15 mei 2022

Lezing: Johannes 13, 31-35
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Jongens en meisjes, broeders en zusters 

Greetje heeft met ons een aantal verzen gelezen uit Johannes 13. We horen dan wat Jezus tegen zijn leerlingen zegt bij het laatste avondmaal dat hij met hen vierde. Hij voelt aan dat hij gearresteerd zal worden en zal sterven. En daarom bereidt Hij zijn leerlingen voor op de tijd dat Hij er niet meer zal zijn. En met oog op die tijd zegt Hij: 

Ik geef jullie een nieuwe gebod: heb elkaar lief zoals ik jullie heb liefgehad.”  

Jezus zegt dat hij zijn leerlingen een nieuw gebod geeft. Maar de inhoud klinkt ons toch bekend in de oren: “Heb elkaar lief.“ Dat is wat Jezus zijn leerlingen altijd al leerde. En Hij had het niet van zichzelf maar hij had het van huis uit meegekregen. Iedere Jood kende de samenvatting van de Joodse leefregels:
“Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf.” 

Wanneer Jezus zegt dat Hij een nieuw gebod geeft dan bedoelt Hij niet dat hij een ander gebod geeft. Wat Hij bedoelt is dat dit gebod telkens opnieuw nieuw is. Het is als met het doorbreken van de lente. Dat beleef je ieder jaar weer als nieuw. En zo is het met het ’s ochtends wakker worden: uitgerust, fris en vrolijk begin je verwachtingsvol aan een nieuwe dag. En zo geeft Jezus een nieuw gebod, die nooit verouderd maar telkens opnieuw lentefris is.
Dit is een morgen als ooit de eerste, zingende vogels geven hem door.”
Dauw op de aarde, zonlicht van boven, vochtige gaarde geurig als toen.” 

 De inhoud van het nieuwe gebod luidt: “Heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad moeten ook jullie elkaar liefhebben.” Dat roept de vraag op: Hoe heeft Jezus zijn leerlingen dan liefgehad? Het antwoord luidt:  “Met grenzeloze liefde!” Wat is grenzeloze liefde? Dit wordt zichtbaar in het woord ” barmhartig”. In de bijbel wordt God vaak een barmhartige God genoemd. Het woord “barmhartig” komt van het Hebreeuwse woord “rachamim “. In dat woord zit het Hebreeuwse woord voor “baarmoeder” verborgen. Wanneer je God “barmhartig” noemt, en de bijbel doet dat, heb je dus een vrouwelijk godsbeeld voor ogen. Wanneer God “barmhartig” genoemd wordt betekent dit dat God voor de mensen voelt wat een moeder voelt voor haar nog ongeboren kind. En dat is grenzeloze liefde.  

Jezus roept zijn leerlingen dus op elkaar grenzeloos lief te hebben. Nu al wil ik benadrukken dat grenzeloze liefde niet betekent dat je jezelf altijd moet wegcijferen of geen grenzen mag stellen. Maar zo is het niet. Wanneer je jezelf altijd maar weg cijfert blijft er een nul over. Waar het om gaat is dat je je in bepaalde situaties afvraagt: “Hoe kan ik deze situatie tot bloei brengen?” Je bent zelf deel van een situatie.
Stel dat je een vriend of vriendin hebt die je telkens maar afsnauwt. Dat kun je misschien honderd keer verdragen maar op een bepaald moment is de maat vol en verbreek je de vriendschap. Wanneer de vriend dan vraagt waarom je dat doet en je legt het uit, kan hij of zij dan uitroepen:  “Maar had dat dan eerder gezegd! Dan had ik het niet langer gedaan. Ik wil je niet kwijt!” Het opnemen voor jezelf, het grenzen stellen aan het gedrag van de ander doe je niet voor jezelf maar ook voor de ander. 

 Jezus liefde voor zijn leerlingen was grenzeloos. Die van ons vaak niet. Dat werd duidelijk aan Berts uitleg over de emotionele bankrekening. In een relatie storten mensen positieve zaken op de bankrekening b.v. je toont je waardering door kleine aardigheden: “Wat zie je er leuk uit.” “Wat lief dat je dit voor me doet.” En je neemt negatieve zaken op van de bankrekening: “Je snauwt, je spreekt geen woorden van waardering enzovoort.” Die emotionele bankrekening is niet goed of slecht maar geeft gewoon weer hoe het werkt in menselijke relaties. Wij staan daar niet boven. Wij hoeven daar ook niet boven te staan. Maar het is goed om in te zien dat het zo werkt. De balans tussen geven en nemen moet in een relatie in evenwicht zijn. Wanneer Jezus ons oproept om grenzeloos lief te hebben, vraagt hij ons niet om de werkelijkheid van de balans te ontkennen. Dat zou ons ziek kunnen maken.  

Ook uit het experiment met vooroordelen dat Allard, Lise en Ilse ons lieten zien, blijkt dat onze liefde niet grenzeloos is. We hebben vooroordelen. En die vooroordelen staan grenzeloze liefde in de weg. Vooroordelen zorgen ervoor dat wij ons hart afsluiten voor de ander in plaats van dat we ons hart voor de ander openstellen. 

Jezus roept ons op tot grenzeloze liefde maar emotionele bankrekeningen en vooroordelen staan die grenzeloze liefde in de weg. Hoe kunnen wij deze obstakels uit de weg ruimen? Hoe kunnen wij grenzeloos lief leren hebben zonder dat we over ons heen laten lopen of ons zelf overvragen en burned out raken ? 

Het begint ermee dat wij ons bewust worden van datgene wat bij ons de grenzeloze liefde in de weg staat. Het gaat erom dat wij onze emotionele bankrekeningen en vooroordelen (en jaloezie en afgunst en ergernis noem maar op…) onder ogen zien. Bewust onder ogen zien. En dat kun je alleen verdragen wanneer je weet dat God met liefdevolle ogen naar je kijkt. Kijk niet naar jezelf door de strenge ogen waarmee jij jezelf de maat neemt. Kijk naar jezelf door de liefdevolle ogen van God. Hij houdt van je zoals je bent met grenzeloze liefde. Je hoeft niet volmaakt te zijn voor Hij van je kan houden. Hij houdt al van je.  

En het is ook van belang dat je van jezelf houdt met grenzeloze liefde: met de liefde van een moeder voor haar ongeboren kind. Wanneer je bang bent of verdriet hebt kan het helpen dat jij in jezelf de rol opneemt van liefdevolle vader of moeder en kind. Wanneer het kind in jou bang is of verdriet heeft kun je met een ander deel van je ziel als liefdevolle vader of moeder je innerlijk kind liefdevol toespreken en zo geruststellen of troosten. Zo kun je jezelf liefhebben. 

Hoe kunnen wij grenzeloos lief leren hebben? Door met liefdevolle ogen onder ogen te zien wat in ons dat grenzeloos liefhebben in de weg staat. En dat onder ogen zien dat moet wel 10, 100, 1000 misschien wel 10.000 keer opnieuw gebeuren. Telkens zie je de obstakels weer opduiken maar op een gegeven moment, misschien na jaren, misschien na een leven, vallen ze weg. En dan word je grenzeloze liefde. 

Wanneer Jezus ons oproept : “Heb elkaar grenzeloos lief.” Doet hij dan een appel op onze wil? Spreekt hij ons aan op onze wilskracht? Ik denk het niet of hooguit een klein beetje. Wij kunnen niet met onze wil besluiten: vanaf nu ga ik grenzeloos liefhebben. Wij hebben onszelf niet zo in de greep met onze wil dat we dat zouden kunnen. Maar wie zou gaan proberen om op wilskracht grenzeloos lief te gaan hebben zou ook snel burned out raken. Dan overvragen we onszelf. 

Uit het verhaal over de doop van Jezus blijkt hoe Jezus leerde om grenzeloos lief te hebben. Johannes doopte Jezus door Hem achterover kopje onder in het water onder te dompelen. Toen Jezus uit het water oprees en zijn ogen ten hemel sloe , zag hij hoe de hemel openscheurde en de Heilige Geest als een duif op Hem neerdaalde en hij hoorde een Stem met grenzeloze liefde zeggen: “Jij bent Mijn zoon, Ik heb jou lief.”  

Op dat moment werd Gods liefde in Jezus ziel uitgestort. En Jezus ontving zoveel liefde liefde voor God, de medemens en voor zichzelf dat Hij er een leven lang van kon uitdelen. 

Jezus roept ons op om elkaar grenzeloos lief te hebben. Dat moeten we niet proberen op wilskracht. Dat is eigenlijk wat teveel van ons gevraagd. Wij kunnen de medemens pas grenzeloos liefhebben wanneer wij net zoals dat bij Jezus bij zijn doop gebeurde, de liefde van God in onze ziel uitgestort krijgen. En ik wens jullie en ik wens u toe dat dit mag gebeuren. 

Amen. 

 

 

8 mei 2022

Lezingen: Psalm 103  en Galaten 5, 1-6
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Een bekende Amerikaanse theoloog, Paul Tillich, stelde dat een mens in zijn of haar leven voor de uitdaging staat om een antwoord te geven op drie vragen. Ten eerste: hoe ga ik om met de dood? Ten tweede: Hoe ga ik om met mijn tekortschieten, mijn onvolmaaktheid, mijn schuld? En ten derde: Wat is de zin van mijn leven?

Hieraan moest ik denken toen ik afgelopen woensdag in het dagblad Trouw een verhaal las van een mevrouw met de naam Monique ten Brinke. Het verhaal staat in een reeks van verhalen over zingeving die wekelijks in Trouw geplaatst worden.

Monique Ten Brinke vertelt dat zij liefdevolle en wijze ouders had. Ouders die haar ook leerden dat de dood bij het leven hoort. Wanneer haar ouders midden zeventig zijn sterft haar moeder. Toen haar moeder hoorde dat ze ziek was en niet meer beter kon worden zei ze: “Ik ben mijn kinderen voorgegaan in het leven en nu ga ik ze voor in de dood.”

Haar vader leeft nog tien jaar als weduwnaar. Al die tijd doet hij zijn best om zijn huis nog steeds het ouderlijk huis van zijn kinderen te laten zijn.

Dan wordt ook Monique haar vader ziek. Er breekt voor haar een hele drukke tijd aan. Ze heeft een baan als apotheker. Ze heeft de zorg voor haar kinderen én ze krijgt de mantelzorg voor haar vader erbij.

Op een middag rijdt ze van haar werk naar huis, ze nadert een kruising moet dan een besluit nemen: Sla ik links af om naar mijn zieke vader te gaan of sla ik rechts af om naar mijn kinderen te gaan die op mij wachten. Ze besluit rechts af te slaan naar haar kinderen maar heeft dan het gevoel haar vader in de steek te laten. Zou ze links af slaan dan zou ze zich schuldig voelen t.o.v. haar kinderen. Wat ze ook doet, in haar beleving schiet ze altijd tekort. En dat gevoel van tekortschieten bepaalt haar leven.

Een paar weken later slaat ze links af naar haar vader maar in haar vermoeidheid valt ze boos tegen hem uit waarop haar vader in tranen uitbarst. Ze voelt zich heel schuldig.

Een tijdje later overlijdt haar vader. Hij was R.K. en dus wordt de uitvaartdienst geleid door de pastoor. Ook na de uitvaartdienst blijft Monique rondlopen met het gevoel dat ze tekortgeschoten is t.o.v. haar vader en voelt ze zich schuldig dat ze terwijl hij ziek was tegen hem uitgevallen is.

Op weg van haar werk naar huis passeert ze het huis van de pastoor. Op een dag stopt ze voor het huis, belt aan en vraagt de pastoor of ze hem kan spreken. Ze is welkom en dan stort ze haar hart bij hem uit. Ze vertelt hoe schuldig  ze zich voelt en hoe ze zich voelt tekortschieten.

De pastoor luistert naar haar met een liefdevolle blik in zijn ogen. Wanneer ze haar verhaal gedaan heeft bidt hij met haar. En Monique vertelt dat ze eigenlijk niet gehoord heeft wat hij bad maar na het gebed voelde ze zich enorm opgelucht.

De liefdevolle blik van de pastoor, de rust waarin hij naar haar luisterde. Ze voelde zich door hem en door hem heen door God aanvaard zoals ze was met al haar tekortkomingen. Ze realiseerde zich dat ze niet volmaakt hoefde te zijn maar er in haar onvolmaaktheid helemaal mocht zijn.

Ze zegt: “Menszijn is tekortschieten. Ik ben niet langer bang tekort te schieten, ik weet dat ik dat zal blijven doen. Dat geeft betekenis aan mijn leven, want het besef van feilbaarheid draagt mij nu in plaats van dat ik erdoor wordt beheerst. Dat geeft ruimte, dat is zin.”

Monique had het gevoel dat zij perfect zou moeten zijn. Ze zou een perfecte apotheker, een perfecte dochter en een perfecte moeder inéén moeten zijn. Ze legde zichzelf daarmee een zwaar juk op. En dit kwam niet alleen uit haar zelf. Ook vanuit de samenleving worden deze beelden van perfectie aan vrouwen opgedrongen. En niet alleen aan vrouwen maar ook aan mannen. Mannen wordt voorgehouden dat ze hun zaakjes altijd perfect op orde moeten hebben. Lukt dat niet dan hebben ze dat aan zichzelf te wijten.

Vele mensen leggen zichzelf het juk op perfect te moeten zijn. Paulus spreekt hen aan in Galaten 5 waar hij zegt: “Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houdt dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.”

Paulus schrijft dit in het kader van een discussie die zich in de zich ontwikkelende christelijke gemeente van Galatië. Deze gemeente bestond voor het grootste deel uit niet- joden. Paulus had hun duidelijk gemaakt dat het voor hen niet nodig was om zich aan al de voorschriften van de Joodse wet te houden. Ze hoefden zich van hem ook niet te besnijden. Het enige dat telt voor niet- Joodse christenen is de samenvatting van de Joodse wet zoals Jezus die gegeven had: “Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. “ Joodse christen mochten zich natuurlijk gewoon aan de voorschriften van de Joodse wet houden. Want deze was niet opgeheven of verouderd. “Geen jota of tittel ervan is verouderd.” zei Jezus maar de niet – Joodse christenen hoefden zich van Paulus niet aan alle cultuurbepaalde voorschriften te houden.

Maar na Paulus kwamen er Joods -christelijke predikers in de gemeente van Galatië die meenden dat het wel nodig was dat de niet-joodse christenen zich aan alle voorschriften van de Joodse wet zouden houden en zich ook zouden moeten laten besnijden.

En daarom schrijft Paulus aan de gemeente van Galatië : “Laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.” “Laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.”  Hoezo opnieuw? Wat was dan het eerste slavenjuk? Dat lezen we iets verderop : “Als u probeert door God als een rechtvaardige aangenomen te worden door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt.” En dus niet langer vrij.

Dit “proberen door God als rechtvaardige aangenomen te worden door de wet na te leven “ dat is het perfectionisme waar ik over sprak. Dat is het idee van Monique dat ze een perfecte apotheker, dochter en moeder zou moeten zijn. Dat is het idee dat je nooit een keer in  vermoeidheid boos zou mogen uitvallen naar iemand. Dat is het idee dat je geen fouten zou mogen maken.

In het verleden werd dit perfectionisme in de schoenen geschoven van het Joodse geloof. Het proberen om de wet perfect na te leven en zo rechtvaardig te worden voor God zou de essentie van het Joodse geloof zijn.

Maar dat klopt helemaal niet. Ook joodse gelovigen wisten dat je niet volmaakt hoefde te zijn om toch te mogen leven voor Gods aangezicht. Psalm 103 getuigt hiervan:

“Prijs de Heer, mijn ziel …hij vergeeft u alle schuld. Liefdevol en genadig is de Heer. Hij blijft geduldig en groot is Zijn trouw…Hij straft ons niet naar onze zonden. Hij vergeldt ons niet naar onze schuld. Zover het oosten is van het westen zover heeft Hij onze zonden van ons verwijdert.”

Ook de Joodse gelovigen wisten :we hoeven niet volmaakt te zijn. God houdt van ons zoals we zijn. We hoeven niet perfect te zijn. We mogen tekortschieten. We mogen fouten maken. Die ruimte gunt God ons. In die ruimte mogen we leven.

Paulus schrijft aan de gemeente van Galatië : “In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is. Belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent,die het geloof zijn kracht verleent.”

Dit geloof is het vertrouwen dat we niet perfect hoeven te zijn om door God te worden liefgehad maar de mensen mogen zijn die we zijn: mensen met fouten en gebreken, mensen die tekortschieten.

Het idee dat we perfect moeten zijn om Gods liefde te verdienen is geen slavenjuk die alleen Joden zichzelf zouden opleggen. Het is een algemeen menselijke neiging die je in alle religies tegenkomt. En ook daarbuiten: ook niet religieuze mensen menen dikwijls dat ze perfect moeten zijn.

Paulus leert ons dat Jezus in zijn liefdevolle omgang met mensen ons heeft laten zien dat we in God liefde mogen zijn wie we zijn.

Paul Tillich had het over drie grondproblemen van het menselijk bestaan :dood, het gevoel tekort te schieten en schuld en de vraag naar de zin van ons leven.

Het antwoord op het probleem van de dood kan ik nu niet diep ingaan. Ik noem twee prachtige uitspraken. Huub Oosterhuis schreef: “En niemand valt of hij valt in Uw handen. “ Okke Jager schreef: “Een vriendschap met God is een eeuwige vriendschap.”

Het antwoord op het probleem van de schuld lezen we in psalm 103 : “Prijs de Heer mijn ziel. Hij vergeeft u alle schuld.”

En de vraag naar de zin van ons leven wordt beantwoord in ons leven zelf wanneer we leven in het vertrouwen dat we geborgen zijn in God, zelfs in de dood en we mogen weten dat onze zonden vergeven zijn. Er komt dan een ontspanning in ons leven. Vanuit die ontspanning vragen we ons af :Waarom leef ik?  Ik weet het niet. Maar ik leef graag. Het licht is mooi. De kleuren zijn mooi. De mensen zijn mooi. In al die schoonheid zie je de schoonheid van God. God in wie wij leven, in wie wij ons bewegen en in wie wij zijn.

Amen.

1 mei 2022

Lezing: Psalm 100 en Johannes 21: 1 t/m 14
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Vandaag is het de derde zondag van Pasen. Twee weken geleden vierden we het Paasfeest. In mijn preek heb ik toen onder woorden gebracht wat de kern van het paasfeest is. Dat is de belofte dat zoals Jezus uit de dood werd opgewekt alle mensen die ooit geleefd hebben, alle mensen die nu leven en alle mensen die nog geboren zullen worden ook uit de dood zullen worden opgewekt.

Bovendien zal onze planeet aarde getransformeerd worden tot één grote Hof van Eeden. De mensheid zal in harmonie samenleven. Rouw en geweeklaag wordt niet meer gehoord. De dood zal er niet meer zijn.

Deze belofte klinkt heel naïef. Het geloof dat de belofte vervuld zal worden lijkt een heel kinderlijk geloof. Maar diep in ons hart leeft het verlangen naar de opstanding, naar die nieuwe hemel en die nieuwe aarde. In het geloof komt het erop aan dat wij aan dit verlangen trouw blijven. En trouw blijven aan dit verlangen betekent niet dat we achterover leunen en met de armen over elkaar : “Stil maar wacht maar alles wordt nieuw”. zingen. We zingen niet “stil maar, wacht maar”, we zingen “bidt maar, werk maar, alles wordt nieuw”. God wil ons inschakelen in Zijn werk van schepping en herschepping.

Het geloof in de opstanding van alle mensen van alle tijden en alle plaatsen lijkt naïef. Maar wie zich realiseert dat de belofte hiervan wordt gedaan door de schepper van hemel en aarde, door de Heer van het heelal, weet dat dit geloof niet naïef is.

Laten we even tot ons laten doordringen wat het betekent wanneer ik God “de Heer van het heelal“ noem.  Onze aarde maakt deel uit van het Melkwegstelsel. Om van de ene kant van het Melkwegstelsel naar de andere kant te reizen, moet je 100.000 jaar reizen met de snelheid van het licht. Het licht beweegt zich met een snelheid van 300.000 km per seconde. Honderdduizend jaar met de snelheid van 300.000 km per seconde. Zo groot is ons Melkwegstelsel. En er zijn miljarden sterrenstelsels.

Het betekent dus nogal wat wanneer ik God “Heer van het heelal“ noem. Hij is het die het heelal van binnenuit samenhoudt. Hij is de ziel van het heelal. En deze God belooft ons de opstanding uit de doden.

De opstandingskracht wordt in de lente zichtbaar in het doorbreken van de bloesem en de groen in de natuur. Deze opstandingskracht wordt zichtbaar in beeldende kunst, hoorbaar in muziek, voelbaar in dans.

Op het Paasfeest vierden we dat Jezus als eerste van de mensheid opstond uit de dood. In de weken na Pasen lezen we over de keren dat de Opgestane Heer na zijn dood aan zijn leerlingen verscheen. En zo lezen we vanmorgen het verhaal over de verschijning van de Opgestane Heer aan zijn leerlingen bij het meer van Tiberias.

Ik zei zonet al dat het geloof in de opstanding er niet toe moet leiden dat we achterover gaan leunen om met de armen over elkaar “ stil maar wacht maar alles wordt nieuw “ te gaan zingen. Nee, wij worden actief betrokken bij het scheppings- en herscheppingsproces : “Bid maar werk maar, alles wordt nieuw“ mogen wij zingen.

