stok op de oever vast en roeiden de boot een eindje het water op. De vissen die in het ondiepe water tussen oever en boot zwommen werden zo gevangen in het net.

Maar waarom het niet handig was om het net aan stuurboord uit te werpen was omdat de stroming van het water dan het net onder de boot zou drijven en dan vang je niets. Het was dus heel ongebruikelijk

Dat Jezus de leerlingen opriep het net aan stuurboord uit te werpen. Maar de leerlingen doen het en het net raakt overvol, een overvloedige vangst .

Dan plotseling herkent één van de leerlingen Jezus: “Het is de Heer!” roept hij. En dan bedenkt Petrus zich geen ogenblik. Hij springt in het water en  haast zich waden door het water naar Jezus toe.

Dan blijkt Jezus al een vuurtje te hebben aangestoken en reikt Hij hen brood en vis.

Gemeente wat betekent dit verhaal? Ik zei het al. Het is een confrontatie tussen de keizer van Rome, keizer Tiberius en de koning van het Koninkrijk van God: de Opgestane Heer.

De keizer van Rome heeft het meer van Galilea onteigent. Hij heeft het meer van de arme vissers afgepakt. Ze konden al nauwelijks bestaan van hun visvangst. Ze konden hun kinderen al bijna geen eten geven. En dan wordt hun bron van inkomsten hun afgepakt door de rijkste man van de wereld die totaal onverschillig staat tegenover het lot van de armen.

En dan verschijnt daar bij het meer de Opgestane Heer. Hij geeft de leerlingen brood en vis. Dat doet natuurlijk denken aan die keer dat Jezus in de heuvels van Galilea een hele dag een menigte van mensen toegesproken had. Aan het einde van de dag kregen de mensen honger. “U moet ze wegsturen zodat eten kunnen halen”, zeggen ze tegen Jezus. Maar Jezus zegt tegen hen: “Jullie moeten ze te eten geven.” En dan breekt hij het brood en de vis en Hij breekt en breekt en de hele menigte kan worden gevoed tot overhouden toe.

De keizer van Rome staat onverschillig tegenover mensen die honger leiden. De koning van het koninkrijk van God voedt de hongerende en roept zijn leerlingen op: “Jullie moeten ze te eten geven. Het is jullie verantwoordelijkheid.”

De keizer van Rome doodde de koning van het Koninkrijk van God.  Maar God wekte Hem op uit de dood. De opgestane Heer zet zijn werk voort. Hij voedt de hongerenden en roept Zijn leerlingen op:  “Jullie moeten ze te eten geven.” De Opgestane Heer, de koning van het Koninkrijk van God roept ons op om actief mee te werken aan de opbouw van het Koninkrijk van God.

Maar dat werken aan de opbouw van het koninkrijk van God valt niet mee. Dat wordt duidelijk aan het beeld van de leerlingen die de hele nacht vissen maar niets vangen. Het werken aan de opbouw van het Koninkrijk lijkt vaak tevergeefs.

Maar de Opgestane Heer roept ons toe: “Werp het net uit aan de andere kant.”

Gooi het over een andere boeg: Stop met gebruik van olie en gas. Gooi het over een andere boeg en stap over op de energiebronnen die God jullie geeft: zon, wind, water.

Laat het niet gebeuren dat een klein aantal superrijken het voor het zeggen krijgen in de wereld. Gooi het over een andere boeg. Laat niet het behalen van maximale winst het doel zijn van een onderneming. Maar de vraag: Hoe kunnen we dienstbaar zijn aan de samenleving?

Laat het niet gebeuren dat de wereldmachten met elkaar in machtsstrijd verwikkeld raken. Gooi het over een andere boeg. Laat ze de handen ineen slaan om samen honger en armoede wereldwijd uit te bannen.

Zo zal, op het woord van de Opgestane Heer, het Koninkrijk van God aanbreken.

Amen.

17 april 2022 Paasmeditatie

Lezing, Paasevangelie: Johannes 20, 1-18
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Twee weken geleden ging ds. Jolanda Paans voor in de vesper in deze kerk. Wat ze toen zei over het kruis raakte me. Ze herinnerde aan beelden uit Oekraïne die vlak daarvoor op t.v. verschenen waren. Beelden die op ons aller netvlies gebrand zijn. De beelden van een straat waarin doden lagen. Een vrouw lag voorover. Onder haar vandaan stak haar arm met daaraan een hand met roodgelakte nagels. En iets verderop lag een man met een fiets. Zijn handen hielden de handvatten van het stuur nog vast. “Moderne kruisbeelden”, noemde Jolanda ze. En dat voelde ik ook zo.

We zijn zo vertrouwd met de beelden van het kruis dat ze ons dikwijls niet mee zo raken. De moderne kruisbeelden geven ons de schok die nodig is om de ons de realiteit van het kruis te laten ervaren. Deze beelden plaatsen ons in de realiteit van vandaag, de realiteit van de oorlog in Oekraïne waarin wij elkaar vandaag de paasboodschap van de opstanding verkondigen. De paasboodschap moet de confrontatie met de realiteit aankunnen. We verkondigen elkaar geen vrome praatjes.

Allereerst wil ik met u delen wat ik net ontdekt hebt. Dat is dat er in de iconografie in de westelijke kerk en in de oosters-orthodoxe kerken een groot verschil is waar te nemen in de wijze waarop de opstanding wordt afgebeeld.
In de westerse kerk wordt de opstanding van Jezus als een individueel gebeuren geschilderd. Je ziet beelden van Jezus die als enige opstaat uit een opengebroken graf.
In de oosters-orthodoxe afbeeldingen is de opstanding een collectief gebeuren. Je ziet Christus opstaan maar tegelijkertijd zie je hoe hij ook Adam en Eva helpt opstaan uit het graf. En Adam en Eva vormen samen het symbool van de mensheid. Met Christus staat de mensheid op uit het graf.

En wanneer je leest hoe in Mattheüs 27 de opstanding beschreven wordt dan begrijp je dat de collectieve oosters-orthodoxe manier van afbeelden van de opstanding dichter bij de bijbel is dan de westerse individuele manier. We lezen in vers 51 hoe Jezus sterft:
“Nog eens schreeuwde Jezus het uit, toen gaf hij de geest. Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën en de aarde beefde en de rotsen spleten. De graven werden geopend en de lichamen van veel gestoven heiligen werden tot leven gewekt. Na Jezus, opstanding kwamen ze uit de graven, gingen de heilige stad binnen en maakten zich bekend aan een groot aantal mensen.”

Het sterven van Jezus, zijn opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest lijken op hetzelfde moment te gebeuren. Goede vrijdag, Pasen en Pinksteren lijken op één dag te vallen.
Het paasevangelie uit het evangelie van Johannes is onbeschrijfelijk mooi en raakt ieder jaar weer. Het beschrijft de opstanding echter als een individueel gebeuren.

In de situatie waarin we verkeren met de oorlog in Oekraïne past in mijn beleving beter de beschrijving van een collectieve opstanding zoals we dat in Mattheüs 27 lezen.
Wanneer we spreken over de opstanding van Jezus dan spreken we tegelijkertijd over de opstanding van de slachtoffers in Oekraïne. Maar ook over de opstanding van alle slachtoffers die gevallen zijn in oorlogen de geschiedenis door en tot op de dag van vandaag.

Volgende week op 24 april wordt in de oosters-orthodoxe kerk het paasfeest gevierd en ook in de kerken in Oekraïne zullen dan die woorden uitgeroepen worden die wij aan het begin van de dienst uitriepen: “De Heer is waarlijk opgestaan! Christus is waarlijk opgestaan! De Heer is waarlijk opgestaan!”
Niet de oorlog, de verwoesting, de dood zullen het laatste woord hebben maar vrede, opbouw en het leven. Wij vieren vandaag en het volk van Oekraïne viert volgende week het mysterie van de opstanding. De opstanding is een mysterie, geen raadsel. Een raadsel kan worden opgelost, een mysterie niet. Een mysterie wordt groter naarmate je er dieper in doordringt.

Het mysterie van de opstanding is het mysterie van de schepping en de herschepping. Het mysterie van de opstanding is het mysterie van God. Onze hele werkelijkheid komt uit dit mysterie voort. Ieder ogenblik nieuw. Ieder ogenblik worden wij geschapen en herschapen. Het hele heelal komt uit dit mysterie voort. Nu op dit moment. Dat is een wonder en er spreekt een oneindig grote scheppingskracht uit.

