11 december 2022

Lezing: Jozua 2
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

In de NBV staat in de inleiding op het boek Jozua dat het in dit boek gaat om verkondigende geschiedschrijving in verhalende vorm. Wat wil dat zeggen?

“Verkondigend” wil zeggen dat de Aanwezigheid van God wordt verkondigend. “Wees er!” roept het volk. “Ik zal er zijn”, antwoordt God. Deze Aanwezigheid bespeuren de bijbelschrijvers in de werkzaamheid van God in de geschiedenis. Zij schrijven hierover in verhalende vorm.

Vorige week maakte Naomi ons er al op attent dat in het verhaal over Ruth staat dat zij toevallig aren ging rapen op de akker van Boaz. Naomi vroeg ons of wij geloven dat de gebeurtenissen in onze leven ons bij toeval overkomen of dat ze komen uit Gods hand.

Wanneer je gelooft dat wat ons overkomt ons toevalt uit Gods hand dan roept dat een probleem op. Is alles wat gebeurt Gods wil? Is het Gods wil dat iemand een straat oversteekt en aangereden wordt? Is het Gods wil dat iemand ziek wordt en sterft? Wanneer je gelooft dat God liefde is dan moet het antwoord op die vraag natuurlijk “nee” zijn. Niet alles wat gebeurt is Gods wil.

Is alles dan toeval?  Nee, zo ervaren we het toch ook niet in ons leven. Op de één of andere manier is ons leven , is de wereld in Gods hand maar dat sluit toeval ook weer niet uit.

Toen ik mijn vrouw tegenkwam was dat zo’n grote gebeurtenis in mijn leven dat ik dacht: “Dit kan geen toeval zijn.” Toen wij onze oudste en later onze jongste dochter in China in onze armen kregen, toen voelden we: “Dit kan geen toeval zijn.”

Maar wanneer je op vakantie bent in het buitenland en je komt je buurman tegen dan zeg je: “Ook toevallig!”

En vaak zie je pas achteraf, lang na een chaotische periode in je leven, dat God je geleid heeft.

Waarom ga ik hier zo uitgebreid op in? Dat is omdat het boek Jozua wel een probleem oproept. In het boek wordt beschreven dat God het volk Israël oproept om het land Kanaan te veroveren en de inwoners ervan te doden. Dagelijks zien we hoe verschrikkelijk het is dat Rusland Oekraïne probeert te veroveren. Hoe onrechtvaardig en misdadig dit is. Hoe groot het leed is dat hierdoor wordt aangericht. Hoe kan de God van Israel nu zijn volk de opdracht geven om een oorlog te beginnen en een volk uit te moorden? Dat kunnen we toch niet geloven? God is toch een God van liefde en recht.

Ik geloof niet dat God het volk Israël de opdracht heeft gegeven om een oorlog te beginnen.  “Maar het staat toch in de bijbel ?! ” zult u zeggen. En dat klopt. Maar daarom is het ook van wezenlijk belang te begrijpen ,wat er in de inleiding van het boek Jozua over dit boek geschreven staat n.l. dat het om verkondigende geschiedschrijving gaat in  verhaal vorm.

Het boek Jozua is niet geschreven door een journalist die er bij alles wat er gebeurde met een opschrijfboekje of een t.v. camera bij stond. Het boek is geschreven lang nadat het volk in het land Kanaan was gaan wonen en het land de naam Israël kreeg.

De bijbelschrijvers wilden de geschiedenis van Israël beschrijven met als doel :  hun tijdgenoten en aan latere generaties duidelijk maken dat zij niet aan toeval en chaos overgeleverd zijn maar dat hun leven en de geschiedenis van hun volk en van de wereld in Gods hand ligt. Hun geschiedschrijving is een verkondiging. Zij kenden vele verhalen over de geschiedenis van het volk : hoe het uit Egypte kwam, hoe het door de woestijn reisde, hoe het in land Kanaan kwam  en van al die verschillende verhalen hebben zij het boek Jozua gemaakt.

Maar is de bijbel dan niet geïnspireerd door de Heilige Geest? Zeker wel! Maar je kunt op twee manieren kijken naar die inspiratie. De eerste manier is dat de Heilige Geest al het ware de hand van de bijbelschrijver vasthield en precies dicteerde wat hij moest schrijven. Het was de hand van de bijbelschrijver die schreef maar verder ging het helemaal buiten zijn hoofd en hart en ziel om wat hij schreef. Dat heet mechanische inspiratie.