Dat dit zo is blijkt uit het verhaal van vanmorgen. Het verhaal richt onze aandacht niet op de hemel maar op de aarde. We lezen dat Jezus aan zijn leerlingen verscheen bij het “Meer van Tiberias“. wij staan er niet zo gauw bij stil maar de naam “Meer van Tiberias“ is niet zo maar een onschuldige aanduiding van het meer. De eigenlijke naam van het meer is “ Meer van Galilea “. De naam van het meer werd veranderd door koning Herodus de Grote. Hij wilde in een goed blaadje komen bij keizer Tiberias. Daarom bouwde hij aan het meer van Galilea een stad die hij Tiberias noemde en tegelijkertijd veranderde hij de naam van het meer. In: ”Meer van Tiberias”.

Dat was op zich voor de Joden al ergerlijk genoeg maar daar zou je nog mee kunnen leven, zou je kunnen denken. Waarschijnlijk was het echter zo dat de vissers voorheen uit hun eigen meer hun eigen vissen konden vangen. Maar opeens wordt het meer opgeëist door de keizer. Het meer is niet meer het eigendom van de vissers maar van de keizer van Rome. De vissen zijn niet de vissen van de vissers maar van de keizer. In het vervolg moeten de vissers belasting betalen over hun vangst.

Toen Jezus voor Pilatus stond, stond de koning van het Koninkrijk van God tegenover de vertegenwoordiger van de keizer van Rome. Het Koninkrijk van God stond tegenover het keizerrijk.

In het verhaal van vanmorgen zien we een vergelijkbare confrontatie : de Opgestane Heer staat tegenover keizer Tiberias. De opgestane Heer komt in opstand tegen keizer Tiberias. De blik is niet op de hemel gericht maar op de aarde.

Het verhaal kennen we. Petrus vraagt zes medeleerlingen mee te gaan vissen. De hele nacht vingen ze niets. Dan roept de Opgestane Heer en toe dat ze het net aan stuurboord moeten uitgooien.

U hebt natuurlijk wel vaker gehoord dat dit niet handig was omdat het roer aan stuurboord zat. Dat was een lange roeispaan. Wanneer je het net aan stuurboord uitgooit kan het gemakkelijk in het roer verstrikt raken. Dat had ik ook vaker gelezen. Maar wat ik nu las wist ik niet. De vissers visten niet midden op het meer omdat het daar diep was en de vissen op grote diepte zwemmen. Daarom visten de vissers dicht bij de oever. Ze maakten hun net aan een stok op de oever vast en roeiden de boot een eindje het water op. De vissen die in het ondiepe water tussen oever en boot zwommen werden zo gevangen in het net.

Maar waarom het niet handig was om het net aan stuurboord uit te werpen was omdat de stroming van het water dan het net onder de boot zou drijven en dan vang je niets. Het was dus heel ongebruikelijk

Dat Jezus de leerlingen opriep het net aan stuurboord uit te werpen. Maar de leerlingen doen het en het net raakt overvol, een overvloedige vangst .

Dan plotseling herkent één van de leerlingen Jezus: “Het is de Heer!” roept hij. En dan bedenkt Petrus zich geen ogenblik. Hij springt in het water en  haast zich waden door het water naar Jezus toe.

Dan blijkt Jezus al een vuurtje te hebben aangestoken en reikt Hij hen brood en vis.

Gemeente wat betekent dit verhaal? Ik zei het al. Het is een confrontatie tussen de keizer van Rome, keizer Tiberius en de koning van het Koninkrijk van God: de Opgestane Heer.

De keizer van Rome heeft het meer van Galilea onteigent. Hij heeft het meer van de arme vissers afgepakt. Ze konden al nauwelijks bestaan van hun visvangst. Ze konden hun kinderen al bijna geen eten geven. En dan wordt hun bron van inkomsten hun afgepakt door de rijkste man van de wereld die totaal onverschillig staat tegenover het lot van de armen.

En dan verschijnt daar bij het meer de Opgestane Heer. Hij geeft de leerlingen brood en vis. Dat doet natuurlijk denken aan die keer dat Jezus in de heuvels van Galilea een hele dag een menigte van mensen toegesproken had. Aan het einde van de dag kregen de mensen honger. “U moet ze wegsturen zodat eten kunnen halen”, zeggen ze tegen Jezus. Maar Jezus zegt tegen hen: “Jullie moeten ze te eten geven.” En dan breekt hij het brood en de vis en Hij breekt en breekt en de hele menigte kan worden gevoed tot overhouden toe.

De keizer van Rome staat onverschillig tegenover mensen die honger leiden. De koning van het koninkrijk van God voedt de hongerende en roept zijn leerlingen op: “Jullie moeten ze te eten geven. Het is jullie verantwoordelijkheid.”

De keizer van Rome doodde de koning van het Koninkrijk van God.  Maar God wekte Hem op uit de dood. De opgestane Heer zet zijn werk voort. Hij voedt de hongerenden en roept Zijn leerlingen op:  “Jullie moeten ze te eten geven.” De Opgestane Heer, de koning van het Koninkrijk van God roept ons op om actief mee te werken aan de opbouw van het Koninkrijk van God.

Maar dat werken aan de opbouw van het koninkrijk van God valt niet mee. Dat wordt duidelijk aan het beeld van de leerlingen die de hele nacht vissen maar niets vangen. Het werken aan de opbouw van het Koninkrijk lijkt vaak tevergeefs.

Maar de Opgestane Heer roept ons toe: “Werp het net uit aan de andere kant.”

Gooi het over een andere boeg: Stop met gebruik van olie en gas. Gooi het over een andere boeg en stap over op de energiebronnen die God jullie geeft: zon, wind, water.

Laat het niet gebeuren dat een klein aantal superrijken het voor het zeggen krijgen in de wereld. Gooi het over een andere boeg. Laat niet het behalen van maximale winst het doel zijn van een onderneming. Maar de vraag: Hoe kunnen we dienstbaar zijn aan de samenleving?

Laat het niet gebeuren dat de wereldmachten met elkaar in machtsstrijd verwikkeld raken. Gooi het over een andere boeg. Laat ze de handen ineen slaan om samen honger en armoede wereldwijd uit te bannen.

Zo zal, op het woord van de Opgestane Heer, het Koninkrijk van God aanbreken.

Amen.

17 april 2022 Paasmeditatie

Lezing, Paasevangelie: Johannes 20, 1-18
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Twee weken geleden ging ds. Jolanda Paans voor in de vesper in deze kerk. Wat ze toen zei over het kruis raakte me. Ze herinnerde aan beelden uit Oekraïne die vlak daarvoor op t.v. verschenen waren. Beelden die op ons aller netvlies gebrand zijn. De beelden van een straat waarin doden lagen. Een vrouw lag voorover. Onder haar vandaan stak haar arm met daaraan een hand met roodgelakte nagels. En iets verderop lag een man met een fiets. Zijn handen hielden de handvatten van het stuur nog vast. “Moderne kruisbeelden”, noemde Jolanda ze. En dat voelde ik ook zo.

We zijn zo vertrouwd met de beelden van het kruis dat ze ons dikwijls niet mee zo raken. De moderne kruisbeelden geven ons de schok die nodig is om de ons de realiteit van het kruis te laten ervaren. Deze beelden plaatsen ons in de realiteit van vandaag, de realiteit van de oorlog in Oekraïne waarin wij elkaar vandaag de paasboodschap van de opstanding verkondigen. De paasboodschap moet de confrontatie met de realiteit aankunnen. We verkondigen elkaar geen vrome praatjes.

Allereerst wil ik met u delen wat ik net ontdekt hebt. Dat is dat er in de iconografie in de westelijke kerk en in de oosters-orthodoxe kerken een groot verschil is waar te nemen in de wijze waarop de opstanding wordt afgebeeld.
In de westerse kerk wordt de opstanding van Jezus als een individueel gebeuren geschilderd. Je ziet beelden van Jezus die als enige opstaat uit een opengebroken graf.
In de oosters-orthodoxe afbeeldingen is de opstanding een collectief gebeuren. Je ziet Christus opstaan maar tegelijkertijd zie je hoe hij ook Adam en Eva helpt opstaan uit het graf. En Adam en Eva vormen samen het symbool van de mensheid. Met Christus staat de mensheid op uit het graf.

En wanneer je leest hoe in Mattheüs 27 de opstanding beschreven wordt dan begrijp je dat de collectieve oosters-orthodoxe manier van afbeelden van de opstanding dichter bij de bijbel is dan de westerse individuele manier. We lezen in vers 51 hoe Jezus sterft:
“Nog eens schreeuwde Jezus het uit, toen gaf hij de geest. Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën en de aarde beefde en de rotsen spleten. De graven werden geopend en de lichamen van veel gestoven heiligen werden tot leven gewekt. Na Jezus, opstanding kwamen ze uit de graven, gingen de heilige stad binnen en maakten zich bekend aan een groot aantal mensen.”

Het sterven van Jezus, zijn opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest lijken op hetzelfde moment te gebeuren. Goede vrijdag, Pasen en Pinksteren lijken op één dag te vallen.
Het paasevangelie uit het evangelie van Johannes is onbeschrijfelijk mooi en raakt ieder jaar weer. Het beschrijft de opstanding echter als een individueel gebeuren.

In de situatie waarin we verkeren met de oorlog in Oekraïne past in mijn beleving beter de beschrijving van een collectieve opstanding zoals we dat in Mattheüs 27 lezen.
Wanneer we spreken over de opstanding van Jezus dan spreken we tegelijkertijd over de opstanding van de slachtoffers in Oekraïne. Maar ook over de opstanding van alle slachtoffers die gevallen zijn in oorlogen de geschiedenis door en tot op de dag van vandaag.

Volgende week op 24 april wordt in de oosters-orthodoxe kerk het paasfeest gevierd en ook in de kerken in Oekraïne zullen dan die woorden uitgeroepen worden die wij aan het begin van de dienst uitriepen: “De Heer is waarlijk opgestaan! Christus is waarlijk opgestaan! De Heer is waarlijk opgestaan!”
Niet de oorlog, de verwoesting, de dood zullen het laatste woord hebben maar vrede, opbouw en het leven. Wij vieren vandaag en het volk van Oekraïne viert volgende week het mysterie van de opstanding. De opstanding is een mysterie, geen raadsel. Een raadsel kan worden opgelost, een mysterie niet. Een mysterie wordt groter naarmate je er dieper in doordringt.

Het mysterie van de opstanding is het mysterie van de schepping en de herschepping. Het mysterie van de opstanding is het mysterie van God. Onze hele werkelijkheid komt uit dit mysterie voort. Ieder ogenblik nieuw. Ieder ogenblik worden wij geschapen en herschapen. Het hele heelal komt uit dit mysterie voort. Nu op dit moment. Dat is een wonder en er spreekt een oneindig grote scheppingskracht uit.

Iets van die scheppingskracht zien we in de lente waarin het nieuwe leven doorbreekt in de natuur. Dat is maar een fractie van de scheppingskracht van God. Die scheppingskracht is zo groot dat van daaruit ons wordt toegezegd:

DE VERLOSSING VAN ALLE MENSEN UIT ALLE TIJDEN EN VAN ALLE PLAATSEN

Dat zijn hele grote woorden. Niet alleen Jezus maar alle mensen van alle tijden en plaatsen zullen worden opgewekt uit de dood en worden verlost van hun lijden. Jezus is de nieuwe Adam, de eersteling van een nieuwe schepping.

Zoals Jezus werd opgewekt uit de dood. Zo zullen alle mensen die in het verleden hebben geleefd, en alle mensen die nu leven en alle mensen die nog geboren zullen worden, opgewekt worden uit de dood. Ze zullen worden verlost uit de dood, ze zullen worden verlost uit alle lijden, eenzaamheid en pijn. Ze zullen worden verlost van schuld.
De aarde zal een bloeiende tuin worden: een Hof van Eden. De mensen, wij, zullen daarop leven en gelukkig zijn. Leven in harmonie met God, in harmonie met elkaar, in harmonie met de natuur.
Deze boodschap sluit aan bij een verlangen die diep leeft in onze ziel. Een verlangen naar heil, naar heelheid en geluk, voor altijd voor iedereen. Maar wanneer je dit verlangen confronteert met de werkelijkheid, dan lijkt ze te verpletteren onder het gewicht van de realiteit. De realiteit lijkt groot en zwaar als de grote, ronde steen die het graf van Jezus afsloot. Een steen waar geen beweging meer in te krijgen is.
Die steen zegt ons: feiten zijn feiten, dood is dood, je moet je neerleggen bij de harde werkelijkheid.
De paasboodschap gaat hier tegenin, is een revolutionaire boodschap en roept op tot opstand: Weiger de wanhoop! De wanhoop lijkt zoveel realistischer dan de hoop maar is het niet! Blijf trouw aan wat er in het diepst van je ziel aan verlangen leeft.
De werkelijkheid is veel groter dan je denkt! God is veel groter dan je denkt! Werp de wanhoop van je af!

De hoop en het leven komen op ons af als een oproep van God. Huub Oosterhuis heeft dat prachtig verwoord. In het derde couplet van het lied “De steppe zal bloeien”, schrijft hij:
De dode zal leven
De dode zal horen: “Nu leven!”
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
“Dode, dode sta op!”
Het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
Een stem zal ons roepen:
“Ik open hemel en aarde en afgrond.”
En wij zullen horen
En wij zullen opstaan
En lachen en juichen en leven!

Amen.

10 april 2022 Palmzondag

Lezingen: Jesaja 50: 4-7      Matheus 21: 1-11
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Rijdend op een ezel
In het koningschap van Jezus niet om macht gaat maar om dienstbaarheid.

Wanneer ik zeg dat het in het koningschap van Jezus niet om macht gaat maar om dienstbaarheid dan stel ik deze twee begrippen ten onrechte tegenover elkaar en suggereer ik dat  macht niet goed zou zijn.
Dat wil ik corrigeren. Macht is niet slecht. Macht is het vermogen om iets te doen.  Zonder macht kun je geen kwaad doen maar zonder macht kun je ook geen goed doen. Zonder macht ben je machteloos: ten goede of ten kwade. Jezus zou de macht wil hebben om goed te doen.  In Hem leeft de wens om goed te doen.  Macht zou Hem in staat stellen om goed te doen.
Ik heb het wel vaker verteld maar het wordt mij steeds duidelijker dat het verhaal over de verzoekingen in de woestijn wezenlijk is voor het begrijpen van Jezus’ koningschap.

Het gaat in dit verhaal om drie verzoekingen:

  1. de verzoeking om van stenen brood te maken d.w.z. de verzoeking om Zijn koningschap te gebruiken om zichzelf te verrijken. Een verzoeking waaraan zovele machthebbers door de eeuwen heen telkens weer aan ten prooi vallen. Twee weken geleden hebben we nog gezien in welk riant huis de president van Oekriaïne woonde en welke schatten hij om zich heen verzameldhad tot de waanzin van een gouden w.c- pot aan toe. Jezus wijst deze verzoeking af. Hij zal Zijn koningschap niet misbruiken voor zelfverrijking ten koste van het volk.
  2. de tweede verzoeking is de verzoeking van Jezus om zichzelf van het tempeldak te werpen en zich te laten opvangen door engelen.

Dat is de verzoeking om zichzelf als charismatische leider , als een goeroe , als een god-koning te laten vereren waardoor Hij een totale greep, niet alleen op het lichaam,  maar ook op de geest van zijn onderdanen zou verwerven. Maar Jezus wijst dit af. Hij wil geen god-koning zijn, geen charismatisch leider. Hij wil zich niet verheffen boven het volk maar  broeder zijn. Hij wil de geest van de mensen niet gevangen nemen maar vrij laten.

  1. de derde verzoeking is de verzoeking om neer te knielen voor de duivel opdat Hem al de koninkrijken van de wereld geschonken zou worden. Dat neerknielen voor de duivel dat is het neerknielen voor de macht om de macht. Hier is macht geen neutraal begrip meer, is het niet meer het vermogen om iets te doen ten goede of ten kwade. Nee hier is macht het vermogen om kwaad te doen. De wil om te heersen om het heersen zelf. Macht omdat macht machtig mooi is.

Ook deze verzoeking wijst Jezus af. Hij wil niet heersen om het heersen . Hij wil het goede doen dat in zijn vermogen  ligt.

Ach! Hadden we in de wereld maar wat meer koningen, presidenten, premiers , regeringsleiders als Jezus! De wereld zou een paradijs zijn, een Koninkrijk van God!
Jezus rijdt op een ezel Jeruzalem binnen. Niet op een paard. Het paard symboliseert zoals u weet de militaire macht. Maar niet alleen dat. Het paard symboliseert die macht die Jezus afwees in de verzoekingen in de woestijn.
De ezel symboliseert de macht die Jezus ambieert: het vermogen om goed te doen. Op een paard toren je uit boven de mensen. Op een paard kijk je op hen neer. Op een ezel bevindt je je op ooghoogte van de mensen. Je kijkt niet op ze neer maar ziet hen in de ogen als broeders en zusters.

Ten tijde van de intocht in Jeruzalem zuchtte het Joodse volk onder de Romeinse bezetting. De zware belastingdruk die de keizer het volk oplegde  veroorzaakte armoede en dagelijkse ellende en uitzichtloosheid. Het volk verlangde naar verlossing.
In de Joodse traditie en in het O.T. hoorden en lazen zij over een verlosser die van Godswege naar het land gezonden zou worden. Hij werd “de Messias” genoemd. En tijdens de Romeinse onderdrukking nam het verlangen naar verlossing daarom de vorm aan van het verlangen naar de komst vande Messias.
En wanneer Jezus roem zich door het land verspreid dan worden deze messiaaanse verlangens aan Jezus verbonden. Men verlangt zo naar verlossing  dat men gaat geloven dat Jezus de messias is.

Maar wat stelt men zich daarbij voor? Men denkt dat Jezus als messias met militair geweld de Romeinse bezetter zal verdrijven. Men stelt zich Jezus voor op een paard in een prachtig koninklijk militair gewaad. Jezus zal als koning op de troon van David plaatsnemen en  het economische herstel van het land  ter hand nemen. En Jezus weet  dat deze verwachtingen rondom Hem aan het groeien zijn. Jezus weet dat het volk bij zijn koningschap een koningschap op een paard voor ogen heeft. En daarom kiest Hij bewust niet voor het paard maar voor een ezel als rijdier.

Maar wanneer het volk Hem aanziet komen rijden en dan helemaal enthousiast wordt en mantels voor Hem op de weg gooit waarover Hij kan rijden en palmtakken boven Zijn hoofd houdt en en roept : “Gezegend Hij die komt in de Naam van de Heer! Hosanna!” Welk koningschap bejubelt het volk dan? Het koningschap op  de ezel of het koningschap op het paard?  En als het volk het koningschap op het paard bejubelde hoe moeilijk zal het dan voor Jezus geweest zijn wanneer Hij zich realiseerde dat het volk niet begrepen had wat Hem voor ogen stond!
Jezus maakte  door zijn keuze voor een ezel niet alleen aan zijn tijdgenoten maar ook aan de mensen van vandaag duidelijk welk koningschap Hem voor ogen staat.

Hij maakt dit duidelijk aan Basjr al  Assad van Syrië, aan  Robert Mugabe van Zimbabwe maar Hij maakt het niet alleen duidelijk aan +de slechterikken . Hij maakt het duidelijk aan alle presidenten in de wereld. Het verhaal over de intocht zou gelezen moeten worden bij de opening van een vergadering van de Verenigde Naties. Alle machthebbers in de wereld moeten weten dat zij bij de machtuitoefening niet uit moeten zijn op zelfverrijking, zelfverheerlijking of macht om de macht.

Alle regeringsleiders moeten weten dat de aarde een paradijs kan worden, een koninkrijk van God wanneer zij hun macht in dienst stellen van hun volk.   Hun lievelingsverhaal dat ze ’s avond voor het slapen telkens weer opnieuw zouden moeten willen lezen is het verhaal van Jezus die de menigte voedt: Hij breekt het brood en de vis en Hij deelt en deelt en deelt tot de  hele menigte verzadigd is.

En niet alleen voor het politieke leven is de boodschap van Jezus relevant maar ook voor ons persoonlijke leven. Ook voor ons persoonlijke leven geldt dat we niet aleen bezig moeten zijn met het verkrijgen van rijkdom of aanzien of macht om de macht. Daarin schuilt het levensgeluk niet. Ons levensgeluk vinden we in de liefdevolle en dienstbare  omgang met onze medemensen.

Amen.

3 april 2022

Lezing: Spreuken 8
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het komt niet vaak voor dat er een lezing uit het boek Spreuken op het leesrooster staat. Het is fijn dat dit vandaag wel het geval is, want het is een prachtig boek geschreven in een poëtische stijl. Het boek Spreuken kun je vergelijken met een schatkist vol met parels. Iedere spreuk is een parel van wijsheid. De ene parel is nog mooier dan de andere. Maar als je alle spreuken achter elkaar wilt lezen wanneer je het boek in één middag of avond uit wilt lezen gaat het je al snel duizelen. Al die wijsheid kun je niet in één keer tot je nemen. Je zou je moeten beperken tot één spreuk per dag. En dan nog zou je wel een uur op iedere spreuk kunnen mediteren om de inhoud ervan tot je door te laten dringen. De oude kerkvaders zeggen dat je de tekst moet kauwen en herkauwen. Je moet de woorden proeven. En pas wanneer je de tekst gekauwd en herkauwd hebt en je de smaak heel goed geproefd hebt kan de betekenis ervan tot je doordringen. Het is duidelijk dat je voor een boek als Spreuken heel veel tijd en rust nodig hebt om je de inhoud ervan eigen te kunnen maken.