Iets van die scheppingskracht zien we in de lente waarin het nieuwe leven doorbreekt in de natuur. Dat is maar een fractie van de scheppingskracht van God. Die scheppingskracht is zo groot dat van daaruit ons wordt toegezegd:

DE VERLOSSING VAN ALLE MENSEN UIT ALLE TIJDEN EN VAN ALLE PLAATSEN

Dat zijn hele grote woorden. Niet alleen Jezus maar alle mensen van alle tijden en plaatsen zullen worden opgewekt uit de dood en worden verlost van hun lijden. Jezus is de nieuwe Adam, de eersteling van een nieuwe schepping.

Zoals Jezus werd opgewekt uit de dood. Zo zullen alle mensen die in het verleden hebben geleefd, en alle mensen die nu leven en alle mensen die nog geboren zullen worden, opgewekt worden uit de dood. Ze zullen worden verlost uit de dood, ze zullen worden verlost uit alle lijden, eenzaamheid en pijn. Ze zullen worden verlost van schuld.
De aarde zal een bloeiende tuin worden: een Hof van Eden. De mensen, wij, zullen daarop leven en gelukkig zijn. Leven in harmonie met God, in harmonie met elkaar, in harmonie met de natuur.
Deze boodschap sluit aan bij een verlangen die diep leeft in onze ziel. Een verlangen naar heil, naar heelheid en geluk, voor altijd voor iedereen. Maar wanneer je dit verlangen confronteert met de werkelijkheid, dan lijkt ze te verpletteren onder het gewicht van de realiteit. De realiteit lijkt groot en zwaar als de grote, ronde steen die het graf van Jezus afsloot. Een steen waar geen beweging meer in te krijgen is.
Die steen zegt ons: feiten zijn feiten, dood is dood, je moet je neerleggen bij de harde werkelijkheid.
De paasboodschap gaat hier tegenin, is een revolutionaire boodschap en roept op tot opstand: Weiger de wanhoop! De wanhoop lijkt zoveel realistischer dan de hoop maar is het niet! Blijf trouw aan wat er in het diepst van je ziel aan verlangen leeft.
De werkelijkheid is veel groter dan je denkt! God is veel groter dan je denkt! Werp de wanhoop van je af!

De hoop en het leven komen op ons af als een oproep van God. Huub Oosterhuis heeft dat prachtig verwoord. In het derde couplet van het lied “De steppe zal bloeien”, schrijft hij:
De dode zal leven
De dode zal horen: “Nu leven!”
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
“Dode, dode sta op!”
Het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
Een stem zal ons roepen:
“Ik open hemel en aarde en afgrond.”
En wij zullen horen
En wij zullen opstaan
En lachen en juichen en leven!

Amen.

10 april 2022 Palmzondag

Lezingen: Jesaja 50: 4-7      Matheus 21: 1-11
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Rijdend op een ezel
In het koningschap van Jezus niet om macht gaat maar om dienstbaarheid.

Wanneer ik zeg dat het in het koningschap van Jezus niet om macht gaat maar om dienstbaarheid dan stel ik deze twee begrippen ten onrechte tegenover elkaar en suggereer ik dat  macht niet goed zou zijn.
Dat wil ik corrigeren. Macht is niet slecht. Macht is het vermogen om iets te doen.  Zonder macht kun je geen kwaad doen maar zonder macht kun je ook geen goed doen. Zonder macht ben je machteloos: ten goede of ten kwade. Jezus zou de macht wil hebben om goed te doen.  In Hem leeft de wens om goed te doen.  Macht zou Hem in staat stellen om goed te doen.
Ik heb het wel vaker verteld maar het wordt mij steeds duidelijker dat het verhaal over de verzoekingen in de woestijn wezenlijk is voor het begrijpen van Jezus’ koningschap.

Het gaat in dit verhaal om drie verzoekingen:

  1. de verzoeking om van stenen brood te maken d.w.z. de verzoeking om Zijn koningschap te gebruiken om zichzelf te verrijken. Een verzoeking waaraan zovele machthebbers door de eeuwen heen telkens weer aan ten prooi vallen. Twee weken geleden hebben we nog gezien in welk riant huis de president van Oekriaïne woonde en welke schatten hij om zich heen verzameldhad tot de waanzin van een gouden w.c- pot aan toe. Jezus wijst deze verzoeking af. Hij zal Zijn koningschap niet misbruiken voor zelfverrijking ten koste van het volk.
  2. de tweede verzoeking is de verzoeking van Jezus om zichzelf van het tempeldak te werpen en zich te laten opvangen door engelen.

Dat is de verzoeking om zichzelf als charismatische leider , als een goeroe , als een god-koning te laten vereren waardoor Hij een totale greep, niet alleen op het lichaam,  maar ook op de geest van zijn onderdanen zou verwerven. Maar Jezus wijst dit af. Hij wil geen god-koning zijn, geen charismatisch leider. Hij wil zich niet verheffen boven het volk maar  broeder zijn. Hij wil de geest van de mensen niet gevangen nemen maar vrij laten.

  1. de derde verzoeking is de verzoeking om neer te knielen voor de duivel opdat Hem al de koninkrijken van de wereld geschonken zou worden. Dat neerknielen voor de duivel dat is het neerknielen voor de macht om de macht. Hier is macht geen neutraal begrip meer, is het niet meer het vermogen om iets te doen ten goede of ten kwade. Nee hier is macht het vermogen om kwaad te doen. De wil om te heersen om het heersen zelf. Macht omdat macht machtig mooi is.

Ook deze verzoeking wijst Jezus af. Hij wil niet heersen om het heersen . Hij wil het goede doen dat in zijn vermogen  ligt.

Ach! Hadden we in de wereld maar wat meer koningen, presidenten, premiers , regeringsleiders als Jezus! De wereld zou een paradijs zijn, een Koninkrijk van God!
Jezus rijdt op een ezel Jeruzalem binnen. Niet op een paard. Het paard symboliseert zoals u weet de militaire macht. Maar niet alleen dat. Het paard symboliseert die macht die Jezus afwees in de verzoekingen in de woestijn.
De ezel symboliseert de macht die Jezus ambieert: het vermogen om goed te doen. Op een paard toren je uit boven de mensen. Op een paard kijk je op hen neer. Op een ezel bevindt je je op ooghoogte van de mensen. Je kijkt niet op ze neer maar ziet hen in de ogen als broeders en zusters.

Ten tijde van de intocht in Jeruzalem zuchtte het Joodse volk onder de Romeinse bezetting. De zware belastingdruk die de keizer het volk oplegde  veroorzaakte armoede en dagelijkse ellende en uitzichtloosheid. Het volk verlangde naar verlossing.
In de Joodse traditie en in het O.T. hoorden en lazen zij over een verlosser die van Godswege naar het land gezonden zou worden. Hij werd “de Messias” genoemd. En tijdens de Romeinse onderdrukking nam het verlangen naar verlossing daarom de vorm aan van het verlangen naar de komst vande Messias.
En wanneer Jezus roem zich door het land verspreid dan worden deze messiaaanse verlangens aan Jezus verbonden. Men verlangt zo naar verlossing  dat men gaat geloven dat Jezus de messias is.

Maar wat stelt men zich daarbij voor? Men denkt dat Jezus als messias met militair geweld de Romeinse bezetter zal verdrijven. Men stelt zich Jezus voor op een paard in een prachtig koninklijk militair gewaad. Jezus zal als koning op de troon van David plaatsnemen en  het economische herstel van het land  ter hand nemen. En Jezus weet  dat deze verwachtingen rondom Hem aan het groeien zijn. Jezus weet dat het volk bij zijn koningschap een koningschap op een paard voor ogen heeft. En daarom kiest Hij bewust niet voor het paard maar voor een ezel als rijdier.

Maar wanneer het volk Hem aanziet komen rijden en dan helemaal enthousiast wordt en mantels voor Hem op de weg gooit waarover Hij kan rijden en palmtakken boven Zijn hoofd houdt en en roept : “Gezegend Hij die komt in de Naam van de Heer! Hosanna!” Welk koningschap bejubelt het volk dan? Het koningschap op  de ezel of het koningschap op het paard?  En als het volk het koningschap op het paard bejubelde hoe moeilijk zal het dan voor Jezus geweest zijn wanneer Hij zich realiseerde dat het volk niet begrepen had wat Hem voor ogen stond!
Jezus maakte  door zijn keuze voor een ezel niet alleen aan zijn tijdgenoten maar ook aan de mensen van vandaag duidelijk welk koningschap Hem voor ogen staat.

Hij maakt dit duidelijk aan Basjr al  Assad van Syrië, aan  Robert Mugabe van Zimbabwe maar Hij maakt het niet alleen duidelijk aan +de slechterikken . Hij maakt het duidelijk aan alle presidenten in de wereld. Het verhaal over de intocht zou gelezen moeten worden bij de opening van een vergadering van de Verenigde Naties. Alle machthebbers in de wereld moeten weten dat zij bij de machtuitoefening niet uit moeten zijn op zelfverrijking, zelfverheerlijking of macht om de macht.