De tweede manier waarop je naar inspiratie door de Heilige Geest kunt kijken wordt “organische inspiratie” genoemd. De Heilige Geest inspireert de bijbelschrijvers op dezelfde wijze waarop schrijvers van gedichten of muziekstukken worden geïnspireerd. Hun verstand, hun hart en ziel en hun eigen verbeeldingsvermogen wordt hierin betrokken. Zo moeten wij denk ik het boek Jozua begrijpen.

Geïnspireerd door de Heilige Geest hebben zij in verhaalvorm de geschiedenis van Israël beschreven om hun tijdgenoten en de latere geslachten en ook ons te verkondigen: “Vrees niet, ons leven, onze wereld, de geschiedenis van de wereld is in Gods hand.”

De schrijvers van het boek Jozua leefden in een andere tijd. Voor hun was het geen probleem dat God kon oproepen tot oorlog. Voor ons drieduizend jaar later is het wel een probleem. In de loop van de geschiedenis zijn wij gaan  begrijpen dat God die een God van liefde is nooit de opdracht zou kunnen geven om een land te veroveren en een volk uit te moorden. God is een God van liefde en recht. Wij voelen dat in ons hart.

En dan nu eindelijk naar het verhaal van vanmorgen. Mozes heeft het volk Israël door de woestijn geleid tot de grens van het land Kanaan. Na op de berg Nebo een blik op het beloofde land geworpen te hebben is hij gestorven. Jozua is hem opgevolgd. God draagt hem op het beloofde land te veroveren.

Daarom stuurt Jozua er vanuit Sittim twee spionnen op uit om het gebied, maar vooral Jericho te verkennen. Veertig jaar jaar eerder stond Jozua op dezelfde plaats en werd hij zelf door Mozes als één van twaalf verspieders uitgezonden om het land te verkennen. Tien van die verspieders waren doodsbang na hun verkenningstocht: ”Val niet aan, er wonen reuzen!” waarschuwden ze Mozes. Twee verspieders durfden het wel aan: Jozua en Kaleb.

Veertig jaar later stuurt Jozua er dus zelf twee verspieders op uit vanuit Sittim. Sittim ligt op een afstand van 9 km van de rivier de Jordaan en op 15 km van de stad Jericho.. Sittim staat bekend om het mooie zware hout dat er vandaan komt. “”Verken het gebied maar vooral Jericho “ gebiedt Jozua.

Jozua wil de aanval op het land Kanaan starten met een aanval op Jericho. Deze stad is een sleutelstad. Wanneer Jozua Jericho in handen heeft dan heeft hij een goede uitgangspositie voor de verdere strijd. Maar Jericho is omgeven door twee sterke ringmuren. De stad valt moeilijk in te nemen en daarom stuurt Joza twee verspieders erop uit om de zwakke plekken in de verdediging te ontdekken.

De twee verspieders worden gesignaleerd bij Rachab die een herberg runt op de stadmuur van Jericho. Rachab wordt in NBV vertaling “hoer” genoemd. Dat vind ik een lelijk wordt waaruit geen respect blijkt voor de vrouw die zij is. Ik vind “prostituee “ respectvoller klinken. In de tijd waarin het verhaal zich afspeelt kwam het vaker voor de dat een herbergierster ook geld verdiende als prostituee. Dat deden ze natuurlijk niet voor hun lol. Dat was bittere noodzaak om hun kinderen eten te kunnen geven. Prostituees worden al gauw in het rijtje van tollenaars en zondaars gezet. Maar zij zijn geen zondaars maar vrouwen die uit bittere noodzaak handelen. Niet de prostituees zijn zondaars maar hun klanten.

Wanneer de koning het gerucht verneemt dat er spionnen in de stad gesignaleerd zouden zijn stuurt hij onmiddellijk zijn soldaten erop af. Er hing al een gespannen sfeer in de stad omdat men de aanwezigheid van het leger van Israël op slechts 15 km afstand als bedreigend ervoer. En dan is er het mooie verhaal over Rachab die de twee verspieders niet uitlevert aan de soldaten van de koning maar ze waarschuwt en ze verbergt onder een hoop as en zo hun leven redt.

Rachab redt de mannen omdat ze gehoord heeft hoe God zijn volk uit Egypte bevrijd heeft: “Jullie God is een God die macht heeft in de hemel en op aarde,” zegt ze. Hier belijdt een vrouw die niet behoort tot het volk Israël, haar geloof in deze God. Door de eeuwen heen zegt ze ook tegen ons: “God is een God die macht heeft in hemel en op aarde.” Deze vrouw, deze krachtige, deze moedige vrouw die ons respect verdient is een voormoeder van Jezus.