In de Thora, de eerste vijf boeken van de bijbel, staan 613 leefregels.  Jezus vatte ze samen in één zin: “Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Op vergelijkbare wijze staat er aan het begin van het boek Spreuken een samenvatting van de vele losse spreuken die er volgen. In één zin wordt gezegd wat de essentie van de vele losse spreuken is. In Spreuken 1 :7 lezen we: “Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer.”

Het begin van de kennis dat is het principe, het wezen, het hart van de kennis. Deze wordt gevonden in het ontzag voor de Heer.

“Ontzag voor de Heer”, in de vorige bijbelvertaling stond :”Vreze des Heren” betekent niet dat je bang moet zijn voor God. Juist niet. Angst is een slechte leermeester. Ontzag voor God verwijst naar zijn leefregels. Als je daarover mediteert, als je die kauwt en herkauwt als je die proeft en in de praktijk be-proeft dan bevind je je op de goede weg die leidt naar een gelukkig leven.

In Spreuken 1, waarop het verhaal voor de kinderen is gebaseerd, is de Wijsheid aan het woord. En van oudsher wordt de wijsheid als een vrouw voorgesteld. Tot in de middeleeuwen werd de wijsheid voorgesteld als Vrouwe Wijsheid die zetelde op een troon in de hemel. Vrouwe wijsheid zegt in Spreuken 8:14: “Bij mij vind je beraad en overleg, ik heb inzicht, ik heb kracht. Door mij regeren koningen, bepalen heersers wat rechtvaardig is. Vorsten heersen dankzij mij, ik laat leiders rechtvaardig regeren.” Voor vrouwen kan deze vrouwe wijsheid een prachtige en krachtige identificatiefiguur zijn. Vrouwen kunnen eraan groeien.

In Spreuken 8 vers 22 zegt Vrouwe Wijsheid : “De Heer heeft mij vóór al het andere verworven, toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij. Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was, nog voor de aarde vorm kreeg. ……”  Vrouwe wijsheid zegt: “Ik was erbij toen hij de hemel zijn plaats gaf en een cirkel om het water trok, de wolken aan de hemelkoepel plaatste, de oceanen bruisend op liet wellen, toen hij grenzen aan de zeeën stelde, het water met zijn woord een plaats gaf, de fundamenten van de aarde legde….ik was zijn lieveling.”

Wat een prachtige taal! Poëzie! Vrouwe wijsheid was er vanaf het begin van de schepping bij. Zij weet hoe de schepping in elkaar zit en daarom zegt ze in vers 32: “Nu dan zonen en dochters luister naar mij, gelukkig is een mens die op mijn wegen blijft. Luister naar wat ik je leer en wordt wijs!“

Er is een verband tussen dit Schriftgedeelte en het begin van het evangelie van Johannes. In Johannes 1: 1 lezen we: “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.” En verderop wordt gezegd dat dit Woord mens geworden is en bij ons heeft gewoond. In Spreuken 8 wordt van Vrouwe Wijsheid gezegd dat zij in het begin bij God was. Hier wordt gezegd dat het Woord in het begin bij God was.

Het Woord uit Johannes 1 moet worden begrepen als de ontwerpwijsheid van God. Voordat er een nieuw vliegtuig gefabriceerd kan worden maken vliegtuigbouwers een ontwerp. Een ontwerp van de motor. Een ontwerp van de vorm.

Ze denken en rekenen en concluderen dan: “Wanneer we het vliegtuig zo bouwen dan zal het snel en veilig kunnen vliegen.” Dan wordt het vliegtuig gebouwd en wordt de ontwerpwijsheid van de bouwers in de praktijk op de proef gesteld. Eenzelfde ontwerpwijsheid was bij God voor de schepping. Ook God maakte ontwerpen van mens, dier en natuur. En hij dacht: wanneer ik het zo uitvoer dan moet alles werken. Vissen moeten zo kunnen zwemmen. Vogels moeten zo kunnen vliegen. Mensen moeten zo kunnen leven.

God voerde zijn ontwerp uit en alles bleek zo te werken als God gehoopt had. Het Woord uit Johannes 1 is de ontwerpwijsheid van God. Deze ontwerpwijsheid is mens geworden in Jezus. Hij leeft vanuit de ontwerpwijsheid van God. Hij geeft vorm aan het menselijk leven zoals God dat bij de schepping voor ogen had.

De ontwerpwijsheid van God die zichtbaar wordt in het leven van Jezus wordt in Spreuken 8 sprekend opgevoerd als Vrouwe Wijsheid. Jezus was een man maar hij was geen macho. Zijn wijsheid was vrouwelijk van aard. Zo kan Jezus een identificatiefiguur zijn voor zowel mannen als vrouwen. Jezus leeft voor hoe een vrouw krachtig kan zijn en hoe een man zachtaardig kan zijn.

“Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer.” Wanneer je maar ontzag voor de Heer hebt dan hoef je al die afzonderlijke wijsheidsspreuken niet te kennen. Ontzag voor de Heer is het principe, het grondbeginsel, het werkingsbeginsel, waaruit alle wijsheid spreuken voortvloeien.

Dat klinkt heel mooi en dat was ook heel mooi in de cultuur waarin het boek Spreuken geschreven is maar wij kunnen er niet veel mee. In de cultuur waarin het boek Spreuken geschreven is was God duidelijk aanwezig. Hij was Heer en God. Joden mochten Hem niet afbeelden. Maar wanneer ze dat wel hadden mogen doen dan hadden ze Hem afgebeeld zoals dat in de middeleeuwen in de kerken gebeurde. De koepel van de kerk werd goudkleurig geschilderd en God zat in die gouden hemel op een troon. God was zo duidelijk aanwezig in de samenleving dat Hij mensvormig kon worden geschilderd alsof Hij als een koning lijfelijk aanwezig was.

In de schilderkunst verschenen na de middeleeuwen de landschappen. Met de komst van die landschappen verdween God als mensvormige figuur in de schilderkunst. God kon niet als mens in een landschap worden geschilderd. Daar was hij te verheven voor. Was hij dan afwezig in die schilderijen? Nee hij was Aanwezig als het licht dat door die schilderijen heen scheen zoals het licht van de zon door een gebrandschilderd raam heen schijnt.

Maar om het licht van de zon door een gebrandschilderd raam te kunnen zien moet je je niet blindstaren op de afbeelding maar door de afbeelding, door het raam heen leren lijken. Alleen dan zie je dat er meer is dan het raam. Alleen dan zie je het licht achter het raam.

Zo lijkt God in onze samenleving afwezig te zijn. De wetenschap richt onze blik op het zichtbare, op het meetbare. De wetenschap richt onze blik op de afbeelding van het gebrandschilderde raam. Hierdoor zien wij het licht van God niet meer dat door de schepping heen schijnt.

“Het begin van alle kennis is ontzag voor de Heer”, zegt ons niet veel omdat God in onze beleving niet zo concreet in onze cultuur aanwezig is. Om ontzag te kunnen hebben voor God moeten we Hem eerst weer leren ervaren.  We kunnen Hem weer leren ervaren door te kijken naar het licht dat door de schepping heen schijnt, naar het licht dat door de kunst heen schijnt, naar het licht dat door de Schrift heen schijnt en naar het licht dat door de medemens heen schijnt. Amen.

 

 

 

 

 

20 maart 2022

Lezingen: Jesaja 52;1t/m15 en Jesaja 53:1 t/m 11a
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

 

Gemeente van Christus,

De woorden van de lezing uit Jesaja 53 klinken de meesten van u vermoed ik heel bekend in de oren. Dikwijls zult u fragmenten ervan hebben gehoord in liederen en in preken die werden gehouden in de tijd dat de veertigdagentijd nog “lijdenstijd” genoemd werd.

Ik citeer een fragment:
“Hij werd veracht. Door mensen gemeden. Hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was. Een man die zijn gelaat voor ons verborg……maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam……..om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken.“

Velen van u zullen deze woorden  herkennen uit “The Messiah“  van Händel: “ He was despised, despised and rejected “. En ze zo kunnen meezingen.

In de theologie heeft Jesaja 53 een grote rol gespeeld in het proberen te begrijpen van wie Jezus was en wat Hij voor ons gedaan heeft. Het hoofdstuk kwam ook altijd naar voren wanneer er werd gesproken over de thema’s: verzoening en plaatsvervangend lijden.
Bij de voorbereiding van deze preek heb ik mij nog geprobeerd hierover goed in te lezen maar er is zóveel over geschreven en de materie is zó ingewikkeld dat ik er een maand leestijd voor nodig zou hebben en een dag spreektijd om alle nuances recht te kunnen doen.

Ik kan er slechts in grote lijnen over spreken.

Jesaja 53 werd geschreven toen het volk Israël in de Babylonische ballingschap verkeerde. Het volk werd door koning Nebukadnessar gevangen gehouden in Babel. Het volk is bang daar voor eeuwig te moeten blijven. Maar de profeet Jesaja verkondigt dat er een messias, een gezalfde van God zal komen, die het volk zal verlossen en weer terug zal voeren naar huis.

Nu is het beeld van die messias niet eenduidig. Aan het slot van Jesaja 52 wordt hij beschreven als een heel machtig man:

“Ja, mijn dienaar zal slagen “zegt God “ hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien “ ( en dat niet alleen : de koningen zullen ook bang voor hem zijn, zo machtig is hij ). “Zoals hij velen deed huiveren- zo gruwelijk onmenselijk was zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens- zo zal hij vele volkeren opschrikken en koningen zullen sprakeloos staan. “

Hier wordt de messias geschilderd als een voor zijn vijanden huiveringwekkend machtig man.

In Jesaja 53 is het beeld van de messias het omgekeerde van een machtig man:

“Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren. Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht door ons, verguisd en geminacht. “

Hier dus geen machtige messias maar iemand die ogenschijnlijk onmachtig is. Dat is echter maar schijn want er wordt gezegd:

“Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam…om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken…zijn striemen brachten ons genezing. “

In het O.T. zien we dus twee beelden van de messias: een machtige messias en een schijnbaar onmachtige messias, die desondanks toch op de een of andere manier macht heeft.

In het N.T. zien we deze tegenstelling terugkomen. Op palmzondag wanneer Jezus Jeruzalem binnenrijdt leggen de mensen hun mantels op de weg zodat hij erover kan rijden, zo vormen een erehaag met palmtakken en roepen: “Hosanna, hosanna voor de grote koning.“

Ze menen in Jezus de machtige messias uit Jesaja 52 te herkennen. Maar ze hebben niet goed opgelet. Jezus rijdt niet op een paard die het symbool van militaire macht is, maar op een ezel: een vreedzaam dier. En om die vreedzaamheid te benadrukken loopt er ook nog een jong veulen naast.

Jezus maakt duidelijk dat hij niet de aanvoerder wil zijn van een gewelddadige revolutie. Hij wijst het gebruik van geweld af. Hij wil de aanvoerder zijn van een geweldloze, spirituele revolutie. Deze revolutie wordt gevoerd met de wapenrusting van God: de waarheid als gordel om de heupen, de gerechtigheid als harnas om de borst, de inzet voor de vrede als sandalen om de voeten, het geloof als schild, als helm de verlossing en als zwaar de Geest d.w.z. Gods woorden.   (Efeziërs 6)

Jesaja 53 heeft in het verleden een belangrijke rol gespeeld in het proberen te begrijpen van wie Jezus was en wat hij voor ons gedaan heeft.

In vers 5 lezen we: “Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.”

Mede op grond van deze woorden kwam men ertoe te zeggen dat Jezus aan het kruis voor onze zonden gestorven is. En dat klinkt iedereen en ook mijzelf nog heel vertrouwd in de oren. Zo is het toch ook?

Ja, maar bij de redenering erachter kun je toch vraagtekens plaatsen. De redenering luidt: God is heilig. De mensen zijn zondaars. Omdat God heilig is kan hij de zonde van de mens niet onbestraft laten. Gerechtigheid moet geschieden. Straf moet volgen. Omdat God de mens liefheeft wil hij deze straf niet op de mens laten neerkomen. Daarom neemt hij Zelf die straf op Zich door Zijn te laten sterven aan kruis.

Het klinkt heel aannemelijk dat zonde bestraft moet worden. Wij kunnen ons toch niet voorstellen dat Poetin na alles wat hij heeft gedaan er zo maar mee weg zou kunnen komen? De gerechtigheid eist dat hij gestraft moet worden.

Maar is vergeving niet de essentie van de christelijke boodschap? En vergeving is per definitie onrechtvaardig. Rechtvaardigheid is dat zonde wordt bestraft. Vergeving houdt in dat zonde niet wordt bestraft.

Maar is God dan niet rechtvaardig? Ja, dat is Hij. Maar Gods rechtvaardigheid houdt niet in dat hij de zonde straft maar dat hij niet zal rusten voordat alle kwaad en onrecht de wereld uit is.

God kan het onrecht niet verdragen. Met Zijn heilige Geest is hij werkzaam in de geschiedenis van de wereld en in het leven van mensen. Hij rust niet voordat alle onrecht en kwaad de wereld uit is en voordat alle mensen liefdevol en rechtvaardig en zachtmoedig zijn zoals Jezus dat was.

De Heilige Geest bewerkt in mensen een innerlijk veranderingsproces. Ik heb het vaker gezegd. We worden geboren als egocentrische mensen en dat is een gave van God die ons helpt om te overleven. Maar dat egocentrisme kan doorslaan in egoïsme. Je kunt door hebzucht, heerszucht en eerzucht blind worden voor God en medemens. De Heilige Geest kan ons daarvan bewust maken en ons helpen oog te krijgen voor God en medemens en hen lief te hebben.

De Heilige Geest is werkzaam in de wereld en in ons en die werkzaamheid leren wij kennen door onze Heer Jezus Christus. Hij was door de Heilige Geest zo omgevormd dat Hij God en medemens liefhad, zich uitsprak tegen onrecht en het opnam voor de kwetsbaren.

Jezus leefde in volledige overgave aan God. En aan het kruis heeft hij laten zien hoe je kunt sterven in volle overgave aan God. Hij was vol van de Heilige Geest. Zo vol dat de beker van zijn leven overstroomde van de Geest. En in het evangelie staat toen Jezus stierf aan het kruis en zijn hoofd vooroverviel: “En hij gaf de Geest. “Hij gaf de Heilige Geest. De beker van Jezus’ leven stroomde over van de Heilige Geest. De beker van Jezus’ dood stroomde over van de Heilige Geest. Wij mogen de beker van onze ziel openen om de Geest te ontvangen en het veranderingsproces tot Christusgelijkvormigheid in ons te laten geschieden.

Amen.

 

 

13 maart 2022

Lezingen: Johannes 12, 20-36    Daniël 7, 1-14
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Een bijbeltekst of een bijbelverhaal staat nooit op zichzelf, los van de situatie waarin hij gelezen wordt. Een bijbeltekst wordt altijd in een bepaalde situatie gelezen. Een bijbelverhaal is geen cirkel met één middelpunt maar een ellips met twee middelpunten.

De bijbeltekst heeft een bepaalde inhoud maar de situatie waarin hij gelezen wordt is medebepalend voor wat een tekst te zeggen heeft. De situatie is net zo bepalend voor de uitleg van een tekst als de tekst zelf. En daarom raak je ook nooit uitgelezen in de bijbel. In iedere nieuwe situatie licht de bijbel ook weer op nieuwe wijze op.

De situatie waarin we ons nu bevinden is een oorlogssituatie. De oorlog is vlakbij. Dagelijks zien we afschuwelijke beelden voor de t.v. en lezen we erover in de krant en de nieuwsapp op onze telefoon.

De bijbel is het ene punt van de ellips, de oorlog in de Oekraïne is vandaag het andere punt.

Leon las met ons uit Daniël zeven. Het volk Israël bevindt zich in de Babylonische ballingschap. Daniël krijgt aan het hof van koning Belsassar van Babel een opleiding tot rijksambtenaar. Tijdens zijn slaap krijgt hij een droom. Een droom niet los staat van de realiteit maar verbonden is met de werkelijkheid en daarom “visioen” genoemd wordt.

Daniël ziet in het visioen hoe de vier winden, de grote zee in beroering brachten. Vier grote dieren rezen op uit de zee, elk met een andere gestalte.

Het eerste dier leek op een leeuw maar dan met adelaarsvleugels.

Het tweede dier leek op een beer met drie ribben tussen de tanden

Het derde dier leek op een panter maar dan vleugels op zijn rug

Het vierde dier was een dier met veel horens. Het was angstaanjagend, afschrikwekkend, geweldig groot met ijzeren tanden. Het vrat en vermaalde alles wat het tegenkwam en wat er overbleef vertrapte hij met zijn poten.

Deze dieren zijn het symbool van wereldmachten die voor en in de tijd van Daniël hadden geheerst. Deze wereldmachten worden gesymboliseerd als dieren. Ze kiezen daar zelf meestal voor. Het symbool van het Romeinse rijk was de adelaar. Wij Nederlanders hebben de Nederlandse leeuw. De wilde dieren die de wereldmachten kiezen als hun symbool verwijzen naar de trots en kracht die ze in zich voelen, naar de macht die ze uitoefenen en naar het militaire geweld dat ze zonder aarzelen kunnen inzetten.

Deze symbolen staan tot op de dag van vandaag afgebeeld op de F16 en de F35 s van onze luchtmacht, op de poorten van de kazernes van de landmacht en op de schepen van onze marine.

Nadat Daniël in zijn droom de vier symbolen van wereldmachten heeft gezien ziet hij hoe er op aarde een troon wordt neergezet en dat er op die troon een oude wijze plaatsnam. Zijn kleed was wit als sneeuw, zijn hoofdhaar als zuivere wol. Zijn troon bestond uit vuurvlammen, de wielen uit laaiend vuur. Een rivier van vuur laaide op en stroomde voor hem uit. Duizend maal duizenden dienden hem, tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem.

Deze oude wijze is God Zelf. En blijkbaar worden de vier wereldmachten voor het hemelse gerechtshof gedaagd want we lezen dat er staat: “Het hof nam plaats en de boeken werden geopend. “

In de rechtspraak die dan volgt wordt aan de vier wereldmachten hun macht ontnomen. Ze zijn niet dienstbaar geweest aan de volkeren over wie ze heersten maar hebben hen uitgebuit, met geweld onderdrukt en niemand en niets ontziende veroveringsoorlogen gevoerd. Daarom wordt hen de macht ontnomen.

Dan ziet Daniël in zijn nachtelijk visioen dat er met de wolken van de hemel iemand kwam die eruitzag als een mens. Hij naderde de oude wijze en werd voor hen geleid. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend en alle volken en naties welke taal ze ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen. Zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.

Monsters wordt de macht ontnomen en de heerschappij wordt gegeven aan iemand die eruit zag als een méns en van wie we daarom mogen verwachten dat hij op menselijke wijze zal regeren.

Jezus heeft nooit naar zichzelf verwezen als Heer, of God. Wanneer men hem zo aansprak wees hij dat altijd af. Hij wilde niet op een voetstuk worden gezet. Maar hij heeft wel over zichzelf gesproken als mensenzoon. In Johannes 12 waaruit het verhaal voor de kinderen afkomstig was zegt Jezus:

“De tijd is gekomen dat de mensenzoon tot majesteit wordt verheven. “Jezus verwijst hiermee naar zijn naderende dood. Jezus duidt zichzelf aan als “mensenzoon. “Dit is een verwijzing naar het visioen van Daniël. De wijze oude man, God Zelf, ontneemt de gewelddadige wereldleiders hun macht en geeft ze aan de Mensenzoon.

De Mensenzoon is een koning die niet komt om te heersen maar om te dienen. De mensenzoon gebruikt geen geweld maar is een vredesvorst. De mensenzoon bouwt geen megapaleizen voor zichzelf maar geeft zijn geld uit aan zorg voor de vreemdeling, de weduwe en de wees.

De oude wijze ontneemt de wereldleiders hun macht en legt deze in handen van iemand die eruit ziet als een mens: Jezus die zijn koningschap een menselijk gezicht zal geven.

Wat een hoopvolle boodschap in deze tijd van oorlog! Het tweede dier dat Daniël voor ogen krijgt in zijn nachtelijk visioen is een beer. En het is verleidelijk om daarin de Russische beer te zien. Maar dat zou onjuist zijn. De wereldrijken die Daniël voor zijn geestesoog ziet zijn rijken uit het verleden. En we mogen de bijbel niet gebruiken om een oorlog tot een heilige oorlog te verklaren.

De kerkvorst van de Russisch -Orthodoxe kerk zou in plaats van Poetin te steunen, hem wel de verhalen van vanmorgen voor ogen mogen houden. Hij zou, in plaats van Poetin te steunen, hem Jezus ten voorbeeld mogen houden. Poetin, hou op, en ga regeren op menselijke wijze, zoals Jezus het voorgeleefd heeft.

Jezus zegt: “De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit verheven moet worden. “Hij verwijst naar zijn naderende dood. En die gedachte jaagt hem angst aan. Hij is nog maar een jonge man. Hij wil léven.

Maar hij weigert zich de mond te laten snoeren door stadhouder Pontius Pilatus, de vertegenwoordiger van de keizer van Rome. Hij houdt moedig stand wanneer hij voor Pontius Pilatus moet verschijnen.