Alle regeringsleiders moeten weten dat de aarde een paradijs kan worden, een koninkrijk van God wanneer zij hun macht in dienst stellen van hun volk.   Hun lievelingsverhaal dat ze ’s avond voor het slapen telkens weer opnieuw zouden moeten willen lezen is het verhaal van Jezus die de menigte voedt: Hij breekt het brood en de vis en Hij deelt en deelt en deelt tot de  hele menigte verzadigd is.

En niet alleen voor het politieke leven is de boodschap van Jezus relevant maar ook voor ons persoonlijke leven. Ook voor ons persoonlijke leven geldt dat we niet aleen bezig moeten zijn met het verkrijgen van rijkdom of aanzien of macht om de macht. Daarin schuilt het levensgeluk niet. Ons levensgeluk vinden we in de liefdevolle en dienstbare  omgang met onze medemensen.

Amen.

3 april 2022

Lezing: Spreuken 8
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het komt niet vaak voor dat er een lezing uit het boek Spreuken op het leesrooster staat. Het is fijn dat dit vandaag wel het geval is, want het is een prachtig boek geschreven in een poëtische stijl. Het boek Spreuken kun je vergelijken met een schatkist vol met parels. Iedere spreuk is een parel van wijsheid. De ene parel is nog mooier dan de andere. Maar als je alle spreuken achter elkaar wilt lezen wanneer je het boek in één middag of avond uit wilt lezen gaat het je al snel duizelen. Al die wijsheid kun je niet in één keer tot je nemen. Je zou je moeten beperken tot één spreuk per dag. En dan nog zou je wel een uur op iedere spreuk kunnen mediteren om de inhoud ervan tot je door te laten dringen. De oude kerkvaders zeggen dat je de tekst moet kauwen en herkauwen. Je moet de woorden proeven. En pas wanneer je de tekst gekauwd en herkauwd hebt en je de smaak heel goed geproefd hebt kan de betekenis ervan tot je doordringen. Het is duidelijk dat je voor een boek als Spreuken heel veel tijd en rust nodig hebt om je de inhoud ervan eigen te kunnen maken.

In de Thora, de eerste vijf boeken van de bijbel, staan 613 leefregels.  Jezus vatte ze samen in één zin: “Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Op vergelijkbare wijze staat er aan het begin van het boek Spreuken een samenvatting van de vele losse spreuken die er volgen. In één zin wordt gezegd wat de essentie van de vele losse spreuken is. In Spreuken 1 :7 lezen we: “Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer.”

Het begin van de kennis dat is het principe, het wezen, het hart van de kennis. Deze wordt gevonden in het ontzag voor de Heer.

“Ontzag voor de Heer”, in de vorige bijbelvertaling stond :”Vreze des Heren” betekent niet dat je bang moet zijn voor God. Juist niet. Angst is een slechte leermeester. Ontzag voor God verwijst naar zijn leefregels. Als je daarover mediteert, als je die kauwt en herkauwt als je die proeft en in de praktijk be-proeft dan bevind je je op de goede weg die leidt naar een gelukkig leven.

In Spreuken 1, waarop het verhaal voor de kinderen is gebaseerd, is de Wijsheid aan het woord. En van oudsher wordt de wijsheid als een vrouw voorgesteld. Tot in de middeleeuwen werd de wijsheid voorgesteld als Vrouwe Wijsheid die zetelde op een troon in de hemel. Vrouwe wijsheid zegt in Spreuken 8:14: “Bij mij vind je beraad en overleg, ik heb inzicht, ik heb kracht. Door mij regeren koningen, bepalen heersers wat rechtvaardig is. Vorsten heersen dankzij mij, ik laat leiders rechtvaardig regeren.” Voor vrouwen kan deze vrouwe wijsheid een prachtige en krachtige identificatiefiguur zijn. Vrouwen kunnen eraan groeien.

In Spreuken 8 vers 22 zegt Vrouwe Wijsheid : “De Heer heeft mij vóór al het andere verworven, toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij. Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was, nog voor de aarde vorm kreeg. ……”  Vrouwe wijsheid zegt: “Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf en een cirkel om het water trok, de wolken aan de hemelkoepel plaatste, de oceanen bruisend op liet wellen, toen hij grenzen aan de zeeën stelde, het water met zijn woord een plaats gaf, de fundamenten van de aarde legde….ik was zijn lieveling.”

Wat een prachtige taal! Poëzie! Vrouwe wijsheid was er vanaf het begin van de schepping bij. Zij weet hoe de schepping in elkaar zit en daarom zegt ze in vers 32: “Nu dan zonen en dochters luister naar mij, gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft. Luister naar wat ik je leer en wordt wijs!“

Er is een verband tussen dit Schriftgedeelte en het begin van het evangelie van Johannes. In Johannes 1: 1 lezen we: “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.” En verderop wordt gezegd dat dit Woord mens geworden is en bij ons heeft gewoond. In Spreuken 8 wordt van Vrouwe Wijsheid gezegd dat zij in het begin bij God was. Hier wordt gezegd dat het Woord in het begin bij God was.

Het Woord uit Johannes 1 moet worden begrepen als de ontwerpwijsheid van God. Voordat er een nieuw vliegtuig gefabriceerd kan worden maken vliegtuigbouwers een ontwerp. Een ontwerp van de motor. Een ontwerp van de vorm.

Ze denken en rekenen en concluderen dan: “Wanneer we het vliegtuig zo bouwen dan zal het snel en veilig kunnen vliegen.” Dan wordt het vliegtuig gebouwd en wordt de ontwerpwijsheid van de bouwers in de praktijk op de proef gesteld. Eenzelfde ontwerpwijsheid was bij God voor de schepping. Ook God maakte ontwerpen van mens, dier en natuur. En hij dacht: wanneer ik het zo uitvoer dan moet alles werken. Vissen moeten zo kunnen zwemmen. Vogels moeten zo kunnen vliegen. Mensen moeten zo kunnen leven.

God voerde zijn ontwerp uit en alles bleek zo te werken als God gehoopt had. Het Woord uit Johannes 1 is de ontwerpwijsheid van God. Deze ontwerpwijsheid is mens geworden in Jezus. Hij leeft vanuit de ontwerpwijsheid van God. Hij geeft vorm aan het menselijk leven zoals God dat bij de schepping voor ogen had.

De ontwerpwijsheid van God die zichtbaar wordt in het leven van Jezus wordt in Spreuken 8 sprekend opgevoerd als Vrouwe Wijsheid. Jezus was een man maar hij was geen macho. Zijn wijsheid was vrouwelijk van aard. Zo kan Jezus een identificatiefiguur zijn voor zowel mannen als vrouwen. Jezus leeft voor hoe een vrouw krachtig kan zijn en hoe een man zachtaardig kan zijn.

“Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer.” Wanneer je maar ontzag voor de Heer hebt dan hoef je al die afzonderlijke wijsheidsspreuken niet te kennen. Ontzag voor de Heer is het principe, het grondbeginsel, het werkingsbeginsel, waaruit alle wijsheid spreuken voortvloeien.

Dat klinkt heel mooi en dat was ook heel mooi in de cultuur waarin het boek Spreuken geschreven is maar wij kunnen er niet veel mee. In de cultuur waarin het boek Spreuken geschreven is was God duidelijk aanwezig. Hij was Heer en God. Joden mochten Hem niet afbeelden. Maar wanneer ze dat wel hadden mogen doen dan hadden ze Hem afgebeeld zoals dat in de middeleeuwen in de kerken gebeurde. De koepel van de kerk werd goudkleurig geschilderd en God zat in die gouden hemel op een troon. God was zo duidelijk aanwezig in de samenleving dat Hij mensvormig kon worden geschilderd alsof Hij als een koning lijfelijk aanwezig was.

In de schilderkunst verschenen na de middeleeuwen de landschappen. Met de komst van die landschappen verdween God als mensvormige figuur in de schilderkunst. God kon niet als mens in een landschap worden geschilderd. Daar was hij te verheven voor. Was hij dan afwezig in die schilderijen? Nee hij was Aanwezig als het licht dat door die schilderijen heen scheen zoals het licht van de zon door een gebrandschilderd raam heen schijnt.

Maar om het licht van de zon door een gebrandschilderd raam te kunnen zien moet je je niet blindstaren op de afbeelding maar door de afbeelding, door het raam heen leren lijken. Alleen dan zie je dat er meer is dan het raam. Alleen dan zie je het licht achter het raam.

Zo lijkt God in onze samenleving afwezig te zijn. De wetenschap richt onze blik op het zichtbare, op het meetbare. De wetenschap richt onze blik op de afbeelding van het gebrandschilderde raam. Hierdoor zien wij het licht van God niet meer dat door de schepping heen schijnt.

“Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer”, zegt ons niet veel omdat God in onze beleving niet zo concreet in onze cultuur aanwezig is. Om ontzag te kunnen hebben voor God moeten we Hem eerst weer leren ervaren.  We kunnen Hem weer leren ervaren door te kijken naar het licht dat door de schepping heen schijnt, naar het licht dat door de kunst heen schijnt, naar het licht dat door de Schrift heen schijnt en naar het licht dat door de medemens heen schijnt. Amen.

 

 

 

 

 

20 maart 2022

Lezingen: Jesaja 52;1t/m15 en Jesaja 53:1 t/m 11a
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

 

Gemeente van Christus,

De woorden van de lezing uit Jesaja 53 klinken de meesten van u vermoed ik heel bekend in de oren. Dikwijls zult u fragmenten ervan hebben gehoord in liederen en in preken die werden gehouden in de tijd dat de veertigdagentijd nog “lijdenstijd” genoemd werd.

Ik citeer een fragment:
“Hij werd veracht. Door mensen gemeden. Hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was. Een man die zijn gelaat voor ons verborg……maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam……..om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken.“

Velen van u zullen deze woorden  herkennen uit “The Messiah“  van Händel: “ He was despised, despised and rejected “. En ze zo kunnen meezingen.

In de theologie heeft Jesaja 53 een grote rol gespeeld in het proberen te begrijpen van wie Jezus was en wat Hij voor ons gedaan heeft. Het hoofdstuk kwam ook altijd naar voren wanneer er werd gesproken over de thema’s: verzoening en plaatsvervangend lijden.
Bij de voorbereiding van deze preek heb ik mij nog geprobeerd hierover goed in te lezen maar er is zóveel over geschreven en de materie is zó ingewikkeld dat ik er een maand leestijd voor nodig zou hebben en een dag spreektijd om alle nuances recht te kunnen doen.

Ik kan er slechts in grote lijnen over spreken.

Jesaja 53 werd geschreven toen het volk Israël in de Babylonische ballingschap verkeerde. Het volk werd door koning Nebukadnessar gevangen gehouden in Babel. Het volk is bang daar voor eeuwig te moeten blijven. Maar de profeet Jesaja verkondigt dat er een messias, een gezalfde van God zal komen, die het volk zal verlossen en weer terug zal voeren naar huis.

Nu is het beeld van die messias niet eenduidig. Aan het slot van Jesaja 52 wordt hij beschreven als een heel machtig man:

“Ja, mijn dienaar zal slagen “zegt God “ hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien “ ( en dat niet alleen : de koningen zullen ook bang voor hem zijn, zo machtig is hij ). “Zoals hij velen deed huiveren- zo gruwelijk onmenselijk was zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens- zo zal hij vele volkeren opschrikken en koningen zullen sprakeloos staan. “

Hier wordt de messias geschilderd als een voor zijn vijanden huiveringwekkend machtig man.

In Jesaja 53 is het beeld van de messias het omgekeerde van een machtig man:

“Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren. Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht door ons, verguisd en geminacht. “

Hier dus geen machtige messias maar iemand die ogenschijnlijk onmachtig is. Dat is echter maar schijn want er wordt gezegd:

“Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam…om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken…zijn striemen brachten ons genezing. “

In het O.T. zien we dus twee beelden van de messias: een machtige messias en een schijnbaar onmachtige messias, die desondanks toch op de een of andere manier macht heeft.

In het N.T. zien we deze tegenstelling terugkomen. Op palmzondag wanneer Jezus Jeruzalem binnenrijdt leggen de mensen hun mantels op de weg zodat hij erover kan rijden, zo vormen een erehaag met palmtakken en roepen: “Hosanna, hosanna voor de grote koning.“

Ze menen in Jezus de machtige messias uit Jesaja 52 te herkennen. Maar ze hebben niet goed opgelet. Jezus rijdt niet op een paard die het symbool van militaire macht is, maar op een ezel: een vreedzaam dier. En om die vreedzaamheid te benadrukken loopt er ook nog een jong veulen naast.

Jezus maakt duidelijk dat hij niet de aanvoerder wil zijn van een gewelddadige revolutie. Hij wijst het gebruik van geweld af. Hij wil de aanvoerder zijn van een geweldloze, spirituele revolutie. Deze revolutie wordt gevoerd met de wapenrusting van God: de waarheid als gordel om de heupen, de gerechtigheid als harnas om de borst, de inzet voor de vrede als sandalen om de voeten, het geloof als schild, als helm de verlossing en als zwaar de Geest d.w.z. Gods woorden.   (Efeziërs 6)

Jesaja 53 heeft in het verleden een belangrijke rol gespeeld in het proberen te begrijpen van wie Jezus was en wat hij voor ons gedaan heeft.

In vers 5 lezen we: “Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.”

Mede op grond van deze woorden kwam men ertoe te zeggen dat Jezus aan het kruis voor onze zonden gestorven is. En dat klinkt iedereen en ook mijzelf nog heel vertrouwd in de oren. Zo is het toch ook?

Ja, maar bij de redenering erachter kun je toch vraagtekens plaatsen. De redenering luidt: God is heilig. De mensen zijn zondaars. Omdat God heilig is kan hij de zonde van de mens niet onbestraft laten. Gerechtigheid moet geschieden. Straf moet volgen. Omdat God de mens liefheeft wil hij deze straf niet op de mens laten neerkomen. Daarom neemt hij Zelf die straf op Zich door Zijn te laten sterven aan kruis.

Het klinkt heel aannemelijk dat zonde bestraft moet worden. Wij kunnen ons toch niet voorstellen dat Poetin na alles wat hij heeft gedaan er zo maar mee weg zou kunnen komen? De gerechtigheid eist dat hij gestraft moet worden.

Maar is vergeving niet de essentie van de christelijke boodschap? En vergeving is per definitie onrechtvaardig. Rechtvaardigheid is dat zonde wordt bestraft. Vergeving houdt in dat zonde niet wordt bestraft.

Maar is God dan niet rechtvaardig? Ja, dat is Hij. Maar Gods rechtvaardigheid houdt niet in dat hij de zonde straft maar dat hij niet zal rusten voordat alle kwaad en onrecht de wereld uit is.

God kan het onrecht niet verdragen. Met Zijn heilige Geest is hij werkzaam in de geschiedenis van de wereld en in het leven van mensen. Hij rust niet voordat alle onrecht en kwaad de wereld uit is en voordat alle mensen liefdevol en rechtvaardig en zachtmoedig zijn zoals Jezus dat was.

De Heilige Geest bewerkt in mensen een innerlijk veranderingsproces. Ik heb het vaker gezegd. We worden geboren als egocentrische mensen en dat is een gave van God die ons helpt om te overleven. Maar dat egocentrisme kan doorslaan in egoïsme. Je kunt door hebzucht, heerszucht en eerzucht blind worden voor God en medemens. De Heilige Geest kan ons daarvan bewust maken en ons helpen oog te krijgen voor God en medemens en hen lief te hebben.

De Heilige Geest is werkzaam in de wereld en in ons en die werkzaamheid leren wij kennen door onze Heer Jezus Christus. Hij was door de Heilige Geest zo omgevormd dat Hij God en medemens liefhad, zich uitsprak tegen onrecht en het opnam voor de kwetsbaren.

Jezus leefde in volledige overgave aan God. En aan het kruis heeft hij laten zien hoe je kunt sterven in volle overgave aan God. Hij was vol van de Heilige Geest. Zo vol dat de beker van zijn leven overstroomde van de Geest. En in het evangelie staat toen Jezus stierf aan het kruis en zijn hoofd vooroverviel: “En hij gaf de Geest. “Hij gaf de Heilige Geest. De beker van Jezus’ leven stroomde over van de Heilige Geest. De beker van Jezus’ dood stroomde over van de Heilige Geest. Wij mogen de beker van onze ziel openen om de Geest te ontvangen en het veranderingsproces tot Christusgelijkvormigheid in ons te laten geschieden.

Amen.

 

 

13 maart 2022

Lezingen: Johannes 12, 20-36    Daniël 7, 1-14
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Een bijbeltekst of een bijbelverhaal staat nooit op zichzelf, los van de situatie waarin hij gelezen wordt. Een bijbeltekst wordt altijd in een bepaalde situatie gelezen. Een bijbelverhaal is geen cirkel met één middelpunt maar een ellips met twee middelpunten.

De bijbeltekst heeft een bepaalde inhoud maar de situatie waarin hij gelezen wordt is medebepalend voor wat een tekst te zeggen heeft. De situatie is net zo bepalend voor de uitleg van een tekst als de tekst zelf. En daarom raak je ook nooit uitgelezen in de bijbel. In iedere nieuwe situatie licht de bijbel ook weer op nieuwe wijze op.