Rachab vraagt de verspieders spaar mijn leven en leven van mijn familie wanneer jullie leger komt om ons te doden. De verspieders beloven het. En om duidelijk te maken waar ze woont moet ze een scharlaken rood koord uit haar venster laten hangen aan de kant van de stadsmuur. De soldaten weten dan: dit huis moeten we niet binnengaan.

Rachab leeft voort als voormoeder van Jezus en ze leeft ook voort als beschermvrouwe van prostituees in Amsterdam. Het scharlaken koord is de naam van een stichting die het voor hen opneemt.

Amen.

27 november 2022

Lezingen: Mattheüs 1, 1-17 en 2 Samuel 11
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het thema van het adventsproject van dit jaar is “Levenslicht”. In deze adventstijd bereiden we ons voor op het kerstfeest : het feest van de geboorte van het kind Jezus, die we zijn gaan zien als onze Heer Jezus Christus.

Het kerstfeest is een geboortefeest. Wanneer we spreken over de geboorte van een kind dan zeggen we ook wel dat het kind op die en die datum “het levenslicht” aanschouwde.

Licht is het symbool voor een nieuw begin. Zo begint het scheppingsverhaal in Genesis 1 dan ook met de schepping van het licht: “En God zei: Er zij licht en er was licht.” En Jezus , de eersteling van een nieuwe schepping wordt “Licht voor de wereld“ genoemd.

Wanneer het gaat over de geboorte van een kind dat voor het eerst het levenslicht aanschouwt, gaat de aandacht ook meteen uit naar de moeder die het kind ter wereld brengt. Daarom is het ook vanzelfsprekend dat wij bij de voorbereiding op de geboorte van Jezus aandacht hebben voor zijn moeder en zijn voormoeders: Maria, Ruth, Rachab en Tamar.

Hun namen worden vermeld in de stamboom van Jezus, waarmee de evangelist Matteus zijn evangelie opent.

Met deze stamboom laat Matteus zien dat Jezus niet uit de lucht is komen vallen maar ingebed is in de geschiedenis van God met Zijn volk Israël.

Matteus laat ook zien dat Jezus in zijn beleving de eersteling is van een nieuwe schepping, een nieuwe Adam. In de N.B.V. luidt het begin van de stamboom: “Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham.“ In de Griekse grondtekst staat er: “Overzicht van de genesis van Jezus Christus.”

En vers 2 van de N.B.V. luidt: “Abraham verwekt Isaak, Isaak verwekt Jakob, Jakob verwekt Juda enzovoort. De  Naardense vertaling blijft dicht bij de grondtekst en schrijft heel mooi: “Abraham genereerde Isaak, Isaak genereerde Jakob enzovoort. In het woord “genereerde” klinkt het woord “genesis “ door.

Matteus wil laten zien dat Jezus de eersteling van een nieuwe schepping is en ingebed is in de geschiedenis van Israël. Hij componeert daartoe een geslachtsregister waarin hij laat zien dat de geschiedenis van Israël in drie keer veertien generaties uitloopt op de geboorte van Jezus.

Het bijzondere van het volk Israël blijkt uit de wijze waarop het volk zijn geschiedenis schrijft. Dikwijls is de geschiedschrijving van een volk een opsomming van het roemrijke verleden. Het is een lofzang op grote helden, grote koningen en grote overwinningen. Er wordt ook wel gezegd dat geschiedschrijving altijd de geschiedschrijving van de overwinnaars is. Is er een koning of dictator aan de macht gekomen dan is een van zijn eerste opdrachten om de geschiedenis zo te herschrijven dat deze uitloopt op de glorie van de huidige machthebber. Zo heeft Poetin ook een heel eigen beeld van de geschiedenis van Rusland die hij wil opdringen aan de middelbare scholieren in Rusland.