Hij blijft het opnemen voor vrijheid. Hij blijft het opnemen voor de vreemdeling, de weduwe en de wees. Hij is bang maar ook moedig.

Hij zegt: “Waarachtig ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft blijft het één graankorrel maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht. “

Wanneer Jezus zich de mond had laten snoeren, wanneer hij op de vlucht was geslagen, hadden we nooit meer iets van hem gehoord. Maar omdat hij standhield, omdat hij zijn leven durfde geven, daarom leeft hij tot op de dag van vandaag in onze herinnering en bij God. De graankorrel die Jezus was, stierf maar deze graankorrel ontkiemde en bracht veel vrucht voort: al die mensen die hem nagevolgd zijn en navolgen tot op de dag van vandaag.

Amen

 

 

 

 

6 maart 2022

Lezing: Psalm 128
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Bij de voorbereiding van deze dienst gaven Lucas en Wilma te kennen dat ze het fijn zouden vinden wanneer psalm 128 gelezen zou worden. In het verleden werd deze psalm vaker gebruikt in huwelijksdiensten. Dat is begrijpelijk wanneer je de inhoud van de psalm op je laat inwerken.

De psalm roept een beeld op van een gelukkig gezin. Man en vrouw zitten aan tafel met een grote schare kinderen (zoveel als druiven aan een tros). En de kinderen zijn jong en sterk. Daar droomt ieder jong bruidspaar van. Deze droom werd in huwelijksdiensten onder woorden gebracht.

Nu lijkt de psalmist te suggereren dat een gelukkig gezin Gods beloning is van goed gedrag:

“De Heer maakt goede mensen gelukkig. Gelukkig ben je als je trouw bent aan de Heer, als je leeft volgens zijn wetten. Dan geniet je van alles waarvoor je gewerkt hebt. Het zal goed met je gaan en je zult gelukkig zijn. “

Het lijkt alsof de psalmist zegt dat God goede mensen beloont met een gelukkig gezin. En daaruit zouden we dan moeten concluderen dat wanneer je geen gelukkig huwelijk hebt dat gezegend is met kinderen je geen goed mens zou zijn.

Maar zo moeten we deze psalm niet lezen! God is geen God die het goede beloont en het kwade straft. Denk aan de gelijkenis van de verloren zoon: De oudste zoon wordt niet beloond en de jongste zoon wordt niet bestraft. De Vader houdt van beide zoons om wie ze zijn en niet om wat ze doen.

Wat bedoelt de psalmschrijver dan wel? Hij schrijft :

“Gelukkig ben je als je trouw bent aan de Heer, als je leeft volgens zijn wetten. “

Hij schrijft: “Gelukkig BEN je als je trouw bent aan de Heer en leeft volgens zijn wetten. “En, ik heb het wel vaker gezegd, het woord “wetten” associëren wij met wetboeken, met wetsartikelen, met het wetboek van strafrecht. Maar dat klopt niet. Met “wetten “worden richtingwijzers bedoeld. Richtingwijzers die de weg wijzen naar een vreugdevol en gelukkig leven.

Dat is de boodschap die in het verleden aan jonge bruidsparen werd meegegeven: “Volg op jullie levenspad de richtingwijzers die God daar heeft neergezet, dan loop je in de richting van een gelukkig leven.”

God beloont het goede niet. Hij straft het kwade niet. Hij wijst de richting aan waarin een leven van geluk te vinden is. In het verleden hebben predikanten door het lezen van deze psalm en door te spreken over deze psalm jonge bruidsparen richting willen wijzen waarin zij geluk zouden kunnen vinden.

Lucas en Wilma zijn geen jong bruidspaar. Een paar weken geleden hebben ze hun veertig jarig huwelijksjubileum gevierd. Voor de ambtenaar van de burgerlijke stand hebben ze veertig jaar gleden hun ja woord aan elkaar gegeven. Maar omdat Wilma niet uit een kerkelijk nest kwam zijn ze toen niet in de kerk getrouwd.

Maar in de loop van de tijd is Wilma tot geloof gekomen. Vorig jaar is ze gedoopt en heeft ze openbare belijdenis van haar geloof gedaan. Vandaag willen ze hun dankbaarheid uitspreken over alles wat ze in de afgelopen veertig jaar ontvangen mochten en een zegen vragen over de hopelijk vele jaren die ze samen nog zullen gaan.

Maar wat houdt dat eigenlijk in? Waar vraag je om wanneer je bidt om Gods zegen over je huwelijk? Waar vraag je om wanneer je bidt om een zegen over het eten of over het werk dat je doet?

In allerlei uitdrukkingen zit het woord zegen. Bijvoorbeeld: “Mijn zegen heb je!” Dat betekent van mij mag je. Ik ga akkoord. Of: “Op hoop van zegen.” Dat wil zeggen: we proberen het gewoon en we zien wel hoe ver we komen. Of: “Hierop rust geen zegen.” Dat betekent: laten we er maar mee stoppen want het gaat niet lukken.

En iemand met een goede baan, een mooi huis, een leuke partner en gezonde kinderen kan zeggen: “Ik ben rijk gezegend! “Maar iemand die deze rijkdom niet heeft zou zich dan kunnen afvragen: “Zegent God mij dan niet? “En hij of zij zou daar verdrietig en boos en opstandig van kunnen worden. Iedereen mag toch gelukkig zijn?

De zegen van God wordt niet zichtbaar in de uiterlijke omstandigheden van iemands leven. De zegen van God wordt niet zichtbaar in bezit, in een partner, in kinderen, in een huis of in een carrière. En de afwezigheid van al deze zaken is geen teken van niet-gezegend zijn.

De zegen van God kan er zijn in tijden van voorspoed en in tijden van tegenspoed, in tijden van gezondheid en in tijden van ziekte, in tijden van leven en in tijden van dood.

Wat is dan die zegen van God? De zegen van God is zijn aanwezigheid. En die aanwezigheid kan duidelijk worden in het beeld van een schilderij. Stel u het leven voor als een schilderij, dan is Gods aanwezigheid als de lijst om het schilderij. Gods zegen is de lijst om je leven. Het kader waarin je leven staat. Het raamwerk van de lijst brengt het doek van het schilderij op spanning. Zo brengt de aanwezigheid van God ons leven op spanning.

Nu is de aanwezigheid van God niet zo maar zichtbaar en aanwijsbaar. We geloven dat God altijd aanwezig is maar we voelen die aanwezigheid niet altijd. Bij een schilderij trekt de lijst, als het goed is, geen aandacht. Maar zonder lijst gaat het doek slaphangen. Zo zou het doek van ons leven zonder de aanwezigheid van God ook slap gaan hangen.

De afwezigheid van God kun je vergelijken met de afwezigheid van een liefdespartner in het leven van iemand die heel succesvol is. Hij heeft een carrière, een huis, een mooie auto, verre vakanties maar hij mist iets. Hij kan zijn rijkdom niet delen. En rijkdom die niet gedeeld kan worden maakt niet gelukkig. Een partner zou een wereld van verschil maken.

En zo is het ook met de aanwezigheid van God. Al hebben we alles in ons leven wat ons hartje begeert, zonder de aanwezigheid van God, geeft het ons geen voldoening. Het hart, de kern, de grond van het leven mist. Dat wat het leven op spanning brengt mist.

En daar tegenover staat dat we ook al leven we niet in rijkdom, ook al hebben we geen partner of kinderen, de aanwezigheid van God ons leven toch vol en rijk kan maken.

God is het licht, het leven, de liefde. God is de bron van ons leven. Zijn aanwezigheid brengt ons leven op spanning. Zijn aanwezigheid brengt samenhang, geborgenheid, avontuur, harmonie.

Lucas en Wilma wilden vandaag dat psalm 128 gelezen zou worden omdat ze met deze psalm uitdrukking wilden geven aan hun dankbaarheid voor alles wat zij in de afgelopen veertig jaar mochten ontvangen.

“Het was niet altijd gemakkelijk”, zeiden ze. “Wanneer je begint, ben je eigenlijk vreemden voor elkaar.” Wilma is een open boek. Zij is welbespraakt en heeft het hart op de tong. Lucas vond het moeilijker om te delen wat er in hem omging. Maar door de jaren heen is hij steeds opener geworden. Lucas is een bloem. Wilma is de zon. In het licht van de zon van Wilma is Lucas als een bloem open gebloeid. Wilma is voor hem de zon. En Lucas is voor Wilma een bloem. Een prachtige bloem die zij met haar stralen heel graag kust.

“Het was niet altijd gemakkelijk” zeiden Lucas en Wilma maar God was erbij en we zijn dankbaar voor elkaar en voor de kinderen en kleinkinderen die we hebben gekregen.

Wilma en Lucas, de veertig jaren die achter jullie liggen waren gezegende jaren. Gezegend omdat God erbij was en jullie Hem herkend en ervaren hebben. God zij dank daarvoor.

Vandaag vragen jullie God om een zegen over jullie huwelijk. Vandaag vragen jullie God om ook in de toekomst aanwezig te zijn.

God zij met jullie!

Amen

 

 

 

27 februari 2022

Lezingen: Jesaja 61, 1-3   en   Lucas 4, 20-30
Voorganger: ds. J. Katerberg, Borger

Lieve mensen van God,

Als een belangrijk persoon in je dorp woont of in je straat,
een actrice, een sportman, een politicus of een BN-er,
dan zijn er altijd veel mensen die daar trots op zijn.
Hun straat of dorp wordt er óók een beetje belangrijk door
en ook zijzelf voelen zich net wat meer waard.
De glorie van zo iemand straalt als het ware ook op hen af.

Zoiets lijkt ook te gebeuren wanneer Jezus in zijn eigen dorp voor het eerst voorleest in de synagoge.
In de omgeving had hij al wonderen gedaan, zijn naam ging al rond, en nu staat hij dan in Nazareth op de preekstoel,
om het zo maar eens te zeggen. Hij leest voor uit de profeet Jesaja en gaat het gelezene meteen uitleggen en toepassen op zichzelf:
die gezalfde waar Jesaja het over heeft, die staat in jullie midden, ik ben het, zegt hij met zoveel woorden.
Die profeet die bevrijding zal brengen, de armen het goede nieuws,
die blinden weer zal doen zien en die onderdrukten de vrijheid geeft,
hier is hij, ik ben het.

Ze verwonderen zich enorm, de mensen in de synagoge, zijn dorpsgenoten.
En ze vallen hem bij: natuurlijk, wat geweldig, ja wat is dit?
Dit is toch de zoon van Jozef, de timmerman?
En moet je die nu eens horen praten! Eén van ons!
Ze voelen zich steeds belangrijker worden. Jezus’ glorie straalt op hen af.

Maar dan gaat het helemaal mis.
Jullie rekenen er zeker op dat ik ook hier wonderen ga doen, net als in Kapernaüm, zegt Jezus.
Op een nogal botte manier zet hij zich af tegen zijn eigen mensen.
Terwijl ze hem juist nog zó bewonderden en het met hem eens waren!
Een profeet wordt in zijn eigen vaderstad niet geëerd, gaat Jezus verder,
en hij komt dan met een tweetal voorbeelden uit het oude testament:
met Elia, de profeet die naar het buitenland werd gestuurd,
naar de weduwe van Sarepta, in plaats van zijn eigen mensen te helpen.
En ook met het verhaal van de profeet Elisa, die wel de Syriër Naäman genas,
maar niet zijn vele Joodse landgenoten die ook aan huidvraat leden.
Zo zal het ook met mij gaan, weet Jezus.

Maar…. ze waren hem toch bijgevallen, ze wilden hem toch groot maken,
ze waren toch juist zo blij met hun eigen wonderdokter?
Ja, dat waren ze. Maar… Jezus is geen wonderdokter, hij is een profeet.
Zo noemt hij tenslotte zichzelf! Ja, en een profeet, wat is dat!
Nee dat is niet iemand die de toekomst voorspelt.
Een profeet is iemand die de mensen terugroept naar wat God wil.
Die machtigen bij de les houdt van het goddelijk Woord
en ze desnoods de wacht aanzegt.
Die opkomt voor gevangenen, onderdrukten, blinden, doven en armen,
zoals de profeet Jesaja dat Jezus vóórzegt.
Voor al die mensen die geen leven hebben, kort gezegd.
En dat gaat allemaal niet lukken als je te dicht bij de mensen staat, weet Jezus.
Als je één van hen bent en ze je nog kennen als een ventje van vier.
En zo gauw ze je op een voetstuk hebben gezet om je te bewonderen,
gaat het helemaal niet meer: je bent dan onschadelijk geworden.
Aan de ene kant kun je niks meer verkeerd doen, maar aan de andere kant
kun je ze ook niet meer de wacht aanzeggen, als dat nodig zou zijn.
Jezus neemt daarom afstand van zijn mensen en hij is heel duidelijk.
Ze worden dan zo kwaad op hem dat ze hem het liefst helemaal kwijt zijn.
Zijn glorie en zijn gezag, het is allemaal zomaar weg.
Ja, liefde en haat zijn vaak twee kanten van dezelfde medaille.
De ene dag ben je wereldberoemd, de andere dag word je verguisd.

Met dit verhaal krijgen wij de vraag voorgelegd wie Jezus voor ons is.
Is hij voor ons ook een soort van wonderdokter, een heelmeester
die het allemaal weer goed maakt? Die als één van ons er voor ons is?
Iemand die we vereren, die we hoog hebben zitten?
Zó hoog dat hij niet meer de profeet kan zijn die hij wíl, ja móet zijn?
De man Gods met gezag die ons wijst op misstanden
in ons leven en samenleven en die ons indien nodig de wacht aanzegt?
Hebben we hem misschien al te zeer ingekapseld in onze liturgie,
in ónze opvattingen en meningen, in onze diensten en rituelen,
dat we niet meer open staan voor wat hij ons en onze wereld te zeggen heeft?
Want we kunnen ons heel druk maken om de kerk, om het instituut
dat dreigt te verdwijnen of dat op zijn best nog een randverschijnsel wordt
in het leven van wie na ons komen, maar dat zegt niet alles over wie Jezus is.
Voor ons. Welk gezag heeft hij werkelijk over ons leven?
Over ons doen en laten? Zou dat gezag van Jezus niet te zien moeten zijn?
Aan onze manier van leven? Zoals Paulus het zegt: maar gij geheel anders…?
Anders, anders leven dan de andere mensen..? Moet dat dan?

Veel vragen die ons aan het denken willen zetten.
Vragen ook in een tijd waarin ‘gezag’ bijna een vies woord is geworden.
In heel ons samenleven is het gezag in crisis, en dat heet dan ‘gezagscrisis’.
Vroeger was vaders wil gewoon wet en had de jeugd respect voor ouderen.
In de kerk was de kerkenraad gezaghebbend en binnen de kerkenraad
bepaalde de dominee goeddeels wat er moest gebeuren.
Kerkelijke – en burgerlijke ambtsdragers waren gezagsdragers.
Maar u laat zich toch niet meer gezeggen door de dominee?
En hoeveel mensen hebben lak aan politiemensen of gemeentelijke bestuurders.
Op social media wordt er wat afgescholden op deze mensen.
En in de Tweede Kamer wordt de minister-president doodgewoon toegevoegd
dat hij niet goed snik is, om van doodsbedreigingen van buitenaf
nog maar niet te spreken. Nee, het gezag, elk gezag heeft het moeilijk in onze tijd.
Zelfs hulpverleners als huisartsen en ambulancemedewerkers ontberen vaak respect.

Nu is het niet de bedoeling –als ik dat al zou kunnen-,
om een antwoord te geven op de vraag waar die gezagscrisis vandaan komt.
Wel is het denk ik zinvol om je persoonlijk en als gemeente af te vragen
hoe jij zelf, hoe je als gemeente met die crisis omgaat.
Dat je je afvraagt: voor wie heb ik werkelijk respect?
Wie heeft voor mij, voor ons echt gezag, innerlijk gezag.
Best een moeilijke vraag, als ik naar mezelf kijk.
Je hebt zo gauw de neiging om je maar een beetje te laten meedrijven
op de stroom van een algemeen gevoel van onbehagen dat onze tijd kenmerkt.
Maar om echt iemand te noemen wiens houding of gedrag je hoop geeft,
iemand die een voorbeeld voor je is, iemand om op te bouwen,
is een stuk lastiger.
Burgemeester Aboutaleb van Rotterdam noemde een tijdje geleden
een aantal mensen die voor hem gezaghebbend zijn:
Nelson Mandela, Mahatma Ghandi, Maarten Luther King, Angela Merkel.
Leiders met een visie, met durf, met grote moed ook.
Mensen die veel gevaar trotseerden, die vaak veel hoon te verduren kregen,
of moesten lijden voor hun droom of zelfs sterven.

Lieve mensen, als Jezus voor ons nog gezag heeft –
en dat is toch wat we van elkaar mogen verwachten in de kerk -,
en dan niet als wonderdoener, maar als profeet met visie,
als de man van God die deze wereld kwam bevrijden,
als degene die de weg wijst naar een beter samenleven van mensen,
zouden we dan niet moeten letten op zijn manier van leven,
op zijn omgang met vriend en vijand,
op zijn droom van Gods Koninkrijk op aarde,
op zijn moed, zijn kracht, zijn weerloos lijden en sterven?

De profetie van Jesaja, die hijzelf in Lukas 4 leest, lijkt een soort van programma.
Daarin kun je in de kern al horen waar het Jezus om gaat.
Hij stelt dat hij gezonden is met een boodschap voor armen, gevangenen,
blinden en gebrokenen. Allemaal mensen bij wie iets niet in orde is,
slachtoffers, misdeelden. Mensen wier leven tot een minimum is teruggebracht.
Jezus citeert ook deze woorden uit Jesaja: om een genadejaar
van de Heer uit te roepen. Dit genadejaar of jubeljaar staat beschreven in Leviticus.
Kwijtgeraakt grondbezit moest in dat jaar terugkomen bij de oorspronkelijke,
verarmde eigenaar die zo uit zijn slavernij zou worden bevrijd.
Voor wie arm zijn geworden en hun vrijheid hebben verloren,
gaan de dingen nu anders worden: Jezus heeft een goede boodschap voor hen.
Ja, Jezus wil er zijn voor de havenots, voor wie niets hebben.
Een betere wereld komt alleen dan, als er erbarmen is, ontferming en vergeving.
Was getekend: Jezus van Nazareth.

Ja, je moet wel weten wie het is die jij gezag toekent in jouw leven.
Vooral als het gaat om al die aardse zaken als armoede en bezit.
Dat kan een hoogst pijnlijke exercitie worden als je veel hebt.
Ongetwijfeld is dat de reden dat veel van wat Jezus hier noemt
in de geschiedenis van de kerk sterk is vergeestelijkt:
het zou Jezus gaan om geestelijke armoede, om gebrokenheid door
ziekte en om gevangenschap in de zonde.
Ja, dan blijft zijn boodschap een innerlijk gebeuren en is het niet moeilijk
om net als andere mensen gewoon door te gaan met het zoeken
van de beste plaatsen in de wereld van hebben is hebben en houden is de kunst.
Maar ik geloof dat zijn boodschap veel maatschappelijker, veel aardser is
dan wat wij er met elkaar in onze kerken eeuwenlang van hebben gemaakt.
Soms denk ik zelfs dat het Leger des Heils dat beter heeft begrepen dan wij.

Als dat waar is, dat Jezus’ boodschap op de aarde is gericht,
op ons samenleven met elkaar, dan is die vergeestelijking waar ik over sprak
een soort van uitdrijving, zoals er gebeurt na de lezing in de synagoge.
Die Jezus, die aan ons geld en goed komt, die moeten we niet.
Die zijn we liever kwijt dan rijk. Die doen we liever weg.
Die kruisigen we desnoods.
Maar dan gebeurt er opnieuw iets wonderlijks in het bijbelverhaal:
als ze Jezus van de afgrond willen duwen staat er:
Maar hij liep midden tussen hen door en vertrok’.
Dat is een verwijzing naar Pasen, naar het dwars-door-de-dood-heen-verhaal’.
Wij kunnen de mens Jezus misschien uitbannen uit ons leven,
maar de Geest die in hem was, is niet klein te krijgen.
Die zal altijd weer opstaan.
Die zal ondanks ons toch altijd weer mensen vinden, ook onder ons,
die beseffen dat geven zaliger is dan nemen, dat vergeving sterker is dan wraak,
dat erbarmen het beter doet dan oordelen, dat liefde sterker is dan de dood.
Zulke gelovigen, zulke navolgers geven Christus het gezag dat hem toekomt.
Ze doen dat met geduld en vaak in stilte, ze hoeven geen applaus.
Maar ze zijn er en het zijn er meer dan gedacht die hun knieën niet gebogen hebben
voor de Baäl –ik moest even denken aan het verhaal van de profeet Elia
die de moed dreigde op te geven- en voor al die goden van het groeiende geld.
Velen zijn het er. Ze zijn ook onder ons, goddank.
Dezen zijn het –gelovigen en ongelovigen, jazeker,
die de aarde en zijn bewoners door de Geest Gods bewaren
voor onze kinderen en kleinkinderen.

Zo moge het zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

13 februari 2022

Lezing: Mattheüs 20, 1-16
Voorganger: ds Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

In de evangeliën lezen we verschillende gelijkenissen. De gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan is denk ik wel de bekendste. Vanmorgen lezen we de gelijkenis van de heer van de wijngaard.

Waarom vertelde Jezus gelijkenissen? Dat deed Hij omdat Hij mensen wilde laten nadenken. Hij bracht hun denken op gang door ze te provoceren. Hij wilde reacties uitlokken.