De situatie waarin we ons nu bevinden is een oorlogssituatie. De oorlog is vlakbij. Dagelijks zien we afschuwelijke beelden voor de t.v. en lezen we erover in de krant en de nieuwsapp op onze telefoon.

De bijbel is het ene punt van de ellips, de oorlog in de Oekraïne is vandaag het andere punt.

Leon las met ons uit Daniël zeven. Het volk Israël bevindt zich in de Babylonische ballingschap. Daniël krijgt aan het hof van koning Belsassar van Babel een opleiding tot rijksambtenaar. Tijdens zijn slaap krijgt hij een droom. Een droom niet los staat van de realiteit maar verbonden is met de werkelijkheid en daarom “visioen” genoemd wordt.

Daniël ziet in het visioen hoe de vier winden, de grote zee in beroering brachten. Vier grote dieren rezen op uit de zee, elk met een andere gestalte.

Het eerste dier leek op een leeuw maar dan met adelaarsvleugels.

Het tweede dier leek op een beer met drie ribben tussen de tanden

Het derde dier leek op een panter maar dan vleugels op zijn rug

Het vierde dier was een dier met veel horens. Het was angstaanjagend, afschrikwekkend, geweldig groot met ijzeren tanden. Het vrat en vermaalde alles wat het tegenkwam en wat er overbleef vertrapte hij met zijn poten.

Deze dieren zijn het symbool van wereldmachten die voor en in de tijd van Daniël hadden geheerst. Deze wereldmachten worden gesymboliseerd als dieren. Ze kiezen daar zelf meestal voor. Het symbool van het Romeinse rijk was de adelaar. Wij Nederlanders hebben de Nederlandse leeuw. De wilde dieren die de wereldmachten kiezen als hun symbool verwijzen naar de trots en kracht die ze in zich voelen, naar de macht die ze uitoefenen en naar het militaire geweld dat ze zonder aarzelen kunnen inzetten.

Deze symbolen staan tot op de dag van vandaag afgebeeld op de F16 en de F35 s van onze luchtmacht, op de poorten van de kazernes van de landmacht en op de schepen van onze marine.

Nadat Daniël in zijn droom de vier symbolen van wereldmachten heeft gezien ziet hij hoe er op aarde een troon wordt neergezet en dat er op die troon een oude wijze plaatsnam. Zijn kleed was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. Een rivier van vuur laaide op en stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem.

Deze oude wijze is God Zelf. En blijkbaar worden de vier wereldmachten voor het hemelse gerechtshof gedaagd want we lezen dat er staat: “Het hof nam plaats en de boeken werden geopend. “

In de rechtspraak die dan volgt wordt aan de vier wereldmachten hun macht ontnomen. Ze zijn niet dienstbaar geweest aan de volkeren over wie ze heersten maar hebben hen uitgebuit, met geweld onderdrukt en niemand en niets ontziende veroveringsoorlogen gevoerd. Daarom wordt hen de macht ontnomen.

Dan ziet Daniël in zijn nachtelijk visioen dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hen geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend en alle volken en naties welke taal ze ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen. Zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.

Monsters wordt de macht ontnomen en de heerschappij wordt gegeven aan iemand die eruit zag als een méns en van wie we daarom mogen verwachten dat hij op menselijke wijze zal regeren.

Jezus heeft nooit naar zichzelf verwezen als Heer, of God. Wanneer men hem zo aansprak wees hij dat altijd af. Hij wilde niet op een voetstuk worden gezet. Maar hij heeft wel over zichzelf gesproken als mensenzoon. In Johannes 12 waaruit het verhaal voor de kinderen afkomstig was zegt Jezus:

“De tijd is gekomen dat de mensenzoon tot majesteit wordt verheven. “Jezus verwijst hiermee naar zijn naderende dood. Jezus duidt zichzelf aan als “mensenzoon. “Dit is een verwijzing naar het visioen van Daniël. De wijze oude man, God Zelf, ontneemt de gewelddadige wereldleiders hun macht en geeft ze aan de Mensenzoon.

De Mensenzoon is een koning die niet komt om te heersen maar om te dienen. De mensenzoon gebruikt geen geweld maar is een vredesvorst. De mensenzoon bouwt geen megapaleizen voor zichzelf maar geeft zijn geld uit aan zorg voor de vreemdeling, de weduwe en de wees.

De oude wijze ontneemt de wereldleiders hun macht en legt deze in handen van iemand die eruit ziet als een mens: Jezus die zijn koningschap een menselijk gezicht zal geven.

Wat een hoopvolle boodschap in deze tijd van oorlog! Het tweede dier dat Daniël voor ogen krijgt in zijn nachtelijk visioen is een beer. En het is verleidelijk om daarin de Russische beer te zien. Maar dat zou onjuist zijn. De wereldrijken die Daniël voor zijn geestesoog ziet zijn rijken uit het verleden. En we mogen de bijbel niet gebruiken om een oorlog tot een heilige oorlog te verklaren.

De kerkvorst van de Russisch -Orthodoxe kerk zou in plaats van Poetin te steunen, hem wel de verhalen van vanmorgen voor ogen mogen houden. Hij zou, in plaats van Poetin te steunen, hem Jezus ten voorbeeld mogen houden. Poetin, hou op, en ga regeren op menselijke wijze, zoals Jezus het voorgeleefd heeft.

Jezus zegt: “De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit verheven moet worden. “Hij verwijst naar zijn naderende dood. En die gedachte jaagt hem angst aan. Hij is nog maar een jonge man. Hij wil léven.

Maar hij weigert zich de mond te laten snoeren door stadhouder Pontius Pilatus, de vertegenwoordiger van de keizer van Rome. Hij houdt moedig stand wanneer hij voor Pontius Pilatus moet verschijnen.

Hij blijft het opnemen voor vrijheid. Hij blijft het opnemen voor de vreemdeling, de weduwe en de wees. Hij is bang maar ook moedig.

Hij zegt: “Waarachtig ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft blijft het één graankorrel maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. “

Wanneer Jezus zich de mond had laten snoeren, wanneer hij op de vlucht was geslagen, hadden we nooit meer iets van hem gehoord. Maar omdat hij standhield, omdat hij zijn leven durfde geven, daarom leeft hij tot op de dag van vandaag in onze herinnering en bij God. De graankorrel die Jezus was, stierf maar deze graankorrel ontkiemde en bracht veel vrucht voort: al die mensen die hem nagevolgd zijn en navolgen tot op de dag van vandaag.

Amen

 

 

 

 

6 maart 2022

Lezing: Psalm 128
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Bij de voorbereiding van deze dienst gaven Lucas en Wilma te kennen dat ze het fijn zouden vinden wanneer psalm 128 gelezen zou worden. In het verleden werd deze psalm vaker gebruikt in huwelijksdiensten. Dat is begrijpelijk wanneer je de inhoud van de psalm op je laat inwerken.

De psalm roept een beeld op van een gelukkig gezin. Man en vrouw zitten aan tafel met een grote schare kinderen (zoveel als druiven aan een tros). En de kinderen zijn jong en sterk. Daar droomt ieder jong bruidspaar van. Deze droom werd in huwelijksdiensten onder woorden gebracht.

Nu lijkt de psalmist te suggereren dat een gelukkig gezin Gods beloning is van goed gedrag:

“De Heer maakt goede mensen gelukkig. Gelukkig ben je als je trouw bent aan de Heer, als je leeft volgens zijn wetten. Dan geniet je van alles waarvoor je gewerkt hebt. Het zal goed met je gaan en je zult gelukkig zijn. “

Het lijkt alsof de psalmist zegt dat God goede mensen beloont met een gelukkig gezin. En daaruit zouden we dan moeten concluderen dat wanneer je geen gelukkig huwelijk hebt dat gezegend is met kinderen je geen goed mens zou zijn.

Maar zo moeten we deze psalm niet lezen! God is geen God die het goede beloont en het kwade straft. Denk aan de gelijkenis van de verloren zoon: De oudste zoon wordt niet beloond en de jongste zoon wordt niet bestraft. De Vader houdt van beide zoons om wie ze zijn en niet om wat ze doen.

Wat bedoelt de psalmschrijver dan wel? Hij schrijft :

“Gelukkig ben je als je trouw bent aan de Heer, als je leeft volgens zijn wetten. “

Hij schrijft: “Gelukkig BEN je als je trouw bent aan de Heer en leeft volgens zijn wetten. “En, ik heb het wel vaker gezegd, het woord “wetten” associëren wij met wetboeken, met wetsartikelen, met het wetboek van strafrecht. Maar dat klopt niet. Met “wetten “worden richtingwijzers bedoeld. Richtingwijzers die de weg wijzen naar een vreugdevol en gelukkig leven.