Het bijzondere nu van de geschiedschrijving van het volk Israël die we vinden in het O.T. is dat dit geen opsomming is van de heldendaden van de grote koningen en roemrijke overwinningen. In de geschiedschrijving van Israël worden de fouten van het volk en de koningen niet verzwegen maar eerlijk vermeld opdat de latere koningen en het latere volk er lering uit kan trekken. En om te laten zien dat de God van Israël een barmhartige God is die zonden vergeeft en het volk keer op keer de mogelijkheid biedt van een nieuw begin. Prachtig ! In zijn geschiedschrijving laat het volk
Israël zien hoe goede geschiedschrijving eruit kan zien. Israël is hierin een volk dat “Licht is voor de wereld.“

En zo lezen we vanmorgen in de stamboom van Jezus, de zoon van David: David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria. Wij vallen zo’n beetje in slaap bij de opsomming van al die verwekkingen: Abraham verwekt Isaak, Isaak verwekt Jacob, Jacob verwekt Juda, Juda verwekte Peres enzovoort, wij zijn al in slaap gevallen, maar het zinnetje “David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria.“  klinkt opeens als een luide paukenslag die ons uit onze slaap doet opschrikken……Koning David, die grote koning David, die rechtvaardige koning David, die vredeskoning David : hij verwekt een kind bij de vrouw van Uria, dus bij een vrouw die niet zijn vrouw is!

En in het  boek Samuel lezen we het verhaal over hoe dit gebeurde. Op een dag stond koning David aan het eind van de middag op van zijn rustbed. Hij wandelde over het dak van zijn paleis waar vanaf hij op de stad kon neerkijken en zag hoe Batseba daar aan het baden was. Ze was heel mooi om te zien. En dan zorgt David ervoor dat haar man Uria sneuvelt aan het front en dwingt hij haar ertoe om met hem te trouwen.

Dit is een verhaal over machtsmisbruik. Het is geen verhaal over een getrouwde man en een getrouwde vrouw die verliefd op elkaar worden, in bed belanden en per ongeluk een kind verwekken. Nee, het is een verhaal over machtsmisbruik. David misbruikt zijn macht als koning. Hij laat Uria omkomen in de oorlog om Batseba te kunnen dwingen zijn vrouw te worden.

Dat is zo bijzonder van de geschiedschrijving van het volk Israël dat openlijk wordt beschreven hoe een grote koning zijn macht misbruikt heeft. Dit wordt openlijk geschreven als waarschuwing aan het volk en als waarschuwing aan toekomstige koningen : dit kan gebeuren in relaties waarin sprake is van grote machtsongelijkheid. Hashtak Meto 1000 jaar voor Christus. Tegenwoordig noemen we dat “grensoverschrijdend “ gedrag.

Verderop in het verhaal lezen we: “Naar het oordeel van de Heer was het slecht wat David had gedaan.“ Daarom stuurt God de profeet Natan naar David die hem confronteert met wat hij gedaan heeft. Als straf moet David’s oudste zoon sterven. Dat vinden wij wel heftig. En wij denken: “Die jongen mag toch niet gestraft worden voor de misdaad van zijn vader? “ En dat is natuurlijk ook zo. God is rechtvaardig. Hij zou dit niet doen. Hij is geen dictator die zo maar de doodstraf uitdeelt. We kennen Hem uit psalm 103:

“Hij straf ons niet  naar onze zonden. Hij vergeldt ons niet naar onze schuld. Zover het oosten is van het westen zover doet hij onze zonden van ons. Zo  liefdevol als een vader is voor zijn kinderen zo liefdevol is de Heer voor wie Hem vrezen.“

Maar u moet zich realiseren dat het een verhaal is en dat er een gedachte achter deze straf zit. De koningen in David’s tijd dachten in dynastieën. Ze wilden dat hun dynastie voor eeuwig op de troon zou zitten. Maar wanneer de oudste zoon sterft dan is er geen toekomst voor de dynastie van de koning. Met deze straf wordt dus, in verhaalvorm, uitgedrukt dat er voor de onrechtmatige wijze waarop David zijn koningschap uitoefende, in de ogen van God, geen toekomst is.

Wanneer David uit de mond van de profeet Nathan hoort dat zijn zoon Uria zal sterven slaat David de schrik om het hart. Wanneer het kind doodziek wordt, wordt hij  verteerd door schuldgevoel, zo heftig dat hij op de grond gaat liggen , niets meer eet en drinkt en God alleen nog maar kan smeken om het leven van zijn zoon te sparen. Na zeven dagen en nachten sterft het kind.

 En dan lezen we alleen nog maar dat David het huis van de Heer binnenging en knielde. Daarna ging hij naar huis, at en dronk , troostte Batseba, sliep met haar en kreeg een zoon die hij Salomo noemde. “Salomo“ dat betekent “vol van vrede” en de profeet Nathan noemde het kind “Jedidja“ lieveling van de Heer. “

David had zijn macht misbruikt, een moord gepleegd en Batseba gedwongen met hem te slapen. In Naam van God confronteert de profeet Nathan David hiermee. En uit het verhaal kunnen we opmaken dat David oprecht berouw had van het machtsmisbruik dat hij had gepleegd. David knielde neer in het huis van de Heer en heeft voor het Aangezicht van God zijn zonde beleden.