Wij moeten het ons niet zo voorstellen dat Jezus een preek hield en mensen daar rustig naar luisterden en na afloop tegen hem zeiden:

“Een mooie preek rabbi!” Wanneer ze zo zouden hebben gereageerd was Jezus’ poging om hen te bereiken mislukt.

Het voorlezen van de gelijkenis van de wijngaard kostte een paar minuten. Maar Jezus deed er misschien wel een uur over om een gelijkenis te vertellen.

Wanneer hij de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan vertelde en hij de dalende weg van Jeruzalem naar Jericho beschreef, dan bleef het niet stil maar dan riep er wel iemand: “Ja, wat loopt die weg stijl naar beneden he? Ik krijg er altijd pijn in mijn knieën van!” En iemand anders kon dan roepen: “En het is er altijd bloedheet!”

En wanneer Jezus dan vertelde dat de priester en de Leviet aan de gewonde man voorbij liepen dan kon iemand roepen: “Oh Jezus je laat altijd zo negatief uit over priesters en Levieten. Heb je hekel aan hen?” En wanneer men hoorde dat uitgerekend een Samaritaan zich over de gewonde man ontfermde kon er iemand roepen: “Als je zoveel van de Samaritanen houdt, waarom ga je dan niet in Samaria wonen?”

Jezus deed zijn verhaal niet in alle rust maar hij werd voortdurend onderbroken. Hij provoceerde. Dat wilde hij ook want alleen zo kreeg Hij de mensen zover dat ze echt gingen nadenken. Alleen zo kon Hij hun vooroordelen doorbreken.

Ik denk dat Jezus de mensen ook vaak aan het lachen bracht. Hij was een diep spiritueel mens. En werkelijk spirituele mensen zijn vaak heel geestig, hebben veel humor.

 

En nu de gelijkenis van de wijngaardenier.

De gelijkenis opent met de zin: “Het is met het Koninkrijk van de hemel als met een landheer die er bij het ochtendgloren op uittrok om dagloners voor zijn wijngaard te zoeken. “

Het punt van gelijkenis is dus de landheer, de eigenaar van de wijngaard. Jezus meent dat God op dezelfde wijze handelt als de landheer.

De druiven zijn rijp om geoogst te worden. Volle druiventrossen hangen aan de wijnstokken. De eigenaar van de wijngaard heeft druivenplukkers nodig om de oogst binnen te halen. Daarom gaat hij ’s morgens vroeg naar een plek waar dagloners naartoe gaan in de hoop dat iemand ze zal inhuren.

Ik zei het al Jezus houdt van provoceren. Hij wil dat mensen gaan nadenken. En wij hebben het niet meteen in de gaten maar door God te vergelijken met de eigenaar van een wijngaard provoceert Jezus al. De gewone man had namelijk een hekel aan landheren. Landheren waren stinkend rijk. Zij konden het zich permitteren om er een wijngaard op na te houden. De gewone man moest op zijn kleine lapje grond voedsel verbouwen om te overleven. De gewone man kon zich de luxe van een wijnstok niet permitteren. Een landheer was een grootgrondbezitter die een wijngaard kon aanleggen. Hij was al rijk wanneer hij dat kon en door de opbrengst van de wijngaard werd hij nog rijker dan hij al was.

Dus toen Jezus begon over de eigenaar van een wijngaard riep er al iemand: “Zo’n rijke stinkerd zeker!” Jezus vertelt door. De landheer ging om zes uur en huurde een aantal arbeiders in, om negen uur ging hij weer en om twaalf uur en om drie uur en om vijf uur.”

“Gierigaard!” Schreeuwde er iemand. Hij had gelijk. De landheer wist ’s morgens al dat er een overvloed aan druiven geplukt zouden moeten worden. Hij zal er veel mee verdienen. Maar hij wil het onderste uit de kan. Hij wil zo min mogelijk geld aan arbeidsloon uitgeven. Daarom volgt hij het plukken op de voet. Iedere keer wanneer hij denkt dat de oogst toch niet voor de avond binnengehaald kan worden, haalt hij er weer een paar mannetjes bij.

Hij heeft totaal geen respect voor de dagloners. Wanneer hij om vijf uur voor de laatste keer een ploeg mannen wil inhuren, vraagt hij hen: “Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?” “Rot kerel!”, roept iemand die naar het verhaal van Jezus staat te luisteren. “Rotkerel!” Inderdaad: een rotvraag. Die dagloners staan al de hele dag te wachten op werk en blijven daar staan omdat ze geld nodig hebben o meen avondmaaltijd voor hun gezin te kunnen kopen. Ze staan daar niet voor lol!

Jezus vertelt door. Om zes uur wordt het donker en krijgen de dagloners hun loon uitbetaald. De arbeiders die pas om vijf uur begonnen zijn worden het eerst naar voren geroepen en krijgen een denarie uitbetaald. Daarop worden de mannen naar voren geroepen die de hele dag in de brandende zon hebben gewerkt. Omdat de arbeiders die maar een uur hebben gewerkt een denarie hebben gekregen verwachten zij veel meer te zullen krijgen. Maar ze ontvangen ook maar een denarie.

De luisteraars rondom Jezus spitsen hun oren: “Hé, waar gaat dit heen? Welke kant gaat Jezus op? “

De arbeiders die zich te kort voelen gedaan beklagen zich bij de eigenaar van de wijngaard: “Dit is niet rechtvaardig!” Maar de eigenaar antwoordt hen: “We hadden toch een denarie afgesproken? Ik wil aan die laatste arbeiders nu eenmaal hetzelfde betalen als jullie. Ik mag toch doen met mijn geld wat ik wil?”

 

Wat wil Jezus duidelijk maken met dit provocerende verhaal Meister Eckehart, een mysticus uit de 14e eeuw zou zeggen: “Jezus wil ons duidelijk maken dat we God niet lief moeten hebben zoals we een koe liefhebben. “We hebben een koe lief, niet om de koe zelf maar om datgene wat de koe ons oplevert: de melk.

Maar zo moeten we God niet liefhebben. We moeten Hem niet liefhebben om datgene wat hij ons schenkt maar om Hem Zelf.

En dat geldt ook voor het werken in de wijngaard. We moeten niet werken in de wijngaard om het loon dat we ervoor krijgen maar om het werken zelf. Het werken in de wijngaard is geen middel maar doel.

Het werken in de wijngaard is het symbool voor het werken in het Koninkrijk van God. En het Koninkrijk van God dat is iedere plaats op deze aarde waar mensen leven zoals God het voor ogen had toen Hij de aarde schiep.

Waar mensen elkaar liefhebben, daar is het Koninkrijk van God.

Waar mensen voor elkaar zorgen, daar is het Koninkrijk van God.

Waar mensen de kwetsbare medemens helpen, daar is het Koninkrijk van God.

En de ervaring leert dat daar waar mensen elkaar liefhebben, voor elkaar zorgen en de kwetsbare medemens helpen, blijdschap heerst.

Je wordt blij van het werken in de wijngaard. Je hoeft er niet voor te worden beloond. Het werken in de wijngaard is de beloning zelf.

Amen.

Mattheüs 20, 1-16

6 februari 2022

Lezingen: Jesaja 6:1-11  en Lucas 5: 1-11
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

In de Schriftlezing lazen we dat Jezus predikte aan de oever van het meer van Genesaret en dat de menigte zich zozeer om Hem verdrong dat Hij in het water gedrukt dreigde te worden en hij daarom in de vissersboot van Simon stapte om van daaruit verder te spreken.
Het is niet verwonderlijk dat er zo veel mensen naar Jezus kwamen luisteren want hij moet een zeer boeiend spreker geweest zijn. Hij had een prachtige uitstraling: het licht van God scheen door Hem heen. Door Hem heen zagen de mensen het licht van God en voelden ze de liefde van God.
Daar leefden ze van op want de mensen die naar Hem kwamen luisteren waren arme boeren en vissers. Ze leidden een hard bestaan en ontvingen weinig respect en liefde. Jezus schonk hen het gevoel dat ze er werkelijk toe deden. Hij schonk ze liefde en zelfrespect. Deze mensen leefden in uitzichtloze armoede. Ze hadden weinig hoop op een betere toekomst maar Jezus schenkt ze nieuwe hoop met zijn prediking over het naderende Koninkrijk van God.

Jezus had een prachtige uitstraling, Jezus schonk geloof, hoop en liefde en bovendien sprak hij in prachtige beeldtaal. Wanneer Hij sprak buitelde het ene beeld na het andere over elkaar heen:
Let op de leliën, let op de vogels in de hemel, het Koninkrijk van God is als een parel, als een munt, jullie zijn graankorrels. Jezus vertelde prachtige verhalen: de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, de gelijkenis van de verloren zoon….noem maar op !
En taalkundigen vermoeden dat Jezus niet alleen in beeldtaal sprak maar dat Hij ook op muzikale, poëtische ritmische wijze sprak. Jezus sprak in het Aramees. Zijn woorden zijn ons overgeleverd door de evangelisten in het Grieks maar wanneer je die Griekse woorden weer terugvertaald in het Aramees dan klinkt er een dichterlijke cadans.
Al met al geen wonder dat de menigte zich zo rond Jezus verdrong!

Nadat Jezus opgehouden is met spreken zegt Hij tegen Simon Petrus: “Vaar naar diep water en gooi je netten uit om vis te vangen.”
Simon antwoordde: “Meester de hele nacht hebben we ons al ingespannen en niets gevangen. Maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen.“
En toen ze dat gedaan hadden zwom er zo’n enorme school vissen in de netten dat die dreigden te scheuren. Ze vulden de boten met zoveel vis dat ze dreigden te zinken.

Je kunt dit verhaal op twee manieren lezen. Je kunt het lezen als werkelijk gebeurd zoals het er staat. Je kunt het ook lezen als een beeldverhaal. Tegen u die gelooft dat dit verhaal gebeurd is zoals het er staat zeg ik:
“God is de Schepper van hemel een aarde. “Wanneer hij zo machtig is om het wonder van de schepping te kunnen verrichten dan is hij ook wel bij machte om een kleiner wonder als de wonderbaarlijke visvangst te verrichten.
Zelf lees ik het verhaal als beeldverhaal. Niet omdat ik twijfel aan de macht van God maar omdat ik geloof dat Hij als regel niet werkte door het aan de kant schuiven van natuurwetten maar door die wetten heen. Voor de diepste, geestelijke betekenis van het verhaal maakt het niet uit of je het letter leest of als beeldtaal. Ik hoop dat u dat na mijn uitleg met mij eens kunt zijn.

Om het verhaal te kunnen begrijpen moeten we ons realiseren dat Lucas het in de jaren 70 na de geboorte van Christus geschreven heeft. De kerk had toen een enorme bloeitijd meegemaakt. In korte tijd had het evangelie zich over het hele Romeinse Rijk verspreid.
Simon Petrus heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. In het Pinksterverhaal lezen we dat nadat hij een gloedvol betoog heeft gehouden over het wonder van de uitstorting van de Heilige Geest, er die dag 3000 mensen tot geloof kwamen. Er was nog geen sprake van een geïnstitutionaliseerde kerk. In plaats van te spreken over “kerk” kun je beter spreken over “ beweging “ : de Jezusbeweging, in beweging gebracht door de Heilige Geest. Die beweging was jong en dynamisch en groeide explosief : een grote vreugde om er bij te zijn. Maar in de tijd van Lucas zwakte dat grote enthousiasme van het  begin wat af. Binnen de Jezus beweging deden er zich problemen voor die konden alleen worden opgelost door een betere organisatie. Het werken aan een organisatie is werken met mensen, dat valt niet altijd mee.
Bovendien geloofden de eerste Christenen dat het Koninkrijk van God heel spoedig zou aanbreken maar inmiddels was het veertig jaar geleden dat Jezus ten hemel voer en nog was er geen zicht op het Koninkrijk van God. Kortom: in Lucas’ tijd begon de Jezus beweging wat van zijn oorspronkelijke frisheid en dynamiek te  verliezen.

Deze situatie zien we weerspiegeld in het verhaal van vanmorgen. Het verhaal is eigenlijk een zendingsverhaal. Dat wordt duidelijk aan het eind waarin Jezus tegen Simon Petrus zegt: “Voortaan zul je mensen vangen.“
Jezus zegt tegen Simon Petrus: “Vaar naar diep water en gooi je netten uit om vissen te vangen.” Simon Petrus was degene die op het Pinksterfeest gloedvol sprak waarna 3000 mensen tot geloof kwamen. Hij was dus in het verleden een hele succesvolle visser van mensen geweest!
Maar nu zegt Petrus: “Meester, de hele nacht hebben we ons al ingespannen en niets gevangen!” Hier zien we de situatie van Lucas weerspiegeld : aan de grote groei van de Jezus beweging lijkt een einde gekomen. De inspanning van de gemeente lijkt tot niets te leiden.

“De hele nacht hebben we ons al ingespannen en niets gevangen maar als U het zegt zal ik de netten uitwerpen,” zegt Simon Petrus. En dan herhaalt zich het wonder van Pinksteren : de vangst is onvoorstelbaar groot.

Gemeente, de situatie van de gemeente van Lucas lijkt op de situatie van onze gemeente. We hebben een tijd achter de rug waarin en groot deel van de Nederlandse bevolking zich aangesproken voelde door de boodschap van Jezus. Zondags zaten de kerken vol. Het was niet moeilijk om ambtsdragers te krijgen. Predikanten gaven catechese aan groepen van 25 jongeren. Ieder jaar deden er velen openbare geloofsbelijdenis…… maar sinds de jaren zestig van de vorige eeuw zien we dat de kerk leegloopt. En we hebben er van alles aan gedaan: jeugddiensten, open deur diensten, nieuwe liederen, nieuwe bijbelvertalingen….net al Simon Petrus hebben we ons de hele nacht ingespannen maar we lijken niets te vangen.

In deze situatie komt het woord van de Heer tot ons: “Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen!” De Heer roept ons op om het hoofd niet te laten hangen. Waarom niet? Omdat we een geweldige mooie boodschap hebben. Zo mooi dat het niet anders kan dan dat deze zal worden herontdekt. Die boodschap is Jezus Zelf en de wijze van menszijn die Hij ons voorleefde:
Het licht van God scheen door Hem heen. Mensen verwarmden zich in dat licht, kregen ruimte en ademden op .

Jezus ging op liefdevolle en ruimte gevende wijze met kinderen om. Jezus ging op liefdevolle en respectvolle wijze met vrouwen om. Jezus ging op liefdevolle wijze om met paria’s uit de samenleving: melaatsen en tollenaars (collaborateurs). Jezus ging op liefdevolle wijze om met zogenaamde vijanden van het volk: Romeinse soldaten en Samaritanen.

Deze Jezus, deze leefwijze is zo aansprekend, zo heilzaam, zo vrolijk makend en hoopvol….het kan niet anders of deze boodschap wordt weer herontdekt, het kan niet anders of Jezus wordt weer herontdekt!
Laten wij niet wanhopen over de toekomst van de kerk in Nederland maar  op bevel van de Heer onze netten uitwerpen in diep water. De vangst zal overvloedig zijn!

Amen.

 

30 januari 2022

Lezingen: Psalm 1     Romeinen 8: 1-17
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Zoals ik al zei aan het begin van de dienst, vanmorgen wil ik met u nadenken over de vraag of de mens in wezen goed of kwaad is. En de beantwoording van deze vraag kent twee uitersten: “De mens is geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed“ aan de ene kant en “De meeste mensen deugen“ aan de andere kant. En het antwoord van Bas Heijne ligt in het midden: “De meeste mensen deugen – soms.”

Wanneer we lezen wat Paulus daarover schrijft in de brief aan de Romeinen dan ben je geneigd om te denken dat Paulus aan de kant staat van het onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Hij schrijft immers: “Wat onze eigen natuur wil brengt de dood.”
Het lijkt alsof Paulus heel negatief denkt over de mens maar in werkelijkheid is dat niet zo. Eigenlijk denkt hij hee positief over de mogelijkheden van de mens.
Hetzelfde geldt voor die woorden uit de Heidelbergse dat de mens onbekwaam zou zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Dat staat er wel maar er staat veel meer. Achter deze woorden staat geen punt zoals velen denken maar een komma! En dan staat er tenzij de mens geboren wordt uit de Heilige Geest en dan is er alles mogelijk, dan kan de mens Christus navolgen.

En zo is het ook bij Paulus. Hij lijkt heel negatief te denken over de mens maar hij zegt : “Wanneer u zich laat leiden door de Geest woont God in u.” En : “Allen die door de Geest van God worden geleid zijn kinderen Gods en kunnen Hem aanroepen als “Abba”, Vader.” Hieruit blijkt dus dat Paulus heel positief denkt over de mogelijkheden van de mens. Dat Paulus in feite positief denkt over de mogelijkheden van de mens raakt echter uit het zicht door zijn uitspreken over de menselijke natuur. Om het lezen van Paulus wat makkelijker te maken zou ik bij wijze van experiment willen voorstellen om daar waar Paulus  over de menselijke natuur spreekt , het woord “natuur“ te vervangen door “ego” En met “ego” bedoel ik de overlevingsdrang waarmee God ons geschapen heeft. We worden ermee geboren. Wanneer we als baby honger hebben gaan we huilen zodat onze moeder zal komen om ons te voeden. Daar hoefden we niet over na te denken daar zorgde ons ego voor. Wanneer we plotseling voor vuur staan dan deinzen we terug. Daar hoeven we niet over na te denken. Daar zorgt ons ego voor. En zo springen we dankzij ons ego ook zonder nadenken opzij wanneer een auto op ons afkomt.
Later in ons leven zorgt ego ervoor dat we overleven door naar school te gaan, een vak te leren zodat we in ons levensonderhoud kunnen voorzien. Ook daar denken we niet zo over na. Ons ego geeft ons dat in.
Ons ego is onze overlevingsdrang. En dat betekent dat wij egocentrisch zijn. We zijn gericht op overleven. Egocentrisch is niet egoïstisch. Egoïstisch is een negatieve kwalificatie. Maar om te leven moet je wel egocentrisch zijn. In het overleven sta je zelf in het middelpunt anders zou je niet overleven. Ons ego is dus een gave van God.
Ons ego helpt ons om te overleven maar wanneer we wat ouder worden, wanneer we de gevaren van onze jeugd overleefd hebben, wanneer we een plaats in de samenleving veroverd hebben, dan kan ego zich een beetje gaan ontspannen. In noodsituaties hebben we ego nog steeds nodig om te overleven maar er zijn steeds meer situaties waarin we ego kunnen loslaten. Steeds vaker hoeven we niet meer egocentrisch te zijn maar kunnen we de ander met hoofdletter en met kleine letter, God en medemens , het centrum van ons leven laten zijn.

Om dit aan te duiden gebruikte Jezus het mooie beeld van de graankorrel. “Wanneer de graankorrel niet in de aarde valt en sterft kan hij geen vrucht voortbrengen.” In de graankorrel zit een kiem. Om de graankorrel zit een hard vlies om de kwetsbare kiem te beschermen. De kiem kan pas ontkiemen wanneer het harde vlies openbarst en ruimte geeft. Dit harde vlies is ons ego. De kiem dat is de mens die wij kunnen zijn. Dat is de mens die roept “Abba”, Vader.

Ik heb nu het idee dat Paulus wanneer hij spreekt over de menselijke natuur hij het heeft over ons ego. Zo schrijft hij in Romeinen 8: 5: “Wie zich door zijn eigen natuur laat leiden is gericht op wat hij zelf wil, maar wie zich laat leiden door de Geest, is gericht op wat de Geest wil.“
Wanneer je leest wat Paulus schrijft over de menselijke natuur, dan lijkt hij een heel negatief mensbeeld te hebben. Maar wanneer je, je realiseert dat hij wanneer hij spreekt over de menselijke natuur, hij het alleen over onze ego heeft, over onze overlevingsdrang, dan begrijp je dat hij het heeft over het harde vlies rond de graankorrel . Hij spreekt niet negatief over de kiem. Die ziet hij juist als uiterst positief. Die kiem dat is het kind van God in ons. Die kiem die uitroept: “Abba“, Vader.!

Wat kunnen wij nu zeggen over het wezen van de mens? Is de mens geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed of deugen de meeste mensen?

Ik denk dat wij in wezen goed zijn. We zijn geschapen door God. Wat uit God’s handen komt is goed. God heeft ons geschapen naar zijn beeld en gelijkenis. Ons wezen is Gods beeld en gelijkenis te zijn. De kiem in de graankorrel van ons ego is Gods beeld en gelijkenis.
In de loop van ons leven wordt het harde vlies van ons ego zachter en zachter. Dat is het werk van de zon van Gods liefde. Die zon overstraald ons, geeft ons licht en verwarmt ons. Ons ego wordt zachter en dunner en breekt open. De mens die we kunnen zijn wordt geboren. God en medemens en de schepping komen centraal te staan in ons leven.