Dat is de boodschap die in het verleden aan jonge bruidsparen werd meegegeven: “Volg op jullie levenspad de richtingwijzers die God daar heeft neergezet, dan loop je in de richting van een gelukkig leven.”

God beloont het goede niet. Hij straft het kwade niet. Hij wijst de richting aan waarin een leven van geluk te vinden is. In het verleden hebben predikanten door het lezen van deze psalm en door te spreken over deze psalm jonge bruidsparen richting willen wijzen waarin zij geluk zouden kunnen vinden.

Lucas en Wilma zijn geen jong bruidspaar. Een paar weken geleden hebben ze hun veertig jarig huwelijksjubileum gevierd. Voor de ambtenaar van de burgerlijke stand hebben ze veertig jaar gleden hun ja woord aan elkaar gegeven. Maar omdat Wilma niet uit een kerkelijk nest kwam zijn ze toen niet in de kerk getrouwd.

Maar in de loop van de tijd is Wilma tot geloof gekomen. Vorig jaar is ze gedoopt en heeft ze openbare belijdenis van haar geloof gedaan. Vandaag willen ze hun dankbaarheid uitspreken over alles wat ze in de afgelopen veertig jaar ontvangen mochten en een zegen vragen over de hopelijk vele jaren die ze samen nog zullen gaan.

Maar wat houdt dat eigenlijk in? Waar vraag je om wanneer je bidt om Gods zegen over je huwelijk? Waar vraag je om wanneer je bidt om een zegen over het eten of over het werk dat je doet?

In allerlei uitdrukkingen zit het woord zegen. Bijvoorbeeld: “Mijn zegen heb je!” Dat betekent van mij mag je. Ik ga akkoord. Of: “Op hoop van zegen.” Dat wil zeggen: we proberen het gewoon en we zien wel hoe ver we komen. Of: “Hierop rust geen zegen.” Dat betekent: laten we er maar mee stoppen want het gaat niet lukken.

En iemand met een goede baan, een mooi huis, een leuke partner en gezonde kinderen kan zeggen: “Ik ben rijk gezegend! “Maar iemand die deze rijkdom niet heeft zou zich dan kunnen afvragen: “Zegent God mij dan niet? “En hij of zij zou daar verdrietig en boos en opstandig van kunnen worden. Iedereen mag toch gelukkig zijn?

De zegen van God wordt niet zichtbaar in de uiterlijke omstandigheden van iemands leven. De zegen van God wordt niet zichtbaar in bezit, in een partner, in kinderen, in een huis of in een carrière. En de afwezigheid van al deze zaken is geen teken van niet-gezegend zijn.

De zegen van God kan er zijn in tijden van voorspoed en in tijden van tegenspoed, in tijden van gezondheid en in tijden van ziekte, in tijden van leven en in tijden van dood.

Wat is dan die zegen van God? De zegen van God is zijn aanwezigheid. En die aanwezigheid kan duidelijk worden in het beeld van een schilderij. Stel u het leven voor als een schilderij, dan is Gods aanwezigheid als de lijst om het schilderij. Gods zegen is de lijst om je leven. Het kader waarin je leven staat. Het raamwerk van de lijst brengt het doek van het schilderij op spanning. Zo brengt de aanwezigheid van God ons leven op spanning.

Nu is de aanwezigheid van God niet zo maar zichtbaar en aanwijsbaar. We geloven dat God altijd aanwezig is maar we voelen die aanwezigheid niet altijd. Bij een schilderij trekt de lijst, als het goed is, geen aandacht. Maar zonder lijst gaat het doek slaphangen. Zo zou het doek van ons leven zonder de aanwezigheid van God ook slap gaan hangen.

De afwezigheid van God kun je vergelijken met de afwezigheid van een liefdespartner in het leven van iemand die heel succesvol is. Hij heeft een carrière, een huis, een mooie auto, verre vakanties maar hij mist iets. Hij kan zijn rijkdom niet delen. En rijkdom die niet gedeeld kan worden maakt niet gelukkig. Een partner zou een wereld van verschil maken.

En zo is het ook met de aanwezigheid van God. Al hebben we alles in ons leven wat ons hartje begeert, zonder de aanwezigheid van God, geeft het ons geen voldoening. Het hart, de kern, de grond van het leven mist. Dat wat het leven op spanning brengt mist.

En daar tegenover staat dat we ook al leven we niet in rijkdom, ook al hebben we geen partner of kinderen, de aanwezigheid van God ons leven toch vol en rijk kan maken.

God is het licht, het leven, de liefde. God is de bron van ons leven. Zijn aanwezigheid brengt ons leven op spanning. Zijn aanwezigheid brengt samenhang, geborgenheid, avontuur, harmonie.

Lucas en Wilma wilden vandaag dat psalm 128 gelezen zou worden omdat ze met deze psalm uitdrukking wilden geven aan hun dankbaarheid voor alles wat zij in de afgelopen veertig jaar mochten ontvangen.

“Het was niet altijd gemakkelijk”, zeiden ze. “Wanneer je begint, ben je eigenlijk vreemden voor elkaar.” Wilma is een open boek. Zij is welbespraakt en heeft het hart op de tong. Lucas vond het moeilijker om te delen wat er in hem omging. Maar door de jaren heen is hij steeds opener geworden. Lucas is een bloem. Wilma is de zon. In het licht van de zon van Wilma is Lucas als een bloem open gebloeid. Wilma is voor hem de zon. En Lucas is voor Wilma een bloem. Een prachtige bloem die zij met haar stralen heel graag kust.

“Het was niet altijd gemakkelijk” zeiden Lucas en Wilma maar God was erbij en we zijn dankbaar voor elkaar en voor de kinderen en kleinkinderen die we hebben gekregen.

Wilma en Lucas, de veertig jaren die achter jullie liggen waren gezegende jaren. Gezegend omdat God erbij was en jullie Hem herkend en ervaren hebben. God zij dank daarvoor.

Vandaag vragen jullie God om een zegen over jullie huwelijk. Vandaag vragen jullie God om ook in de toekomst aanwezig te zijn.

God zij met jullie!

Amen

 

 

 

27 februari 2022

Lezingen: Jesaja 61, 1-3   en   Lucas 4, 20-30
Voorganger: ds. J. Katerberg, Borger

Lieve mensen van God,

Als een belangrijk persoon in je dorp woont of in je straat,
een actrice, een sportman, een politicus of een BN-er,
dan zijn er altijd veel mensen die daar trots op zijn.
Hun straat of dorp wordt er óók een beetje belangrijk door
en ook zijzelf voelen zich net wat meer waard.
De glorie van zo iemand straalt als het ware ook op hen af.

Zoiets lijkt ook te gebeuren wanneer Jezus in zijn eigen dorp voor het eerst voorleest in de synagoge.
In de omgeving had hij al wonderen gedaan, zijn naam ging al rond, en nu staat hij dan in Nazareth op de preekstoel,
om het zo maar eens te zeggen. Hij leest voor uit de profeet Jesaja en gaat het gelezene meteen uitleggen en toepassen op zichzelf:
die gezalfde waar Jesaja het over heeft, die staat in jullie midden, ik ben het, zegt hij met zoveel woorden.
Die profeet die bevrijding zal brengen, de armen het goede nieuws,
die blinden weer zal doen zien en die onderdrukten de vrijheid geeft,
hier is hij, ik ben het.

Ze verwonderen zich enorm, de mensen in de synagoge, zijn dorpsgenoten.
En ze vallen hem bij: natuurlijk, wat geweldig, ja wat is dit?
Dit is toch de zoon van Jozef, de timmerman?
En moet je die nu eens horen praten! Eén van ons!
Ze voelen zich steeds belangrijker worden. Jezus’ glorie straalt op hen af.

Maar dan gaat het helemaal mis.
Jullie rekenen er zeker op dat ik ook hier wonderen ga doen, net als in Kapernaüm, zegt Jezus.
Op een nogal botte manier zet hij zich af tegen zijn eigen mensen.
Terwijl ze hem juist nog zó bewonderden en het met hem eens waren!
Een profeet wordt in zijn eigen vaderstad niet geëerd, gaat Jezus verder,
en hij komt dan met een tweetal voorbeelden uit het oude testament:
met Elia, de profeet die naar het buitenland werd gestuurd,
naar de weduwe van Sarepta, in plaats van zijn eigen mensen te helpen.
En ook met het verhaal van de profeet Elisa, die wel de Syriër Naäman genas,
maar niet zijn vele Joodse landgenoten die ook aan huidvraat leden.
Zo zal het ook met mij gaan, weet Jezus.