Hij gaf zijn zoon de naam Salomo, vol van vrede. Hij gaf deze naam aan zijn troonopvolger. Hij maakte hiermee duidelijk dat zijn dynastie alleen toekomst zou kunnen hebben wanneer het een dynastie van vredevorsten zou zijn. Davids berouw was niet gespeeld. Het was oprecht. Het heeft hem veranderd.

De profeet Nathan noemde Salomo “lieveling van de Heer. “  Duizend jaar later werd er nog een lieveling van de Heer geboren. Jezus, Toen hij gedoopt werd klonk er een stem uit de hemel : “Jij bent Zoon in wie Ik welbehagen heb.“ m.a.w. : “Jij bent mijn lieveling.”

Nog een laatste woord over Batseba. In het verhaal van vanmorgen lijkt ze alleen maar slachtoffer. Maar uit een verhaal dat verderop in de bijbel staat, blijkt dat ze een krachtige vrouw is. God had haar beloofd dat Salomo David’s opvolger zou worden maar dan doet een broer van Salomo een greep naar de macht. Door actief en krachtig ingrijpen van Batseba, wordt deze staatsgreep voorkomen en komt het koningschap aan Salomo toe. Batseba: een krachtige voormoeder van Jezus.

Amen

20 november 2022

Lezingen: Psalm 27 en Romeinen 8, 31-39
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Op deze Eeuwigheidszondag realiseren wij ons, meer dan op andere zondagen, dat wij niet het eeuwige leven hebben hier op aarde maar er slechts een tijdje zijn. “Zeventig jaren en als we sterk zijn tachtig,“ zegt de psalmist.

In mijn beleving is in het christelijk geloof de nadruk veel te sterk komen te liggen op de korte duur van ons leven. Vele liederen verwezen hierna: “Niets is hier blijvend, niets is hier blijvend, alles wat opbloeit moet eenmaal vergaan. Maar wat gij doet uit liefde voor Jezus, liefde voor Jezus blijft eeuwig bestaan,” was een lied dat je tegenwoordig niet meer hoort maar in het verleden heel veel gezongen werd.

En hoe vaak hebben we niet die woorden uit psalm 139 gelezen: De sterveling zijn dagen zijn als het gras, wanneer de wind daarover is gegaan is zij niet meer en haar plaats kent zij niet meer.”

En in vele liederen werd bezongen dat wij geen blijvende woonplaats hebben op aarde maar slechts pelgrims zijn: “Waarheen pelgrims, waarheen gaat gij … ?“

De bron van deze liederen is de behoefte aan troost. Die behoefte is heel begrijpelijk en mag er zijn. Er is veel leed op aarde. Maar het lijkt me niet juist om het aardse leven alleen maar te zien als een tranendal waaruit je zo spoedig mogelijk weg wilt trekken. Het leven op aarde is toch dikwijls heel goed.

In het scheppingsverhaal wordt dit benadrukt. Aan het einde van iedere scheppingsdag lezen we: “En God zag wat hij geschapen had en zie, het was zeer goed.” En deze positieve visie op het aardse leven vind je in de hele bijbel.

In het boek Hooglied wordt de liefde tussen God en mens beschreven in de woorden van een liefdesgedicht tussen een aardse bruid en een aardse bruidegom. De bruidegom spreekt zijn bruid toe: “Wat ben je mooi! Wat heb je prachtig haar! Het golft over je schouders als een kudden schapen die afdaalt van een heuvel.” Heel aards, heel lichamelijk. Heel mooi!

In de Thora, de leefregels voor het leven in het beloofde land, wordt aanbevolen een akker om de zeven jaar een jaar rust te gunnen, zodat de grond niet uitgeput raakt maar tijd krijgt om te herstellen.

Ook Jezus had oog voor de schoonheid van de aarde: “Let op de leliën. Zie hun schoonheid! Zelfs koning Salomo werd door zijn kledingmakers niet mooier gekleed dan deze.” En: “Let op de vogels in de hemel. Zij zaaien niet en maaien niet en toch voedt de hemelse vader ze.“

En let op Openbaringen 21 waar dat prachtige visioen staat van het nieuwe Jeruzalem dat neerdaalt uit de hemel en God onder ons mensen zal komen wonen. Er staat dus niet dat de aarde in de hemel wordt opgenomen. Er staat dat de hemel neerdaalt op aarde. De hemel zal de aarde omvatten.