Op weg naar Damascus  was de Opgestane Heer in een visioen aan Paulus verschenen. Dat was een bekeringservaring voor hem. En dan lijkt het alsof bij Paulus dat harde vlies van zijn ego er toen in één keer openbarstte en van hem af viel en hij in de rest van zijn leven alleen nog God en medemens centraal stelde.
De meeste mensen maken echter niet zo’n plotselinge en totale bekeringservaring mee. Bij de meeste mensen is het dunner worden van het vlies om de graankorrel van het ego  en het openbarsten ervan een proces dat levenslang duurt.
Dat brengt ook een zekere strijd met zich mee. We kunnen de spanning gaan voelen tussen het leven vanuit ons ego en het leven vanuit de kiem van de graankorrel, de mens die wij kunnen zijn. We kunnen worstelen met ons egocentrisme. We kunnen ons schuldig voelen vanwege ons egocentrisme. In Romeinen 7 laat Paulus ons delen in zijn worsteling hiermee. Hij schrijft :  “Ik wil het goede wel maar het goede doen kan ik niet. Wat ik verlang te doen, het goede laat ik na. Wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik….Wie zal mij ongelukkig mens hieruit redden? “ En dan antwoordt hij: “God zij gedankt door Jezus Christus onze Heer en door de Heilige Geest.“

Wanneer wij bij onszelf opmerken dat we egocentrisch denken en handelen, dan moeten we onszelf dat niet al te zeer kwalijk nemen. God heeft ons geschapen met een ego, met een overlevingsdrang, die ons egocentrisch maakt.

Op het moment dat we ons egocentrisme opmerken vallen we er al niet meer mee samen, hebben we er al afstand van, zijn we al meer kiem dan hard vlies om de graankorrel.

Op het moment dat we ons egocentrisme waarnemen zijn we al op weg te worden wie we ten diepste al zijn: kinderen van God, die roepen: “Abba, Vader.”

Amen.

 

 

16 januari 2022

Lezing: Psalm 2, 1-19   Handelingen 9, 1-22
Voorganger: ds. Dick van der Vaar

De roeping van Saulus

Gemeente van Christus,

Paulus verschijnt op het toneel ongeveer 2 jaar na de dood van Jezus. Dat zal in het jaar 32 of 33 na de geboorte van christus geweest zijn. Hij werd geboren in de havenplaats Tarsus dat in het tegenwoordige Turkije ligt. Als kind verhuisde hij met zijn ouders naar Jeruzalem. Hij liet zich voorstaan op zijn onberispelijke joodse afkomst. Hij schrijft in Fillipenzen 3:“Ik werd besneden toen ik acht dagen oud was en behoor tot het volk van Israël, tot de stam van Benjamin, ik ben een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een Farizeeër en heb de gemeente fanatiek vervolgd. Aan wat er in de wet aan gerechtigheid staat voldeed ik volledig.“

Paulus zal onderwijs hebben gevolgd aan een Griekstalige joodse school in Jeruzalem. Hij sprak vloeiend Grieks . Hij had het Eerste Testament in het Grieks gelezen. En was ook geschoold in de retorica: de redenaarskunst.
Paulus was een Farizeeër. De Farizeeën probeerden zich heel nauwkeurig te houden aan de voorschriften van de Joods wet. Vooral ook de reinheidsvoorschriften waren voor hen belangrijk. Zo mochten joden niet aan één tafel eten met niet-joden. Dat zou ze onrein maken.  Israël werd bezet door de Romeinen. Daardoor dreigde het geloof in de God van Israël te verwateren. Omdat te voorkomen benadrukten de Farizeeën het belang van de Joodse wetsvoorschriften. Jezus relativeerde de wet. Hij zei dat de wet er voor de mens was en de mens er niet voor de wet. Daarom hadden de Farizeeën grote moeite met Jezus.

Waarom vervolgde Paulus de christenen ? Dat deed hij omdat zij Iemand vereerden die door de Romeinen als een opstandeling terecht was gesteld. Paulus was bang dat wanneer de Romeinen hier lucht van kregen zij een stafexpeditie zouden kunnen sturen die moordend zou kunnen rondtrekken en Jeruzalem zou kunnen vernietigen. Dat Paulus’ angst niet ongegrond was bleek dertig jaar later. Als vergelding van de Joodse opstand werden de joodse inwoners van Damascus  door romeinse soldaten bijeengedreven in de arena en binnen een uur gedood.
Paulus vervolgde de christenen omdat ze 1. In navolging van Jezus de wet relativeerden. 2. Hij bang was dat de Romeinen de Joden zouden vervolgen omdat een deel van hen Iemand vereerden die als opstandeling gekruisigd werd.

Een derde reden waarom Paulus de christenen vervolgde was dat hij gruwde van het geloof van de christenen dat God Jezus had opgewekt uit de dood en Hij plaats genomen zou hebben aan de rechterhand van God. Als Farizeeër waren de reinheidswetten voor hem van wezenlijk belang. Wanneer hij per ongeluk met een dode in aanraking was gekomen dan moest hij eerst een rituele wassing ondergaan om weer rein te worden. En nu zou God een dode tot leven hebben gewekt en Hem plaats hebben laten nemen aan zijn rechterhand ?“ En niet zo maar een onreine dode, maar een dode die dubbel onrein was  omdat Hij aan het kruis gestorven was? God zou deze onreine dode de woorden hebben toegesproken uit psalm 2: “Jij bent mijn zoon, Ik heb je vandaag verwekt.” De woorden die werden uitgesproken in de tempel in Jeruzalem wanneer een nieuwe koning zijn troon besteeg.

Voor Paulus voor wie als Farizeeër  het onderscheid tussen rein en onrein van wezenlijk belang was, was dit ondenkbaar. En met de tegenstelling rein en onrein was ook de tegenstelling jood en niet-jood van wezenlijk belang. Jood was rein. Niet- jood onrein. Daarom mocht een jood niet met een niet-jood aan tafel zitten, wat Jezus wel deed.

Om het geloof in de God van Israël veilig te stellen en om een strafexpeditie van de Romeinen te voorkomen, zag Paulus het als zijn plicht om de christenen te vervolgen. Omdat hij gehoord had dat Grieks sprekenden christenen het evangelie verkondigden in de synagoge in Damascus, ging hij er naartoe om ze te arresteren en de joodse gemeente te waarschuwen voor het gevaar van een Romeinse strafexpeditie (die dus dertig jaar later ook plaatsvond.)

Wat er dan gebeurt zet zijn leven op de kop. Hij zit op zijn paard en rijdt richting Damascus. Plotseling wordt hij omstraald door een licht uit de hemel. Hij valt van zijn paard en hoort een stem zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?” Hij vroeg: “Wie bent u, Heer?” Het antwoord was: “Ik ben Jezus die jij vervolgt.” Het licht was zo helder dat Paulus drie dagen lang niets ziet. En het gebeuren maakte zo’n indruk op hem dat hij drie dagen niets kan eten en drinken. Dan komt hij weer tot zichzelf. Staat op en begint overal te verkondigen dat Jezus, de gekruisigde, door God opgewekt is uit de dood en plaats heeft genomen aan de rechterhand van God en onderscheid tussen rein en onrein, jood en niet-jood daarmee opgeheven is.

De problematiek van rein en onrein  waar Paulus mee worstelde lijkt wat ver van ons af te staan. Maar de grote ontdekking van Paulus was dat in Christus niet alleen het onderscheid tussen Jood en niet – Jood maar ook allerlei andere menselijke onderscheidingen wegvallen.
In Galaten 3:28 schrijft hij: “Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus.”

Paulus was hiermee zijn tijd ver vooruit. In onze tijd is het voor de lhbtq- gemeenschap nog steeds nodig om op te komen voor hun rechten en om duidelijk te maken dat een geaardheid anders dan de hetero-sexuele evenveel waarde en recht van bestaan heeft als de hetero-sexuele.

En in onze tijd moeten mensen met een andere huidskleur dan de witte nog steeds duidelijk maken dat zij gelijkwaardig zijn aan witte mensen.
Paulus zou zeggen: “Er zijn geen Joden of Grieken meer, geen heren of slaven, geen mannen of vrouwen, geen hetero’s of homo’s, geen witten of zwarten. We zijn één in Christus.”

Wat bedoelde Paulus met de woorden: “We zijn één in Christus?”  Christus, betekent “Gezalfde” en is de eretitel die aan Jezus gegeven werd. Bij zijn doop brak de hemel open en daalde de Heilige Geest op Jezus neer in de gedaante van een duif. Jezus werd gezalfd met de Heilige Geest. En hij hoorde een Stem uit hemel zeggen: “Jij bent Mijn zoon , in jouw vind ik vreugde.” Deze woorden drongen diep door in Jezus hart en ziel en lichaam. Hij voelde zich intens bemind door God.  En omdat hij zich zo door God geliefd voelde, omdat hij Zich Zoon van God voelde, voelde Hij dat zijn medemensen zijn broeders en zusters waren en voelde Hij een grote liefde voor hen.

Wanneer wij tot onze laten doordringen dat God ook tegen ons die woorden sprak die hij tot Jezus sprak: “Jij bent mijn kind. In jou vind ik vreugde.” Dan kunnen ook wij ons ten diepste bemind voelen door God. En dan zien wij ook dat onze medemensen onze broeders en zusters zijn en al die menselijke onderscheidingen Jood/Griek, heer/slaaf , man/vrouw, homo/hetero, wit/zwart wegvallen en we allen één in Christus zijn.

Een aanschouwelijk beeld van die eenheid kan het beeld zijn van de oceaan en zijn golven. God is de oceaan. De mensen zijn de golven. Zoals de golven deel zijn van de oceaan zo zijn wij mensen deel van God. Zoals de golven doordrongen zijn van het water van de oceaan. Zo zijn wij doordrongen van God. Zoals de golven worden gedragen door de oceaan . Zo wordt ons bestaan gedragen door God. De golven bestaan niet los van de oceaan en niet los van elkaar. Witte golven, zwarte golven, mannelijke golven, vrouwelijke golven, hetero golven, homo golven ze worden allemaal gedragen door dezelfde oceaan, ze zijn allemaal gemaakt van hetzelfde water, ze zijn allemaal één met de oceaan en met elkaar.

Amen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9 januari 2022

Lezingen: Jesaja 42 en Titus 3
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Paulus schrijft in zijn brief aan Titus:
“Herinner allen eraan dat ze overheid en gezag moeten erkennen en gehoorzaam moeten zijn…” Titus 3: 1

Door mensen die studie hebben gemaakt van het N.T en de cultuur waarin de brieven van Paulus geschreven werden, wordt gediscussieerd over de vraag waarom Paulus oproept tot gehoorzaamheid aan de overheid. Waarschijnlijk is het zo dat die eerste christenen na verloop van tijd wat zweverig begonnen te worden. Ze waren zo vol van het evangelie en van de hoop op de spoedige komst van het Koninkrijk van God en zo vol van de Heilige Geest, dat ze weg zweefden uit het aardse leven.

Wanneer het Rijk van God ieder moment kan aanbreken dan is een overheid niet meer nodig. En wanneer je je helemaal laat leiden door de Heilige Geest hoef je wetten niet meer te gehoorzamen. Door op te roepen tot gehoorzaamheid aan de overheid grijpt Paulus de wegzwevende mensen bij de enkels en zet hij ze weer met beide benen op de grond. Het gaat in het evangelie niet om het leven in de hemel of om het leven in rijk van God dat na de geschiedenis zou aanbreken. Het gaat in het evangelie om het leven op aarde. Hier en nu wil het worden geleefd. Jezus wees ons de weg op aarde. Wij worden geroepen Hem na te volgen. Wij worden geroepen in zijn voetstappen te lopen. En die voetstappen zette Hij op aarde.

De oproep van Paulus om de overheid te gehoorzamen heeft in de kerkgeschiedenis telkens opnieuw aanleiding gegeven tot de vraag hoever die gehoorzaamheid gaat. Het antwoord was dikwijls: “Je moet de overheid gehoorzamen maar je moet God meer gehoorzamen dan de overheid. Wanneer de overheid iets van je vraagt dat tegen de wil van God ingaat dan mag je dat weigeren.”
Een voorbeeld daarvan in de recente geschiedenis waar uzelf wellicht nog wel ervaring mee hebt opgedaan is de militaire dienstplicht. Op grond van gewetensbezwaren weigerden jonge mannen de dienst in te gaan. En gelukkig had onze overheid daar begrip voor. Paulus riep waarschijnlijk ook op tot gehoorzaamheid aan de overheid omdat hij de overheid zag als een institutie die door God Zelf was ingesteld. Zonder overheid die een maatschappelijke orde aanbrengt en deze bewaakt en opkomt voor het algemeen belang en recht en gerechtigheid, zou de samenleving een chaos worden. Dit kunnen wij in onze tijd nog meevoelen.

Nog niet eerder heb ik als predikant gesproken over dit onderwerp. Het leek niet nodig. Maar nu leven we in een tijd waarin gehoorzaamheid aan de overheid niet meer vanzelfsprekend is. Ondanks een vuurwerkverbod steken mensen toch massaal vuurwerk af. Ondanks een demonstratieverbod gaan mensen toch demonstreren. In sommige delen van de samenleving heerst er zelfs wantrouwen tegenover de overheid. Waar komt dat wantrouwen vandaan? Het beleid dat de overheid voerde en voert rond de afhandeling van de schadeclaims in Groningen. De onrechtvaardige behandeling van slachtoffers van de toeslagenaffaire. De wijze waarop de overheid de boeren regels oplegt om de stikstof uitstoot te beperken. Deze zaken worden genoemd als verklaring van het wantrouwen tegenover de overheid. En hierbij kunnen we meen ik ook denken aan de armoede waarin vele mensen in achterstandswijken moeten leven. Het wantrouwen en het gevoel achtergesteld te worden en onrechtvaardig behandeld te worden, dikwijls terecht, soms onterecht, roept grote boosheid op. Boosheid die we telkens terugzien in de journaals waar mensen hun woede uiten in demonstraties.

Het is denk ik niet toevallig dat Paulus in zijn brief aan Titus de oproep tot gehoorzaamheid aan de overheid direct laat volgen door een oproep vredelievend en vriendelijk te zijn:“Herinner allen eraan dat ze overheid en gezag moeten erkennen en gehoorzaam moeten zijn, bereid om altijd het goede te doen, dat ze van niemand mogen kwaadspreken, vredelievend en vriendelijk moeten zijn en zich tegenover iedereen zachtmoedig moeten gedragen.”
Begrijpt u mij goed. Mijn preek is geen pleidooi om mensen die onrecht wordt aangedaan de mond te snoeren. Wanneer je onrecht wordt aangedaan dan is je kwaadheid een rechtvaardige kwaadheid die er mag zijn, die geuit mag worden, die geuit moet worden en waarop gereageerd moet worden door herstel van recht.
Mijn preek komt voort uit bezorgdheid. Al jarenlang beïnvloedt de boosheid van de Amerikaanse Republikeinen o.l.v. Donald Trump ook onze samenleving. De boosheid die in de V.S. het leven beheerst dringt ook door in onze samenleving. In Amerika werd de strijd tussen Republikeinen en Democraten eerst vooral in de politiek gevoerd maar deze week las ik in Trouw dat de strijd zich nu verplaatst naar de scholen. Republikeinse ouders willen niet meer dat leraren zich uitspreken tegen racisme. Daarom proberen ze Republikeinse schoolbesturen te vormen die vervolgens de leraren hun wil kunnen opleggen. Zo ontstaat er steeds meer boosheid en twist. In Nederland moeten we het niet zover laten komen. We moeten onszelf niet in de greep van dit soort boosheid laten komen. Boosheid die gemakkelijk de kop opsteekt wanneer we spreken over wel of niet vaccineren, wel of geen lock-down, wel of geen corona pas, wel of geen maatregelen tegen klimaatopwarming, wel of geen verhoging van uitkeringen of het minimumloon.

In dit verband zijn de woorden van Paulus actueel voor ons:
“Herinner allen eraan dat ze van niemand kwaad mogen spreken, vredelievend en vriendelijk moeten zijn en zich tegenover iedereen zachtmoedig moeten gedragen.”

Op deze zondag lezen we jaarlijks het verhaal over de doop van Jezus. Nadat Jezus ondergedompeld was in het water van de Jordaan en weer uit het water oprees, klonk een Stem uit de hemel: “Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde.”  Jezus werd ons door God aangewezen als lichtend voorbeeld. In Jesaja 42 wordt duidelijk gemaakt hoe Hij een lichtend voorbeeld is. God zegt daar:
“Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen,
Hij is mijn uitverkorene, in hem vind Ik vreugde
Ik heb hem met mijn Geest vervuld.
Hij zal alle volken het recht doen kennen.
Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet,
Hij roept niet luidkeels in het openbaar;
Het geknakte riet breekt hij niet af,
De kwijnende vlam zal hij niet doven.
Het recht zal hij zuiver doen kennen.
Ongebroken en vol vuur
Zal hij het recht op aarde vestigen
De eilanden zien naar zijn onderricht uit.”

Het is met deze inhoud dat Jezus als lichtend voorbeeld voor de mensheid wordt gesteld. Hij rijst op boven de wereld als het standbeeld van Jezus boven Rio de Janeiro. Wanneer mensen spreken over politiek dan zouden ze voortdurend het beeld van Jezus voor ogen moeten houden. Zijn zachtmoedigheid, Zijn vriendelijkheid: “Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet, hij roept niet luidkeels in het openbaar.. “Maar hoe vriendelijk en zachtmoedig ook: “Het recht zal hij zuiver doen kennen. Ongebroken en vol vuur zal hij recht op aarde vestigen.” “Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen, hij is mijn uitverkorene in hem vind ik vreugde. Ik heb hem met mijn Geest vervuld. Alle volken zal hij het recht doen kennen. “

We zouden een beeld van Jezus moeten bouwen dat zo groot is dat het in heel Nederland te zien zou zijn. En wanneer we dan spreken over onderwerpen die de gemoederen gemakkelijk kunnen verhitten, dan kunnen we naar het beeld kijken en even kalmeren.

Oprechte boosheid en woede is menselijk en niet erg. Het mag er zijn. Boosheid en zachtmoedigheid sluiten elkaar niet uit. Maar laten we er voor waken dat we een samenleving creëren die vergiftigd wordt door boosheid zoals dat in de V.S. het geval is.

Moge het lichtend voorbeeld van Jezus ons hierbij helpen!

Amen.

 

 

2 januari 2022

Overdenking                   02-01-2022                     Oosterkerk

Lezing: Jesaja 60, 1-6     Mattheüs 2, 1-12
Voorganger: mevr. Rieke van Dijk-Veenstra

Lieve mensen van God, gemeente van Jezus Christus,

Een nieuw jaar ligt voor ons.
Hoe zal het worden?
Welke weg zullen we gaan?
Kunnen we zelf kiezen hoe we dit jaar gaan invullen?
Voor een groot deel niet.
Wij zitten hier in een praktisch lege kerk en kunnen elkaar vanmorgen hier niet ontmoeten om elkaar een Goed Nieuwjaar toe te wensen.
We weten nu maar al te goed dat er soms niet veel te kiezen valt.
Veel dingen overkomen je, daar heb je geen zeggenschap over.
Maar toch………..binnen dat wat je overkomt, kun je nog heel wat kiezen en sturen.