Maar…. ze waren hem toch bijgevallen, ze wilden hem toch groot maken,
ze waren toch juist zo blij met hun eigen wonderdokter?
Ja, dat waren ze. Maar… Jezus is geen wonderdokter, hij is een profeet.
Zo noemt hij tenslotte zichzelf! Ja, en een profeet, wat is dat!
Nee dat is niet iemand die de toekomst voorspelt.
Een profeet is iemand die de mensen terugroept naar wat God wil.
Die machtigen bij de les houdt van het goddelijk Woord
en ze desnoods de wacht aanzegt.
Die opkomt voor gevangenen, onderdrukten, blinden, doven en armen,
zoals de profeet Jesaja dat Jezus vóórzegt.
Voor al die mensen die geen leven hebben, kort gezegd.
En dat gaat allemaal niet lukken als je te dicht bij de mensen staat, weet Jezus.
Als je één van hen bent en ze je nog kennen als een ventje van vier.
En zo gauw ze je op een voetstuk hebben gezet om je te bewonderen,
gaat het helemaal niet meer: je bent dan onschadelijk geworden.
Aan de ene kant kun je niks meer verkeerd doen, maar aan de andere kant
kun je ze ook niet meer de wacht aanzeggen, als dat nodig zou zijn.
Jezus neemt daarom afstand van zijn mensen en hij is heel duidelijk.
Ze worden dan zo kwaad op hem dat ze hem het liefst helemaal kwijt zijn.
Zijn glorie en zijn gezag, het is allemaal zomaar weg.
Ja, liefde en haat zijn vaak twee kanten van dezelfde medaille.
De ene dag ben je wereldberoemd, de andere dag word je verguisd.

Met dit verhaal krijgen wij de vraag voorgelegd wie Jezus voor ons is.
Is hij voor ons ook een soort van wonderdokter, een heelmeester
die het allemaal weer goed maakt? Die als één van ons er voor ons is?
Iemand die we vereren, die we hoog hebben zitten?
Zó hoog dat hij niet meer de profeet kan zijn die hij wíl, ja móet zijn?
De man Gods met gezag die ons wijst op misstanden
in ons leven en samenleven en die ons indien nodig de wacht aanzegt?
Hebben we hem misschien al te zeer ingekapseld in onze liturgie,
in ónze opvattingen en meningen, in onze diensten en rituelen,
dat we niet meer open staan voor wat hij ons en onze wereld te zeggen heeft?
Want we kunnen ons heel druk maken om de kerk, om het instituut
dat dreigt te verdwijnen of dat op zijn best nog een randverschijnsel wordt
in het leven van wie na ons komen, maar dat zegt niet alles over wie Jezus is.
Voor ons. Welk gezag heeft hij werkelijk over ons leven?
Over ons doen en laten? Zou dat gezag van Jezus niet te zien moeten zijn?
Aan onze manier van leven? Zoals Paulus het zegt: maar gij geheel anders…?
Anders, anders leven dan de andere mensen..? Moet dat dan?

Veel vragen die ons aan het denken willen zetten.
Vragen ook in een tijd waarin ‘gezag’ bijna een vies woord is geworden.
In heel ons samenleven is het gezag in crisis, en dat heet dan ‘gezagscrisis’.
Vroeger was vaders wil gewoon wet en had de jeugd respect voor ouderen.
In de kerk was de kerkenraad gezaghebbend en binnen de kerkenraad
bepaalde de dominee goeddeels wat er moest gebeuren.
Kerkelijke – en burgerlijke ambtsdragers waren gezagsdragers.
Maar u laat zich toch niet meer gezeggen door de dominee?
En hoeveel mensen hebben lak aan politiemensen of gemeentelijke bestuurders.
Op social media wordt er wat afgescholden op deze mensen.
En in de Tweede Kamer wordt de minister-president doodgewoon toegevoegd
dat hij niet goed snik is, om van doodsbedreigingen van buitenaf
nog maar niet te spreken. Nee, het gezag, elk gezag heeft het moeilijk in onze tijd.
Zelfs hulpverleners als huisartsen en ambulancemedewerkers ontberen vaak respect.

Nu is het niet de bedoeling –als ik dat al zou kunnen-,
om een antwoord te geven op de vraag waar die gezagscrisis vandaan komt.
Wel is het denk ik zinvol om je persoonlijk en als gemeente af te vragen
hoe jij zelf, hoe je als gemeente met die crisis omgaat.
Dat je je afvraagt: voor wie heb ik werkelijk respect?
Wie heeft voor mij, voor ons echt gezag, innerlijk gezag.
Best een moeilijke vraag, als ik naar mezelf kijk.
Je hebt zo gauw de neiging om je maar een beetje te laten meedrijven
op de stroom van een algemeen gevoel van onbehagen dat onze tijd kenmerkt.
Maar om echt iemand te noemen wiens houding of gedrag je hoop geeft,
iemand die een voorbeeld voor je is, iemand om op te bouwen,
is een stuk lastiger.
Burgemeester Aboutaleb van Rotterdam noemde een tijdje geleden
een aantal mensen die voor hem gezaghebbend zijn:
Nelson Mandela, Mahatma Ghandi, Maarten Luther King, Angela Merkel.
Leiders met een visie, met durf, met grote moed ook.
Mensen die veel gevaar trotseerden, die vaak veel hoon te verduren kregen,
of moesten lijden voor hun droom of zelfs sterven.

Lieve mensen, als Jezus voor ons nog gezag heeft –
en dat is toch wat we van elkaar mogen verwachten in de kerk -,
en dan niet als wonderdoener, maar als profeet met visie,
als de man van God die deze wereld kwam bevrijden,
als degene die de weg wijst naar een beter samenleven van mensen,
zouden we dan niet moeten letten op zijn manier van leven,
op zijn omgang met vriend en vijand,
op zijn droom van Gods Koninkrijk op aarde,
op zijn moed, zijn kracht, zijn weerloos lijden en sterven?

De profetie van Jesaja, die hijzelf in Lukas 4 leest, lijkt een soort van programma.
Daarin kun je in de kern al horen waar het Jezus om gaat.
Hij stelt dat hij gezonden is met een boodschap voor armen, gevangenen,
blinden en gebrokenen. Allemaal mensen bij wie iets niet in orde is,
slachtoffers, misdeelden. Mensen wier leven tot een minimum is teruggebracht.
Jezus citeert ook deze woorden uit Jesaja: om een genadejaar
van de Heer uit te roepen. Dit genadejaar of jubeljaar staat beschreven in Leviticus.
Kwijtgeraakt grondbezit moest in dat jaar terugkomen bij de oorspronkelijke,
verarmde eigenaar die zo uit zijn slavernij zou worden bevrijd.
Voor wie arm zijn geworden en hun vrijheid hebben verloren,
gaan de dingen nu anders worden: Jezus heeft een goede boodschap voor hen.
Ja, Jezus wil er zijn voor de havenots, voor wie niets hebben.
Een betere wereld komt alleen dan, als er erbarmen is, ontferming en vergeving.
Was getekend: Jezus van Nazareth.

Ja, je moet wel weten wie het is die jij gezag toekent in jouw leven.
Vooral als het gaat om al die aardse zaken als armoede en bezit.
Dat kan een hoogst pijnlijke exercitie worden als je veel hebt.
Ongetwijfeld is dat de reden dat veel van wat Jezus hier noemt
in de geschiedenis van de kerk sterk is vergeestelijkt:
het zou Jezus gaan om geestelijke armoede, om gebrokenheid door
ziekte en om gevangenschap in de zonde.
Ja, dan blijft zijn boodschap een innerlijk gebeuren en is het niet moeilijk
om net als andere mensen gewoon door te gaan met het zoeken
van de beste plaatsen in de wereld van hebben is hebben en houden is de kunst.
Maar ik geloof dat zijn boodschap veel maatschappelijker, veel aardser is
dan wat wij er met elkaar in onze kerken eeuwenlang van hebben gemaakt.
Soms denk ik zelfs dat het Leger des Heils dat beter heeft begrepen dan wij.