In deze tijd waarin de klimaatopwarming het leven op aarde bedreigt is dit een belangrijk signaal. Het is niet zo dat het niet zo erg is wanneer de aarde vergaat omdat onze bestemming toch elders ligt. Nee, het is wel erg wanneer de aarde vergaat want het is Gods bedoeling dat deze bewaard blijft! God wil er Zelf komen wonen!

Van het “En zie het was zeer goed“ in Genesis tot het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde wordt in de bijbel dus de grote waarde van de aarde en het aardse leven benadrukt. Het leven mag worden gevierd. Sterker nog: God heeft de aarde geschapen opdat het leven zou worden gevierd!

Maar dit gezegd hebbende. We zijn hier vanmiddag bijeen om onze overleden dierbaren te gedenken en we beseffen dat ook ons leven vergankelijk is. De bijbel benadrukt de waarde van het leven op aarde maar mogen we ook geloven en hopen op leven na dit leven voor onze dierbaren en voor onszelf?

In het verleden was het vanzelfsprekend dat christenen deze vraag positief beantwoordden. Zij geloofden dat zij na hun dood naar de hemel zouden gaan. Maar velen ook binnen de kerk kunnen dit niet meer geloven omdat zij dat als kinderlijk en naïef zien. Zij kunnen God niet meer zien als een oude man met wit haar die zit op een troon in de hemel. Daarmee verdwijnt ook het geloof dat wij na de dood naar de hemel zouden kunnen gaan. En daarmee verdwijnt een hele belangrijke bron van troost en mogelijkheid tot overgave. Het is heel troostrijk om te mogen geloven dat onze dierbaren in de hemel zijn. En het geloof dat je naar de hemel gaat kan je op je sterfbed de moed geven om je leven neer te leggen in de handen van God. Moeten we afscheid nemen van deze troost en mogelijkheid tot overgave? Ik meen van niet.

Vroeger konden mensen in een hemel geloven als een plaats ver boven de wolken. Maar wij weten dat je als je met een raket naar boven gaat je dan niet in de hemel komt maar in een oneindig heelal. Wij hebben foto’s en filmbeelden gezien van onze planeet aarde omgeven door de dampkring. En daarmee vervalt een naïef geloof in de hemel.

En daarom zijn we meer en meer gaan spreken in beeldspraak. We spreken niet meer over hemel maar over: “Leven in het licht bij God.” En: “We geloven dat hij of zij geborgen is in de liefde van God.” En deze beeldspraak geeft ons de mogelijkheid om er toch op te vertrouwen dat onze overleden dierbaren niet in het niets zijn opgegaan maar leven in het licht bij God. Dat is heel waardevol. Heel kostbaar.

Wat ik nu vanmiddag met u wil delen is iets wat ik geleerd heb uit een boek van Rick Benjamins, wiens ouders ook lid zijn van de Oosterkerkgemeente. Hij schrijft over onze beeldspraak. Hij zegt dat dit niet zomaar in de lucht hangt en dat het niet zomaar een product van onze fantasie is. Wanneer ik zijn boek goed begrijp en het toepas op de beeldspraak van hemel, geborgen zijn in de liefde van God, gedragen worden door de handen van God enzovoort dan zeggen wij dat omdat wij in het diepst van onze ziel ervaren dat wij deel zijn van God. In termen van zijn en zijnden: Alle dingen zijn een zijnde. Zij rusten in het zijn. Het zijn is de bron van alle zijnden en verenigt alle zijnden. God is het zijn. Wij mensen zijn zijnden. God is de bron van alle zijn. God is het zijn en wij zijn verenigd in Hem.

Dit is niet iets dat wij alleen met ons hoofd geloven. Wij nemen het niet aan als een geloofswaarheid, nee, het geloof komt op uit de ervaring van onze ziel. Wij ervaren dat wij als zijnden deel uit maken van het zijn. Wij ervaren dat wij als mensen deel uit maken van God. God is de oceaan. Wij zijn de golven van de oceaan. Als golven zijn we deel van de oceaan en worden we gedragen door de oceaan.

Uit deze ervaring in het diepst van onze ziel komt ons geloof in de hemel voort. Op grond van deze ervaring geloven we dat onze overleden dierbaren die als golf op de oceaan van God deel van de oceaan van God waren, ook in en na hun dood, deel van God gebleven zijn. Zoals Paulus schreef:

“Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte of diepte of wat er ook in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God.”