Dat leert ons het verhaal van Matteüs vandaag.
Over de drie koningen, de Godzoekers.
Wat voor mensen zijn het?
We weten niet zoveel van deze magiërs.
Maar in hun kostbare geschenken – goud, wierook en mirre – proef je de Koninklijke status.
Anders zouden ze in Jeruzalem ook niet zomaar het hof van Herodus binnen hebben kunnen lopen.
En de woorden van Jesaja en Psalm 72 klinken er in door.
De volken zullen optrekken naar Jeruzalem en hun geschenken brengen aan de zoon van David.
Het is dus allerminst vreemd om deze magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan te treffen.
Maar we weten niet echt veel van ze.
Waar ze vandaan komen……..
Met hoeveel ze waren en hoe ze werkelijk heten……..
Zijn het koningen?
Dat zegt Matteüs in elk geval niet.
Magiërs is het woord dat hij gebruikt.
Magiërs, wetenschappers, die de sterren bestuderen.
Zelf noem ik ze het liefst de drie wijzen uit het Oosten.
Zoals de oude Statenvertaling het vertaalt.
Wijsheid is altijd een houding van openheid.
Wijsheid groeit waar mensen door een nieuwe ervaring onrustig worden en op zoek gaan naar antwoorden.
Matteüs voert deze drie wijzen op als de eerste Godzoekers,
de eerste zoekers naar de Godsgezant.
Met het goud dat verwijst naar Jezus als koning,
Met wierook dat wijst op zijn goddelijke afkomst.
En de mirre, de zalving, wijst vooruit naar zijn dood en begrafenis.
Het leven van het kind van Bethlehem – zijn oorsprong en zijn bestemming.
Deze wijzen uit het oosten: het zijn vreemdelingen,
mensen van buitenaf, maar toch….
Ver staan ze niet van ons af.
Zij zijn mensen als wij, op zoek naar houvast, richting, naar oriëntatie.
Misschien wel op zoek naar nieuwe wegen.
Doet het niet denken aan onze eigen levensreis?
Wanneer je een nieuw jaar ingaat, sta je daar extra bij stil.
Wat laat ik achter me……
Waar zal de weg me dit jaar brengen?…..
Welke kant moet het op…..  met mijn leven?
Hoe moet het verder met die verwarrende wereld waarin wij leven?
Met corona, onzekerheid, groepen die tegen elkaar opstaan.
Wat of wie wijst ons de weg vandaag in alles wat op ons af komt?
En natuurlijk zul je ook in 2022 twijfelen, moedeloos worden, omwegen maken en vergissingen.
Dat is nu eenmaal zo.
Maar misschien zijn dat juist wel nieuwe kansen voor nieuwe vragen en nieuwe wegen.
Kijk naar de drie wijzen.
Zeker zullen ze onderweg gedacht hebben: wat zijn we aan het doen?
Vanwege een nieuwe ster alles achter je laten en je leven op het spel zetten,
een zoektocht vol gevaren en ongewisse resultaten.
Maar ze gingen door.
En ze hebben werkelijk een vermoeden waar ze het zoeken moeten.
Want ze hebben een ster gezien.
Een koningsster.
En zij hebben de moed om hun wereld van wetenschap en denken achter zich te laten.
Mét, ik zei het al, een vermoeden van een heel ander leven.
Misschien het vermoeden van een God, een macht, die groter, anders is dan het lot.
En zo verbindt Matteüs dit verhaal aan het verhaal van Jesaja: die grote droom van heil en zegen.
De profeet Jesaja spreekt over het stralende licht dat gaat schijnen over de donkerheid van de aarde.
Hij vertelt ons van vreemdelingen die zich laten leiden door dat licht.
En juist daarom is het zo goed vandaag met deze wijzen mee op weg te gaan.
Als je grenzen overgaat en het onbekende wilt ingaan, moet je openstaan en leren loslaten….
En weer proberen verder te gaan.
En dat is soms best moeilijk.
Ik ben me er van bewust dat dit soms jaren kan duren….
Bijvoorbeeld als je een geliefde hebt verloren, of een relatie is verbroken, als je je baan kwijt bent.
Zo kan er veel zijn op onze levensreis, waaruit we moeten opbreken en onze weg moeten zoeken.
En dan kan het zo maar gebeuren dat je de verkeerde kant op gaat.
Immers, we horen dat de wijzen in plaats van in Bethlehem in Jeruzalem aankomen.
Het scheelt maar een paar kilometers, maar het scheelt intussen wel een hele wereld.
Want in Jeruzalem heerst die andere koning: Herodes.
En het lijkt me belangrijk te horen dat ze daar eerst aankomen.
Je kunt daar kennelijk niet om heen.
Op je zoektocht bots je daar altijd een keer tegen aan.
Herodes, we kennen hem in wezen zo goed.
Herodes, bijgenaamd de Grote.
De geschiedenisboekjes vertellen het ons: hij was de man die uit angst voor concurrentie bijna zijn hele familie liet ombrengen.
En we weten dat Matteüs straks vertelt hoe hij alle kinderen tot twee jaar laat vermoorden.
Deze Herodes schrikt nergens voor terug.
Bij dit alles speelt angst een grote rol.
Bang als hij is dat zijn positie op het spel staat.
Bang dat een ander hem zal overvleugelen.
Is hij goed beschouwd ook niet het bange mensje dat we zelf vaak zijn?
Misschien herkennen we wel iets van ons zelf in Herodes.
Bang vooral dat je zelf te kort komt.
Hoe vaak laten we ons niet leiden door dat soort angst?
Angst voor de ander. De ander als concurrent.
Angst voor de radicalisering in de maatschappij.
Angst voor het toenemende geweld in de wereld.
Angst voor alle vluchtelingen die ons land binnen komen.
De wereld stond niet en staat niet te wachten op de naam van Jezus, op zijn boodschap van Heil en vrede.
Nou ja, de wereld voor zover die wordt vertegenwoordigd door mensen als Herodes.
De wereld van de machthebbers en de wereld van het grote geld, de mensen die zo graag de baas willen spelen.
Het is wel duidelijk, hier moeten de magiërs niet zijn.
We horen hoe de Schriften er aan te pas moet komen om de weg verder te wijzen.
Want Herodes, geschrokken als hij is, roept alle hogepriesters en schriftgeleerden bij elkaar.
En deze vertegenwoordigers van het geloof kunnen precies vertellen welke kant de wijzen op moeten gaan.
Maar zelf blijven ze zitten.
Zelf komen ze niet in beweging.
Ze gaan niet mee naar Bethlehem.
Het kan dus zomaar gebeuren dat je de tekens niet verstaat en niet op weg gaat.
En de wijzen?
Ze staan weer buiten in de nacht.
Maar dan komt het verrassende: ineens zien ze weer die ster.
Ik vind dat prachtig zoals dat verteld wordt.
Het staat er heel nuchter: toen ze de koning hadden aangehoord, gingen ze weer op weg…
Maar waar naartoe nu eigenlijk?
Soms weet je als mens helemaal niet meer wat je moet geloven en welke kant het op moet.
Maar dan is er opeens weer die ster.
Want zo staat het er:
De ster die ze hadden gezien, ging voor hen uit, tot boven de plek waar het kind was.
Hun zoeken, het is niet voor niets.
Heel hun zoektocht, uiteindelijk leidt die ergens toe.
Naar dat kind.
Het kind, dat later het “Licht van de wereld’ genoemd zal worden.
Het zijn niet alleen de grootmachten die het voor het zeggen hebben.
Naast Herodes, maar meer nog tegenover hem, wordt verteld van een ander koningschap.
Want daar draait natuurlijk het hele verhaal om, dat we daar uitkomen:
Bij die andere koning, niet bijgenaamd de Grote, maar het kleine kind.
Een koning zo klein en weerloos als een kind.
Maar dat maakt hem straks wel slachtoffer te midden van de slachtoffers.
Al snel, straks, een vluchtelingenkind.
En uiteindelijk een uitgerangeerde, een Gekruisigde.
Messias wordt hij genoemd: God redt.
Er is een God die naar ons omziet, de stille kracht van de kwetsbare liefde,
de macht van de menselijkheid.
Dát licht is de wijzen opgegaan.
Zij gaan door de knieën en aanbidden dit kind.
Aanbidden betekent dat ze iets zien van Gods aanwezigheid in die ster en in dit kind.
En we horen, heel mooi, dat ze langs een andere weg naar huis terug keren,
Een andere weg, om Herodes heen…
Een weg, hoe moeilijk ook, kennelijk ook voor ons mensen toch begaanbaar is.
Wat er anders is geworden in hun leven?
We horen er verder niets van, want de wijzen verdwijnen voorgoed uit beeld.
Maar er is hun- dat is zeker- in elk geval een licht opgegaan.

Durven ook wij zo op reis te gaan, op zoek naar dat licht?
Als een bron van kracht en moed en geloof.
Wetend dat God met je zal zijn op de weg die je gaat.
Ook al snap je niets van de diepe dalen die er soms zijn, van je dwalen, je verdriet of twijfel……..
Wat kunnen mensen om je heen dan belangrijk zijn.
Mensen, die je moed geven, die je bijstaan, die je troosten, die je een por in de rug geven,
eten en drinken onderweg en je geestelijk begeleiden.
Een nieuw jaar ligt voor ons.
Een heel jaar om op weg te gaan, samen als gemeente.
Gelovend in dat licht.
Dat ons is gegeven met de eerste dag toen God riep: Er zij licht.
Een God-Stem die tegen duisternis, verdriet en dood in
‘Licht’ roept, levenslicht, overlevingslicht.
Waarvan we straks ook zullen zingen (Lied 500)

Uit uw verborgenheid,
voorbij aan onze grenzen
straalt lichte eeuwigheid
als daglicht voor de mensen

 

Dat we in dat licht mogen blijven geloven.
Ons er door laten inspireren.
Juist in deze tijd van corona.
Een nieuwe toekomst tegemoet.
Maar wel samen, elkaar tot steun,
een luisterend oor, een arm om je heen.
Elkaar tot bondgenoot.
Op een weg naar leven met uitzicht.
En daarbij wens ik ons allen Gods heil en zegen toe.
Amen.

 

 

 

19 december 2021

Lezingen: Psalm 8    Lucas 1, 39-46a
Voorganger: ds. J. Katerberg, Borger

Lieve mensen van God,

Het is crisistijd, dat zal u niet ontgaan zijn.
Er is de coronapandemie natuurlijk. Maar ook de vluchtelingencrisis.
En dan nog de enorme klimaatcrisis die schier onoplosbaar lijkt.
Grote onvrede ook over de groeiende kloof tussen rijk en arm.
Want in de eerste plaats zullen de toch al armsten in deze wereld
de dupe worden van deze crises en vervolgens wij allemaal.
Er wordt op allerlei niveau topoverleg gevoerd,
maar het cynisme voert bij velen de boventoon.
Ieder blijft toch vechten voor zijn eigen kleine en grote belang,
en hoe de wereld er over honderd jaar uitziet zal ze een zorg zijn,
de machthebbers in deze wereld, zo wordt er veel gedacht.
Misschien is dat wel waar en moeten we de aanpak van deze crises
niet langer alleen maar overlaten aan de vertegenwoordigers
van de geld- en groei-economie, maar in eigen hand nemen. Hoe?
Nee, ja natuurlijk óók door de goede producten te kopen,
en niet altijd alleen maar de goedkoopste, als dat financieel kan natuurlijk
en door ook anderszins mee te doen met allerlei duurzame initiatieven
en de verspilling van energie tegen te gaan, bijvoorbeeld.
Maar vanmorgen zitten we in de kerk of beleven de dienst thuis mee,
en vragen we ons af of ook onze kerkgang zelf, ons zingen en ons bidden dus,
heel ons geloven, wellicht óók iets bijdraagt in de richting van een oplossing
van de verschillende crises. Huh, hoor ik al iemand denken: moet dat dan?
Ik ben juist blij dat ik één dag in de week, één uurtje, eens even níet
om de oren wordt geslagen met al die problemen…..
Dat valt te begrijpen, maar we kunnen en willen niet om Maria heen.
Maria, een meisje, een vrouw die zwanger is in crisistijd.
En het zou wel eens zo kunnen zijn dat haar lied, haar lofzang
van alles te maken heeft met de crisis waarin ook ónze wereld zich bevindt.

Maria is als mens in elk geval grote verlegenheid, kun je wel zeggen:
veertien jaar misschien, te jong want zwanger en geen man.
Dat was in die tijd letterlijk levensgevaarlijk, zoals nog steeds trouwens
in veel landen van het Midden-Oosten.
Waar zal haar grote geheim, dat haar haast nog té groot is, veilig zijn?
Dat is de ene kant van Maria, haar crisiskant. Ze is zó kwetsbaar.
Maar er is ook een andere kant in haar: van een ontluikend groot geluk.
Met wie zal ze het kunnen delen, dat grote geluk van binnen?
Wie zal haar begrijpen en niet veroordelen?
Met grote haast gaat ze op weg naar haar nicht Elizabeth.
Over haar gingen er ook vreemde praatjes rond: te oud en toch zwanger.
Als daarom bij iemand Maria’s geheim veilig is, dan zeker toch bij háár.
Beiden stonden ze er niet bepaald goed op, zeg maar.
En alleen blijven met angst of verdriet is niet goed voor een mens.
Alleen blijven met je blijdschap, hoe groot ook, dat gaat ook haast niet.
Het moet eruit, alle angst; het wil gedeeld, alle geluk van de wereld.
En met wie zou ook dat beter kunnen dan met Elizabeth?

De grote haast van Maria is een eerste aanwijzing voor wat ook ons te doen staat:
ook wij zijn immers in crisis en ook wij verwachten iets heel geweldigs, net als Maria.
Ja, ook voor ons lijkt het noodzakelijk om in de benen te komen.
Om niet te blijven steken in het cynisme van het-wordt-toch-nooit-wat
met een radicale aanpak van de crisis, of in het onverschillige van
het-zal-mijn-tijd-wel-duren en ze-zoeken-het-maar-uit.
Dat doe je niet als je in blijde verwachting bent, onverschillig of cynisch zijn.
Nee, je komt haastig in de benen om elkaar op te zoeken.
Om de angst te delen, maar vooral om de grote blijdschap te delen,
om wat komen gaat: de komst van een heel ander bestel.
En dat doe je het liefst elke zondag opnieuw, want er is weinig tijd.
En je roept met Maria: geloof met me mee asjeblieft!

Op het moment dat Maria en Elizabeth elkaar ontmoeten
is de angst verdwenen en de gezamenlijke, grote blijdschap overheerst.
O zeker, de angst om de roddels, om het gevaar ook,
ze hebben het ongetwijfeld met elkaar gedeeld, maar we lezen er niets over.
Een diepe vreugde wordt zichtbaar in dit kostbaar samenzijn.
Een vreugde die eruit komt in een prachtig lied van Maria.
Het doet haar zingen en van de toekomst dromen.
Nee, haar lied is geen voorspelling van wat gebeuren gaat.
Het is ingegeven door de omstandigheden,
door de grote crisis waar Maria zich middenin bevindt:
haar land is bezet door vreemde overheersers en in Galilea,
haar landstreek, is het buitengewoon roerig door opstanden en aanslagen.
Je bent je leven niet zeker.
Het verschil tussen arm en rijk is erg groot en het recht is ver te zoeken.
De sterkste krijgt wat hij wil.
En dát ziet Maria allemaal gaan veranderen:
de messias die komt zal koning zijn en Israël komen redden.
Hij zal armen en geringen oprichten en heersers een toontje lager doen zingen.
Hongerigen zullen overladen worden en rijken staan met lege handen.
Maria gelooft mét de komst van haar kindje in een andere, betere wereld.

Haar lied lijkt een bijna overmoedig visioen.
Zingend stijgt Maria boven zichzelf uit en boven de realiteit van elke dag.
En misschien stijgt ze zelfs uit boven Jezus,
want een sociaal-politieke messias blijkt Jezus toch niet te zijn, later.
De Romeinen heeft hij niet weggejaagd,
de verhoudingen tussen arm en rijk heeft hij niet veel anders gemaakt
en machtigen als Herodes en Pilatus bleven gewoon zitten waar ze zaten,
laat staan de keizer in Rome.
Hij zou het allemaal wel hebben gewild, denk ik, jazeker,
maar zijn enige wapen was de liefde, en het kost nu eenmaal
erg veel tijd om daarmee machthebbers wat te doen opschuiven.
Tijd, die hem niet werd gegund.
Het lied van Maria is dus niet achteraf op Jezus toegeschreven,
zodat het een beetje zou passen, en daarom is het des te echter.
Dit was immers wat men verwachtte, reeds in de Oud-Testamentische tijd:
een aardse messias die als een zoon van David, koning te Jeruzalem zou worden.
Zelfs de engel Gabriël die Maria de blijde boodschap kwam brengen,
had gesproken over de troon van David.
Je zou bijna zeggen: zelfs Gabriël heeft het over een andere messias
dan de messias die Jezus tenslotte is geworden….
Had die engel wel de goede boodschap meegekregen vanuit de hemel?
Of kwam Gabriël misschien meer uit het Oude Testament, dan uit de hemel?

Er is door de latere volgelingen van Jezus in dat Oude Testament
gezocht naar aanknopingspunten voor een mens, een messias als Jezus.
Men kwam vaak uit bij de profeet Jesaja, bij teksten als van de lijdende knecht
van wie gezegd werd dat hij onopvallend van uiterlijk was,
door de mensen gemeden, een man die het lijden kende,
die onze ziekten droeg en ons lijden op zich nam.
Maar een tekst die weinig met Jezus in verband is gebracht is die van psalm 8.
En goed beschouwd is die toch heel erg de moeite waard.
Speciaal vers 3 waarin staat dat God zich met de stemmen
van kinderen en zuigelingen een macht op bouwt tegen zijn vijanden.
Om hun wraak en verzet te breken. Kinderen die machtigen doen smelten?
Kinderen die de eindeloze keten van wraak verbreken en vrede brengen?
Maar hoe dan?
Een tijdje geleden las ik in de krant het verhaal van rabbijn Soetendorp.
En ik begreep ineens wat psalm 8 bedoelde en waarom die psalmregel
alles te maken heeft met dat kindje in de kribbe.
Avraham Soetendorp lag als baby’tje van drie maanden rustig te slapen
toen Nederlandse politiemannen met een Gestapo-officier binnenvielen.
Het was de laatste razzia tegen Joden in Amsterdam en zijn ouders
hadden hun koffers al gepakt om weggevoerd te worden.
Dan buigt de Gestapo-man zich over de wieg van de kleine Avraham
en zegt: ‘Schade, dass er ein Jude ist.’ Hij kijkt de ouders aan en vervolgt:
‘Wir kommen Morgen zurück’. Waardoor ze precies de tijd kregen die nodig was
om onder te duiken. Het zo kwetsbare baby’tje had de harde officier doen smelten.
Het gezin overleefde de oorlog, ondergedoken bij vrome Katholieken in Velp.
Dát is nu precies de macht van de God die wij aanbidden.
Met het meest kwetsbare dat we als mensheid bezitten, onze kwetsbare kleintjes, maar ook met onze kwetsbare oudjes, overwint hij het geweld.
Ik denk aan wat corona doet: economische belangen moeten wijken
voor de zorg om kwetsbare ouderen!
De menselijke kwetsbaarheid stelt grenzen aan het geweld.
Precies dat is het wat ook Jezus doet: liefde wekken en kwetsbaar zijn.
Weerloze overmacht, noemde iemand het. Weerloosheid die overmachtig blijkt.
Waartegen zelfs de dood niet bestand is, zie Pasen.

Nee, messias Jezus heeft het ons vanaf het begin al niet gemakkelijk gemaakt.
Hij kwam niet onze problemen oplossen: niet dat van oorlog en armoede,
niet van wat voor crisis dan ook. Hij kwam ons alleen de middelen leren,
beter gezegd: hét middel, het enige, waarmee deze wereld
werkelijk kan veranderen: liefde. Mededogen, ontferming, vergeving.
Allemaal woorden die rond dat centrale woord ‘liefde’ cirkelen.
Een messias zoals de Joden verwachten, was een stuk gemakkelijker geweest.
Die zou zich niet schamen voor de harde hand
en desnoods met het nodige geweld zijn volk hebben bevrijd.
Maar Jezus niet. Bij hem heiligt het doel nooit de middelen.

Maria ziet haar eigen wereld dus compleet veranderen.
Maar zou ze het hebben kunnen begrijpen, later,
dat haar zoon die heel andere weg is gegaan, de weg van de liefde?
Zou zij het hebben kunnen verdragen, dat hij zoveel pijn moest lijden?
Of zou ze helemaal verslagen bij zijn kruis hebben gestaan en gedacht:
lieve, lieve, Jezus, wat hebben ze jou aangedaan, maar wat was je naïef.
Jij die dacht met alle liefde machtigen in beweging te kunnen krijgen.
Met je zo uiterst kwetsbare liefde.

Maar wie niet durft dromen en zingen als Maria, van een andere wereld,
uit angst om niet teleurgesteld of cynisch te worden,
zal tenslotte door de feiten worden ingehaald en overspoeld.
Hij heeft helemaal niets meer in handen en is compleet onmachtig.
Alleen wie in de benen komen om samen te zingen overwinnen de angst,
de angst voor welke ondergang dan ook, de angst voor de pijn ook
die het kost om deze aarde weer op orde te brengen, op de orde van God.
En daarover gaat het toch in de tijd van advent: dat we ons voorbereiden
op een nieuwe wereld, op de komst van Gods Koninkrijk.
Er zal daartoe het nodige moeten worden losgelaten,
er zullen nogal wat zekerheden de deur uitmoeten, dat staat vast.
Maar waar gezongen wordt valt er veel van je af, gelukkig maar.
Ja, als er ooit een tijd is dat er gezongen moet worden,
dan is die tijd nu wel helemaal aangebroken, als u het mij vraagt.
Juist nu het niet kan, met z’n allen.
Het is vijf voor twaalf en de lampjes van de hoop zijn bijna uit,
ondanks alle kouwe kerstglitter die ons straks weer aanstaart.
Maria’ s zingen maakt ons bewust van een enorme taak op onze schouders:
de liturgie volbrengen, telkens weer opnieuw.
Liturgie betekent letterlijk: werk van het volk.
En precies dat is het wat we hier zondag aan zondag volhouden:
het lied als een werk, een noodzakelijk werk, een heilige opdracht.
Nee, daar moet je niet cynisch over doen en nuchter gaan roepen:
ach, denk je nu echt dat dát wat uitmaakt in deze wereld,
of er een paar mensen op zondagmorgen met elkaar
een paar vrome liedjes staan te zingen?
Dan ben je zelfs in de kerk al gegrepen door de machteloosheid
en kun je misschien maar beter wat anders gaan doen op zondagmorgen.
Natuurlijk, het is zingen tegen de klippen op,
ook tegen de klippen in onszelf op, de klippen van het wordt toch niks,
en van doe asjeblieft niet zo moeilijk, man.
Het is hard werken, zingen en het zingen volhouden.
Maar het maakt ons sterk als Maria en bereid om ruimte te maken
voor een toekomst waarin de geldgod van zijn troon is,
en waarin de mishandelde natuur weer schepping wordt, gave van God.
En om daar met nieuwe moed daadwerkelijk wat aan te doen,
als een moeder die zich voorbereidt op de komst van haar kind.
Een kind dat met zijn kwetsbare liefde liefde zal wekken
en zo op een dag de weerstand zal breken van Gods vijanden..
Zullen we dan toch maar met Maria mee geloven in dit kind?
Want zijn kwetsbare liefde staat als een baken van hoop recht overeind
in een wereld die meer en meer van God los lijkt te raken.

Over de macht van het kwetsbare schreef Okke Jager een mooi en aangrijpend gedichtje. Daarmee wil ik graag besluiten.
Het heet: Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.

Verraadt ons aller angst zich niet
in wie het leven weerloos liet?
De glasglans stemt de blazer mild.
De kaarsvlam vormt de hand tot schild.
De krokus wijst beton zijn grens.
Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens.

Zo moge het zijn

 

 

5 december 2021

Lezing: Lucas 1, 26-38
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

De aankondiging van Jezus’ geboorte.