Als dat waar is, dat Jezus’ boodschap op de aarde is gericht,
op ons samenleven met elkaar, dan is die vergeestelijking waar ik over sprak
een soort van uitdrijving, zoals er gebeurt na de lezing in de synagoge.
Die Jezus, die aan ons geld en goed komt, die moeten we niet.
Die zijn we liever kwijt dan rijk. Die doen we liever weg.
Die kruisigen we desnoods.
Maar dan gebeurt er opnieuw iets wonderlijks in het bijbelverhaal:
als ze Jezus van de afgrond willen duwen staat er:
Maar hij liep midden tussen hen door en vertrok’.
Dat is een verwijzing naar Pasen, naar het dwars-door-de-dood-heen-verhaal’.
Wij kunnen de mens Jezus misschien uitbannen uit ons leven,
maar de Geest die in hem was, is niet klein te krijgen.
Die zal altijd weer opstaan.
Die zal ondanks ons toch altijd weer mensen vinden, ook onder ons,
die beseffen dat geven zaliger is dan nemen, dat vergeving sterker is dan wraak,
dat erbarmen het beter doet dan oordelen, dat liefde sterker is dan de dood.
Zulke gelovigen, zulke navolgers geven Christus het gezag dat hem toekomt.
Ze doen dat met geduld en vaak in stilte, ze hoeven geen applaus.
Maar ze zijn er en het zijn er meer dan gedacht die hun knieën niet gebogen hebben
voor de Baäl –ik moest even denken aan het verhaal van de profeet Elia
die de moed dreigde op te geven- en voor al die goden van het groeiende geld.
Velen zijn het er. Ze zijn ook onder ons, goddank.
Dezen zijn het –gelovigen en ongelovigen, jazeker,
die de aarde en zijn bewoners door de Geest Gods bewaren
voor onze kinderen en kleinkinderen.

Zo moge het zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

13 februari 2022

Lezing: Mattheüs 20, 1-16
Voorganger: ds Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

In de evangeliën lezen we verschillende gelijkenissen. De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan is denk ik wel de bekendste. Vanmorgen lezen we de gelijkenis van de heer van de wijngaard.

Waarom vertelde Jezus gelijkenissen? Dat deed Hij omdat Hij mensen wilde laten nadenken. Hij bracht hun denken op gang door ze te provoceren. Hij wilde reacties uitlokken.

Wij moeten het ons niet zo voorstellen dat Jezus een preek hield en mensen daar rustig naar luisterden en na afloop tegen hem zeiden:

“Een mooie preek rabbi!” Wanneer ze zo zouden hebben gereageerd was Jezus’ poging om hen te bereiken mislukt.

Het voorlezen van de gelijkenis van de wijngaard kostte een paar minuten. Maar Jezus deed er misschien wel een uur over om een gelijkenis te vertellen.

Wanneer hij de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan vertelde en hij de dalende weg van Jeruzalem naar Jericho beschreef, dan bleef het niet stil maar dan riep er wel iemand: “Ja, wat loopt die weg stijl naar beneden he? Ik krijg er altijd pijn in mijn knieën van!” En iemand anders kon dan roepen: “En het is er altijd bloedheet!”

En wanneer Jezus dan vertelde dat de priester en de Leviet aan de gewonde man voorbij liepen dan kon iemand roepen: “Oh Jezus je laat altijd zo negatief uit over priesters en Levieten. Heb je hekel aan hen?” En wanneer men hoorde dat uitgerekend een Samaritaan zich over de gewonde man ontfermde kon er iemand roepen: “Als je zoveel van de Samaritanen houdt, waarom ga je dan niet in Samaria wonen?”

Jezus deed zijn verhaal niet in alle rust maar hij werd voortdurend onderbroken. Hij provoceerde. Dat wilde hij ook want alleen zo kreeg Hij de mensen zover dat ze echt gingen nadenken. Alleen zo kon Hij hun vooroordelen doorbreken.

Ik denk dat Jezus de mensen ook vaak aan het lachen bracht. Hij was een diep spiritueel mens. En werkelijk spirituele mensen zijn vaak heel geestig, hebben veel humor.

 

En nu de gelijkenis van de wijngaardenier.

De gelijkenis opent met de zin: “Het is met het Koninkrijk van de hemel als met een landheer die er bij het ochtendgloren op uittrok om dagloners voor zijn wijngaard te zoeken. “

Het punt van gelijkenis is dus de landheer, de eigenaar van de wijngaard. Jezus meent dat God op dezelfde wijze handelt als de landheer.

De druiven zijn rijp om geoogst te worden. Volle druiventrossen hangen aan de wijnstokken. De eigenaar van de wijngaard heeft druivenplukkers nodig om de oogst binnen te halen. Daarom gaat hij ’s morgens vroeg naar een plek waar dagloners naartoe gaan in de hoop dat iemand ze zal inhuren.

Ik zei het al Jezus houdt van provoceren. Hij wil dat mensen gaan nadenken. En wij hebben het niet meteen in de gaten maar door God te vergelijken met de eigenaar van een wijngaard provoceert Jezus al. De gewone man had namelijk een hekel aan landheren. Landheren waren stinkend rijk. Zij konden het zich permitteren om er een wijngaard op na te houden. De gewone man moest op zijn kleine lapje grond voedsel verbouwen om te overleven. De gewone man kon zich de luxe van een wijnstok niet permitteren. Een landheer was een grootgrondbezitter die een wijngaard kon aanleggen. Hij was al rijk wanneer hij dat kon en door de opbrengst van de wijngaard werd hij nog rijker dan hij al was.

Dus toen Jezus begon over de eigenaar van een wijngaard riep er al iemand: “Zo’n rijke stinkerd zeker!” Jezus vertelt door. De landheer ging om zes uur en huurde een aantal arbeiders in, om negen uur ging hij weer en om twaalf uur en om drie uur en om vijf uur.”

“Gierigaard!” Schreeuwde er iemand. Hij had gelijk. De landheer wist ’s morgens al dat er een overvloed aan druiven geplukt zouden moeten worden. Hij zal er veel mee verdienen. Maar hij wil het onderste uit de kan. Hij wil zo min mogelijk geld aan arbeidsloon uitgeven. Daarom volgt hij het plukken op de voet. Iedere keer wanneer hij denkt dat de oogst toch niet voor de avond binnengehaald kan worden, haalt hij er weer een paar mannetjes bij.

Hij heeft totaal geen respect voor de dagloners. Wanneer hij om vijf uur voor de laatste keer een ploeg mannen wil inhuren, vraagt hij hen: “Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?” “Rot kerel!”, roept iemand die naar het verhaal van Jezus staat te luisteren. “Rotkerel!” Inderdaad: een rotvraag. Die dagloners staan al de hele dag te wachten op werk en blijven daar staan omdat ze geld nodig hebben o meen avondmaaltijd voor hun gezin te kunnen kopen. Ze staan daar niet voor lol!

Jezus vertelt door. Om zes uur wordt het donker en krijgen de dagloners hun loon uitbetaald. De arbeiders die pas om vijf uur begonnen zijn worden het eerst naar voren geroepen en krijgen een denarie uitbetaald. Daarop worden de mannen naar voren geroepen die de hele dag in de brandende zon hebben gewerkt. Omdat de arbeiders die maar een uur hebben gewerkt een denarie hebben gekregen verwachten zij veel meer te zullen krijgen. Maar ze ontvangen ook maar een denarie.

De luisteraars rondom Jezus spitsen hun oren: “Hé, waar gaat dit heen? Welke kant gaat Jezus op? “

De arbeiders die zich te kort voelen gedaan beklagen zich bij de eigenaar van de wijngaard: “Dit is niet rechtvaardig!” Maar de eigenaar antwoordt hen: “We hadden toch een denarie afgesproken? Ik wil aan die laatste arbeiders nu eenmaal hetzelfde betalen als jullie. Ik mag toch doen met mijn geld wat ik wil?”

 

Wat wil Jezus duidelijk maken met dit provocerende verhaal Meister Eckehart, een mysticus uit de 14e eeuw zou zeggen: “Jezus wil ons duidelijk maken dat we God niet lief moeten hebben zoals we een koe liefhebben. “We hebben een koe lief, niet om de koe zelf maar om datgene wat de koe ons oplevert: de melk.

Maar zo moeten we God niet liefhebben. We moeten Hem niet liefhebben om datgene wat hij ons schenkt maar om Hem Zelf.

En dat geldt ook voor het werken in de wijngaard. We moeten niet werken in de wijngaard om het loon dat we ervoor krijgen maar om het werken zelf. Het werken in de wijngaard is geen middel maar doel.

Het werken in de wijngaard is het symbool voor het werken in het Koninkrijk van God. En het Koninkrijk van God dat is iedere plaats op deze aarde waar mensen leven zoals God het voor ogen had toen Hij de aarde schiep.

Waar mensen elkaar liefhebben, daar is het Koninkrijk van God.

Waar mensen voor elkaar zorgen, daar is het Koninkrijk van God.

Waar mensen de kwetsbare medemens helpen, daar is het Koninkrijk van God.

En de ervaring leert dat daar waar mensen elkaar liefhebben, voor elkaar zorgen en de kwetsbare medemens helpen, blijdschap heerst.

Je wordt blij van het werken in de wijngaard. Je hoeft er niet voor te worden beloond. Het werken in de wijngaard is de beloning zelf.

Amen.

Mattheüs 20, 1-16

Ga naar de bovenkant