Amen.

13 november 2022

Lezing: Matthëus 18
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Drie vooropmerkingen:

  1. Toen ik zag welke lezing er op het rooster stond was ik niet meteen enthousiast. Het gaat om schuld en vergeving.Zijn we in de kerk niet al veel te vaak met dit thema bezig geweest? Zo vaak dat velen zijn gaan geloven dat het het in de kerk helemaal hierom draait?

Wie  verder kijkt dan de eigen traditie zal zien dat niet overal in de wereld zo’n sterke nadruk gelegd is op het thema schuld en vergeving als bij ons het  geval was. In de ooster-orthodoxe kerk was niet schuld en vergeving het hoofdprobleem maar dood en leven.  De grote aandacht voor schuld en vergeving in de westerse kerk  is het gevolg van het juridische denken in het Romeinse Rijk.  Voor de Romeinen was de rechtspraak en het juridische denken van groot belang. Deze wijze van denken werkte door in de wijze waarop in de westerse kerk het christelijk geloof werd geïnterpreteerd.

Al die aandacht hiervoor was volgens mij niet altijd goed voor de geestelijke gezondheid van de kerkgangers. Natuurlijk zijn schuld en vergeving belangrijke thema’s. Ze horen bij het leven. Ook niet kerkelijke mensen kennen het belang van schuld en vergeving. Ieder mens worstelt wel eens met schuldgevoelens.

  1. We moeten onze neiging tot perfectionisme niet projecteren op God. Eist God heiligheid van ons? Het is vaak gezegd. Maar is het werkelijk zo? “Weest volmaakt zoals de Vader in de hemel volmaakt is .” zei Jezus. Maar het woord dat Jezus gebruikte en dat als “volmaakt”wordt vertaald : het woord “Tammim” betkent niet “volmaakt “ in de zin van “perfect. “ Het duidt veeleer op een gerichtheid. Een gerichtheid op het goede. Wanneer je gericht bent op het goede mag je best fouten maken. Wees gericht op het goede maar durf te leven. Verstik het leven niet, uit angst fouten te maken. Leef, zondig en vraag vergeving.
  2. Perfectionisme kan ook een verborgen vorm van hoogmoed zijn. Je kunt je verbeelden dat je perfect zou kunnen zijn. En vervolgens stel je jezelf de eis om het ook werkelijk te zijn . Om je zelf vervolgens ongenadig te veroordelen wanneer je onvermijdelijk geconfronteerdwordt met je onvolmaaktheid.

Durf nederig d.i. realistisch te zijn. Durf onvolmaakt te zijn.  God houdt van je zoals je bent. Houdt dan ook van je zelf zoals je bent. Stel je zelf de vraag: Moet ik volmaakt zijn ? Wat doet het met me wanneer dat denk? Wat zou het met me doen wanneer ik niet volmaakt zou hoeven zijn ?

Dan nu de vraag die Petrus aan Jezus stelt:
“ Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoevaak moet ik dan vergeving schenken?  Tot zeven maal toe ?
Jezus antwoordt: “Niet tot zeven maal toe , zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.”

En dan illustreert Jezus zijn antwoord met een gelijkenis: Een koning heeft een dienaar die hem 10.000 talenten schuldig is. De dienaar wordt voor de koning gevoerd. De koning beveelt dat het bezit van de man verbeurd verklaard wordt en dat de man, zijn vrouw en kinderen als slaven verkocht moeten worden. De man valt voor de koning op zijn knieën en smeekt: “Heb geduld met mij.Ik zal alles terugbetalen.” De koning krijgt medelijden met de man en scheldt hem zijn schuld kwijt. “ Ik zal alles terugbetalen ! “ zegt de man tegen de koning. Maar als je gaat rekenen dan blijkt dit een onmogelijke opgave.De schuld van de man is n.l. exorbitant groot : 10.000 talenten. Koning Herodus van Israël kreeg jaarlijks aan belastinginkomsten 200 talenten. De schuld van de dienaar  aan de koning is dus  50 x groter dan het totaal aan jaarlijkse belastinginkomsten van koning Herodus. Hij zal zijn schuld dus nooit kunnen afbetalen.

De schuld is oneindig groot en dus is de barmhartigheid van de koning die de schuld kwijtraakt  ook oneindig groot.