Gemeente van Christus,

In onze Protestantse kerken hebben wij in het verleden weinig aandacht geschonken aan Maria. In onze beleving hoorde Maria vooral thuis in de Rooms- Katholieke kerk. Van deze kerk wilden wij ons onderscheiden en dat deden we onder andere door kritiek uit te oefenen op de Mariaverering in de Rooms- Katholieke kerk. Het verwijt dat uitgesproken werd was dikwijls dat de Rooms-Katholieken Maria zouden vergoddelijken en haar zouden aanbidden.

Eerlijk gezegd was dat ook wel een beetje het beeld dat ik had. Maar nadat ik predikant geworden was in het Rooms-Katholieke Zuiden, in Uden waar de overgrote meerderheid van de mensen RK was en ik de enige predikant, veranderde mijn beeld hiervan.
Ik sprak met pastoors, kloosterlingen en leken en zij maakten mij duidelijk dat ze Maria wel vereerden, haar wel hoog hadden maar haar niet vergoddelijkten. Ze achten haar hoog als méns.

En het is wel zo dat men zich in gebed richt tot Maria maar zij wordt niet aanbeden zoals men God aanbidt.

In de loop van de afgelopen jaren krijgt men binnen de Protestantse kerken langzamerhand wat meer oog voor Maria. Zo stond er in de afgelopen week in het dagblad Trouw een interview met een christelijk gereformeerde predikant die een boek geschreven heeft over Maria.
Hij meent dat de liefde voor Maria in de Rooms- Katholieke kerk voortkomt uit haar menselijkheid. We kunnen ons met haar identificeren. We kunnen haar schrik navoelen wanneer ze opeens oog in oog staat met een engel. We kunnen haar ongerustheid navoelen wanneer Jezus op 12-jarige leeftijd zoek raakt. We kunnen haar pijn navoelen wanneer ze wenend staat onder het kruis. De afbeelding van de Stabat Mater, Maria met de dode Jezus op haar schoot, raakt ons allemaal in het hart.

Maria is voluit mens. Daarom spreekt ze zovelen aan. Maar in de proloog van het evangelie van Johannes staat toch dat het Woord mens geworden is? Jezus is toch ook volop mens? En zijn menszijn komt ook in de evangeliën volop tot uitdrukking?
Dat is zo. Maar Jezus is doorzichtig tot op God. Het licht van God straalt door Hem heen. En dat licht is zo helder dat wij ons daarop concentreren. Het licht is het goddelijke licht. Maar door ons op het goddelijke licht te concentreren verliezen wij Jezus’ menselijkheid wel eens uit het oog. Hierdoor komt Jezus meer aan de kant van God dan aan de kant van de mensen te staan. Hierdoor kunnen wij ons niet goed met Hem identificeren. Wij vergoddelijken Hem terwijl Jezus steeds Zijn menszijn benadrukt. “Ik noem jullie geen slaven. Ik noem jullie vrienden. Jullie zijn mijn broeders en zusters. “Wij hebben Jezus zo hoog dat wij Hem willen aanbidden maar Jezus maakt ons duidelijk dat hij liever wil dat we Hem navolgen dan dat we Hem aanbidden.

Omdat Jezus zo vergoddelijkt werd dat men zich niet meer met Hem als medemens kon identificeren is de Mariaverering ontstaan. Jezus kwam in de beleving van de mensen vooral te staan aan de kant van God. Maria stond duidelijk aan de kant van de mensen. Het verwijt van de Protestanten aan de Rooms- Katholieken dat zij Maria zouden vergoddelijken klopt dus niet.

Wanneer dit nu zo is en wanneer het zo is dat wij als Protestanten wel wat meer ruimte voor Maria zouden mogen maken, zonder haar te vergoddelijken, hoe zouden wij dat kunnen doen?
Vierentwintig jaar geleden reisden mijn vrouw en ik naar China om onze jongste dochter op te halen. Een fantastisch mooie reis! Voor het eerst gingen we naar een land dat een zo andere cultuur heeft dan de Europese. Andere mensen, andere kleuren, andere geuren, andere klanken. Een avontuur. En daar bovenop kregen we het grote geschenk van een dochter! De mooiste reis van mijn leven! We moesten, nadat we onze dochter gekregen hadden nog een week in China blijven voor de afhandeling van allerlei formaliteiten. Daardoor hadden we tijd om rond te kijken. Op een dag bezochten we een klein tempeltje. Tot mijn verbazing zag ik daar een beeldje staan van een moeder met een kind op haar armen. Moeder en kind hadden een chinees uiterlijk maar verder was het beeld precies zoals de beelden van Maria met Het kind Jezus op haar arm zoals wij die in het westen kennen.

Na terugkomst in Nederland heb ik uitgezocht hoe het zat. Het beeldje bleek een beeldje van Kwanyin te zijn. En Kwanyin zou je de Chinese Maria kunnen noemen. Zij is geen godin maar een verbeelding van het universele principe van barmhartigheid. Kwanyin wordt dikwijls afgebeeld met vele ogen en armen. Met die vele ogen ziet zij het lijden van de mensen op aarde. Met haar oren hoort zij hun roepen om hulp. En haar vele armen strekt zij dan uit om hulp te bieden waar zij maar kan.

Ook wordt ze afgebeeld met een parel tussen haar duim en wijsvinger. Die parel is een traan, het symbool van het lijden van de mensheid. En zeggen de chinezen wanneer ze elkaar dit verhaal vertellen: Wij mogen allemaal een hand van Kwanyin zijn. We mogen haar helpen de nood van de wereld te lenigen. Prachtig! Zoals ik al zei: Kwanyin is geen godin. Ze is het universele principe van barmhartigheid. Ze symboliseert barmhartigheid.
Zou Kwanyin ons protestanten kunnen helpen om wat meer over Maria te zeggen?

Ons woord “barmhartigheid “is afkomstig van het Hebreeuwse woord “rachamim “. Dit woord bevat het Hebreeuwse woord voor baarmoeder. Barmhartigheid is het gevoel dat een zwangere vrouw heeft voor het kind in haar buik. Wanneer we van God zeggen dat hij barmhartig is dan, zeggen we dat Hij voor de mens voelt wat een zwangere vrouw voelt voor haar ongeboren kind.
De engel Gabriël verschijnt aan Maria en vraagt of ze barmhartigheid wil betonen aan Jezus. Maria antwoordt zonder aarzeling: “De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt!”
Maria betoont barmhartigheid aan Jezus. Zij betoont barmhartigheid aan de Zoon van God. Hiermee wordt Maria zelf het universele principe van barmhartigheid. Zij wordt hiermee een soort Kwanyin . Met duizend ogen ziet zij de nood van de wereld. Met duizend oren hoort zij de noodkreten van de wereld en zij strekt haar duizend armen uit om de nood te lenigen.

Jezus wordt dus geboren uit het universele principe van barmhartigheid. Jezus wordt verwekt door de Heilige Geest die niets anders is dan het universele principe van barmhartigheid.

En nergens ter wereld hebben we ooit een mens gezien die barmhartiger was dan Hij. Een groot licht. Een goddelijk licht. Aar een goddelijk licht die mens wil zijn en ons broeder en zuster noemt en ons uitnodige om Hem na te volgen. Waarin? In barmhartigheid.

Amen.

 

28 november 2021

Lezing: Lucas 1: De aankondiging van de geboorte van Johannes
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Vandaag is het zondag eerste advent. De naam van deze zondag komt van de Latijnse naam: Adventus  Domini . Dat betekent verwachting van de Heer. We kijken uit naar het kerstfeest waarop we de geboorte vieren van onze Heer Jezus Christus.

Jezus is de Zoon van het volk Israël, het volk dat door God uitverkoren was om licht voor de wereld te zijn. In de proeftuin van het land Israël mochten zij aan de wereld laten zien hoe een vreedzame en rechtvaardige samenleving vorm kan krijgen.

Iedere Israëliet kreeg een even groot stuk land. Ontstond er door misoogst, ziekte of andere tegenslag ongelijkheid in de samenleving waardoor er grootgrondbezit ontstond dan werd dit na 7x 7 jaar in het 49ste jaar, in het Jubeljaar weer herverdeeld. Grote nadruk werd gelegd op de zorg voor de landbouwgrond: het mocht niet worden uitgeput maar moest om de zeven jaar een jaar braak blijven liggen om het rust te geven zodat de boden zich kon herstellen. Grote nadruk werd ook gelegd op de zorg voor de vreemdeling, de weduwe en de wees.  En dit alles was de uitdrukking van en diep besef van de heiligheid van het mysterie achter deze werkelijkheid: de Heilige God van Israël. Ontzag voor dit mysterie drukt zich uit in eerbied voor de landbouwgrond, zorg voor de kwetsbaren en respect voor elkaar.

Uit dit volk dat uitverkoren was om een licht voor de wereld te zijn werd een Zoon geboren die als ware zoon van Israël licht voor de wereld is geworden.

Uit de verhalen over Hem die we kunnen lezen in de vier evangeliën straalt ons dat licht tegemoet. We lezen hoe liefdevol Hij omging met de mensen om Hem heen. We zien hoe hij op respectvolle wijze omging met kinderen, vrouwen, Samaritanen, landverraders, prostituees, Romeinse soldaten en niet – Joden. We lezen hoe groot Zijn rechtvaardigheidsgevoel was en hij had telkens weer opneemt voor de armen.
En dan realiseren we ons dat wanneer de mensheid Hem zou volgen in deze wijze van mens-zijn, het Koninkrijk van God op aarde zou aanbreken. Jezus is het licht voor de wereld. Hij wijst de mensheid een weg om te gaan.
In deze adventstijd worden wij dus niet buiten het wereldgebeuren geplaatst maar er middenin:

De Thora die aan het volk Israël gegeven is staat vol met richtinggevende adviezen hoe de volkeren van de wereld met hun land om kunnen gaan en hoe ze met de kwetsbaren in de samenleving om kunnen gaan.
Het leven van het kind wiens geboorte wij verwachten geeft richting aan het leven van de mensheid. Wanneer alle mensen leven zoals Jezus dan breekt er een eeuwigdurend vrederijk aan.

Het verhaal van vanmorgen, het mooie verhaal over de aankondiging van de geboorte van Johannes mogen we in dit kader lezen.
Het verhaal gaat over twee mensen die kinderloos waren. “Ze waren al op leeftijd” staat er. En dan denk je “dan zullen er wel geen kinderen komen “. Maar wanneer je dan de namen leest van deze mensen dat realiseer je je dat je geen voorbarige conclusies moet trekken. Ze heten Zacharias en Elisabeth. De naam Zacharias betekent: “De Heer gedenkt.” En Elisabeth betekent : “de Heer is mijn belofte. “Nieuwsgierig lees je verder…
Zacharias is priester en mag in de tempel in Jeruzalem het reukoffer brengen. Het is een zeer grote dag in het leven van Zacharias. Als priester maakte je het maar één keer mee in je leven dat je deze eervolle taak mocht verrichten.
U weet wellicht nog wel dat de tempel in Jeruzalem drie delen had: de voorhof, waar iedereen mocht komen, het heilige waar alleen de priesters mochten komen en het heilige der heiligen waar alleen de hogepriester één keer per jaar mocht komen op grote verzoendag.
Het reukoffer werd gebracht in het heilige. Voor Zacharias het heilige binnentreedt zal hij nog even een moment stil zijn blijven staan en diep adem gehaald hebben. Dit in het besef van de heiligheid van het moment en de heiligheid van de ruimte die hij zou binnengaan. De ruimte die grensde aan het heilige de heiligen.
En niet alleen voor Zacharias was het een groots moment. Dat was het ook voor de menigte buiten de tempel die in eerbiedige stilte zich ervan bewust was dat Zacharias namens hen het reukoffer zou brengen.

Zacharia treedt het heilige binnen en dan schrijft Lucas:
“Opeens verscheen hem een engel van de Heer, die aan de rechterkant van het reukofferaltaar stond. Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd door angst overvallen. Maar de engel zei tegen hem: “Wees niet bang Zacharias, je gebed is verhoord: je vrouw Elisabeth zal je een zoon baren en je moet hem Johannes noemen. Vreugde en blijdschap zullen je ten deel vallen en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. “

Prachtige bijbelse taal! Zulke taal moet je niet samenvatten in eigen woorden maar zelf laten klinken.
Deze aankondiging van de geboorte van Johannes is natuurlijk een grote vreugde voor Zacharias en Elisabeth maar deze geboorte is niet alleen persoonlijk geluk voor twee mensen op leeftijd die niet meer hadden gedacht dit nog mee te zullen maken. De geboorte van Johannes is geen privé zaak maar heeft maatschappelijke betekenis. De geboorte van Johannes is van belang voor de wereldsamenleving.

Johannes zal degene zijn die als een vreugdebode voor Jezus uit zal gaan. Hij zal de komst aankondigen van een vredevorst die niet rijdt op een paard, het symbool van militaire macht maar rijdt op een ezel: symbool van vreedzame macht. Een vorst die in staat is om zo liefdevol en rechtvaardig te regeren dat hij een wereldwijde samenleving van vrede, recht en welvaart voor alle volken dichterbij kan brengen.
Als vreugdebode zal Johannes de mensen oproepen om de weg voor deze vredesvorst begaanbaar te maken zodat Hij er op zijn ezel overheen kan rijden. Kuilen moeten worden gedicht. Zandhopen vlakgemaakt. Obstakels verwijderd.
De weg waarover dit gaat is de weg naar het Koninkrijk van God. Wanneer de mensheid kuilen van onrecht dicht, zandhopen van uitbuiting slecht, obstakels van hebzucht en heerszucht en eerzucht van de weg haalt dan wordt de weg begaanbaar dan kunnen we samen met Johannes en Jezus het beloofde land, het Koninkrijk van God, die vreedzame en rechtvaardige wereldsamenleving tegemoet gaan.

Jan en Jannie. Wat is het bijzonder dat we vandaag een verhaal lezen over twee mensen die al op leeftijd zijn en niet hadden gedacht dat hen nog een zo groot geluk ten deel zou vallen. Ook jullie hadden niet meer verwacht dat het huwelijksgeluk jullie weer ten deel zou vallen.

Het grote geluk van Zacharias en Elisabeth had een naam: Johannes. En hoe is het mogelijk! Ook jullie grote geluk draagt dezelfde naam: Jan, Johannes Postma en Jannie Johanna de Vries. Dat kan toch geen toeval zijn!

De engel sprak tegen Zacharias en Elisabeth: “Vreugde en blijdschap zullen je ten deel vallen en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. “

Ook wij wensen jullie toe dat vreugde en blijdschap jullie ten deel mag vallen en velen zich over jullie geluk mogen verheugen!

Amen.

 

21 november 2021

lezingen: Jesaja 43, 1-7  en Openbaringen: 21, 1-5
voorgangers: ds. Dick van der Vaart en mevr. Rieke Van Dijk-Veenstra

overdenking: ds. Dick van der Vaart

De woestijn oversteken

De woorden uit deSchriftlezing Jesaja 43 zijn gesproken door de profeet Jesaja tot het volk Israël. Het volk bevond zich toen in een moeilijke situatie. Het bevond zich in de Babylonische Ballingschap. De elite van het volk was naar Babel gedeporteerd en werd daar gevangen gehouden door koning Cyrus.
Babel was in die tijd een wereldmacht. Het was de hoofdstad van een rijk dat het huidige Iran en Irak omvat. Het was net zo machtig als Amerika en China tegewoordig. Israël was maar een klein volkje. Er was geen denken aan dat ze hun huidige gevangenschap zouden kunnen ontvluchten.Hun situatie leek uitzichtsloos.
Maar dan in die ogenschijnlijk uitzichtsloze situatie zegt God door de mond van de profeet Jesaja tot Zijn volk:

“Wees niet bang want Ik koop je vrij.” God belooft Zijn volk te zullen bevrijden. Voor deze bevrijding wordt de beeldspraak gebruikt van het betalen van losgeld aan de ontvoerders: de Babyloniërs. De ontvoerders vragen een enorme losprijs. Het kleine Israël zal dat bedrag nooit kunnen opbrengen. De situatie lijkt hopeloos maar dan belooft God de losprijs te zullen betalen:
“Ik geef Egypte, Nuba ( Ethiopië ) en Seba in ruil voor jou.”

Egypte, Nuba en Seba waren in de dagen van de profeet Jesaja de rijkste landen in de wereld. Het waren reuzen in vergelijking met het dwergvolkje Israël. God heeft dus alles over voor Zijn volk!

Maar God doet  nog meer. Op het moment dat de losprijs is betaald zijn de Israëlieten wel vrij, maar nog lang niet thuis !  Want tussen Babel en Israël ligt een enorme woestijn waar ze doorheen moeten trekken. Bovendien moeten gevaarlijk brede rivieren oversteken.
Een levensgevaarlijke reis!

Vele Israëlieten zouden gemakkelijk kunnen terugschrikken voor deze gevaarlijke reis en liever in Babel willen blijven. Om hen gerust te stellen zegt God:
“Wees niet bang. Wanneer je door het water waadt, sta ik naast je. Steek je rivieren over, je wordt niet meegesleurd. Loop je door vuur, je zult niet verbranden. Want Ik de Heilige, God van Israël, ben je Bevrijder.”

Deze woorden heeft God lang geleden gesproken door de mond van de profeet Jesaja tot Zijn volk Israël. Maar God wil ze ook spreken  tot ons, in ons persoonlijk leven,van vandaag.
De levensgevaarlijke woestijn tussen Babel en Israël is het symbool van een doorgangssituatie. Doorgangssituaties zijn  gebeurtenissen waar wij voor staan in ons leven. Gebeurtenissen als: een ziekenhuisopname, een operatie, een echtscheiding, kinderen die het huis uit zullen gaan, baanverlies, pensionering. Gebeurtenissen waar we doorheen moeten maar waar we eigenlijk niet doorheen durven gaan omdat we niet weten of we er wel door zullen komen.

Het zijn gebeurtenissen die ons blijvend zullen veranderen. We zullen een transformatie moeten doormaken maar we weten nog niet wie we zijn zullen.

Ook tegen ons zegt  God: “Wees niet bang. Ik ga met je mee door de woestijn. Wanneer je door het water waadt, sta Ik naast je. Steek je rivieren over: je zult niet worden meegesleurd. Loop je door vuur. Je zult niet verbranden.”

Ik  wil u een verhaal voorlezen dat  hier nauw bij aansluit. Ik lees het u voor omdat het verhaal mij helpt om die overgave te voelen waar God ons toe uitnodigt. Het gaat  als  volgt :

Een rivier was ontsprongen in de bergen en was op weg naar zee.
Hij had door zeer verschillende landschappen gestroomd: door bergen en dalen en had daarbij vele hindernissen overwonnen:
grote rotsblokken die in de weg lagen, diepten waar hij zich als een waterval moest laten vallen. Met moed en doorzettingsvermogen had de rivier deze moeilijkheden het hoofd geboden. Maar nu stuitte de rivier op zijn weg naar zee opeens op een woestijn.

Hij probeerde de woestijn in te gaan maar merkte  dat zijn water in het zand wegzakte en hij erin verdween. Hij ging een eindje terug nam een aanloop of beter gezegd een aanstroom en probeerde zoveel snelheid te maken dat hij niet weg zou zakken in het zand maar eroverheen zou kunnen stromen. Tevergeefs: na een paar meter zakte hij weer weg in het zand.
Toen zei de woestijn tegen hem:  “De wind kan de woestijn oversteken en wat de wind kan, kan jij ook.”

“Ja maar wind vliegt over jou heen. Ik zak weg in jouw zand.” antwoordde de rivier.

“Wanneer je  blijft zoals je bent, kom je niet door me heen.”  sprak de woestijn. “Dan zul je inderdaad wegzakken in mijn zand. Maar wanneer je je water laat verdampen door de zon kun je je in de armen van de wind laten dragen naar de overkant.”

“Maar hoe kan ik mij laten verdampen en me laten dragen door de vleugels van de wind?” vroeg de rivier.
“Je moet het durven en willen.” sprak de woestijn.
“Maar als ik me laat verdampen dan blijft er niets van me over!” sprak de rivier angstig. Hij wilde zijn persoonlijkheid niet verliezen want wanneer je die kwijtraakt hoe krijg je dan ooit jezelf terug?

“Wanneer de wind je naar de overkant gedragen heeft laat hij je als regen weer vallen”, antwoordde de woestijn. “Dan ontvang je jezelf  op een nieuwe manier terug.”

“Maar kan ik niet dezelfde rivier blijven die ik nu ben?” vroeg de rivier met zachte stem.
“Nee, antwoordde de woestijn. Wanneer je blijft staan waar je  nu bent  zak je  op den duur ook weg in je  bedding. Je kunt niet terug, je kunt niet blijven staan, je kunt alleen vooruit.

Maar wanneer je de  moed hebt om je over te geven aan de wind dan zal het wezenlijke van je blijven bestaan. De wind zal je dragen naar de overkant  en je uitregenen en je zult  jezelf terugvinden als een vernieuwd zelf.

Toen vatte de rivier moed. Hij gaf zich over aan de warmte van de zon, legde zich neer  in de armen van de wind en liet zich dragen naar de overkant.

(Tot zover het verhaal)

Een prachtig verhaal!  De wind dat is de Geest van God. De woestijn dat zijn de crisissituaties in ons leven. Laten we ons overgeven aan de wind in het vertrouwen dat Hij ons draagt! Zelfs door de dood!

Amen.

 

 

 

 

 

 

Ga naar de bovenkant