Dan gaat het verhaal verder met de woorden: “ Toen de dienaar naar  buiten ging…” ( Het was dus nog maar net gebeurd dat hij smekend op de grond lag voor de koning en hem zijn schuld kwijtgescholden werd ) , “trof hij een andere dienaar aan die hem 100 denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep ( greep hem bij de keel) en beet hem toe: “ Betaal me wat je me schuldig bent ! “De schuldenaar wierp zich voor hem op de knieën en vroeg:” Heb geduld met mij en ik zal alles terugbetalen.”Maar hij wilde daar  niets van weten en liet hem in de gevangenis zetten.

Nota bene : Nog maar net is de man met zijn gezin aan de slavernij ontsnapt en is hem een oneindig grote schuldkwijtgescholden maar  nu weigert hij een veel kleinere schuld zelf kwijt te schelden. De schuld van de tweede dienaar aan de eerste is 100 denarie. De schuld van de eerste dienaar aan de koning was 10.0000 talenten , dat is 50.000.000 denarie ! De schuld van de tweede dienaar aan de eerste is dus slechts 1/500.000 ste deel van de schuld van de eerste dienaar aan de koning ! Hij die zeer veel kwijtgescholden is weigert iemand anders een kleine schuld kwijt te schelden. Onbegrijpelijk ! Ondankbaar ! En het is dan ook goed te begrijpen dat de dienaars van de koning  hun verontwaardiging hierover niet kunnen verkroppen en naar de koning gaan om hem te vertellen wat er is gebeurd.

Hoe moeten we deze gelijkenis nu begrijpen? Ik denk dat we haar niet moeten begrijpen op het niveau van de wil. Dat zou al te eenvoudig en moralistisch zijn. De boodschap zou dan luiden dat wij anderen moeten vergeven omdat ook ons veel vergeven is. Maar dat wisten we al . Daarvoor hoeven we de bijbel niet te lezen. De bijbel spreekt ons niet aan op het niveau van de wil maar op het diepere niveau van de ziel. De eerste dienaar uit de gelijkenis zou ons niet begrijpend aankijken wanneer wij hem zouden zeggen dat hij zijn schuldenaar zou moeten vergeven omdat de koning hem zijn schulden vergeven heeft. Hij legt eenvoudigweg geen verband tussen beide zaken. Hij  was opgelucht toen de koning hem zijn schuld kwijtschold maar meer ook niet. Het raakte hem niet in zijn ziel. Hij was het gebeuren alweer vergeten toen hij de zaal uitliep. Zo ongeveer zoals je een bijna-ongeluk ook snel weer vergeet. Je schrikt wel even heftig maar ten diepste raakt het je niet.

De dienaar heeft de kwijtschelding van zijn schuld niet op het spirituele niveau van de ziel beleefd, het heeft  hem niet veranderd.  De barmhartigheid van de koning is niet doorgedrongen tot zijn ziel. Hij heeft de liefde niet gezien in de ogen van de koning. De liefde en barmhartigheid van de koning zijn niet tot hem doorgedrongen, hebben hem niet geraakt en daarom niet getransformeerd.

Het volgende verhaal kan verhelderen wat ik bedoel: Eens vroeg een rabbi  aan zijn leerlingen :  “ Wat is het grootste gebod ? “ Zijn leerlingen antwoordden: “ Dat we God lief hebben boven alles en onze naaste als onszelf. “ “ Nee” , antwoordde de rabbi “ er is een nog groter gebod . Het gebod dat je werkelijk tot je laat doordringen dat God van je houdt. “

Waar het om gaat is dat wij werkelijk tot ons laten doordringen dat God ons liefheeft. Daarvoor hebben we elkaar nodig. We mogen Gods liefde voor elkaar zichtbaar en voelbaar en hoorbaar maken. We mogen voor elkaar sacramenten van God zijn. Wanneer we werkelijk voelen dat we Gods beminden zijn en ons onvoorwaardelijk door Hem voelen aanvaard. Wanneer we werkelijk ervaren dat God ons onze onvolkomenheden vergeeft, dan en alleen dan zullen we ook in staat zijn om hen te vergeven die ons iets aangedaan hebben. Vergeving is geen gebod maar het gevolg van het tot ons laten doordringen van Gods liefde voor ons.

Dan het slot van de gelijkenis. De koning werd zo kwaad toen hij hoorde  van het ondankbare en liefdeloze gedrag van de dienaar die hij een oneindige grote schuld had kwijtgescholden dat hij hem in handen van de gerechtsbeulen gaf tot hij de hele schuld zou hebben terugbetaald. “  Zo zal mijn hemelse Vader ook ieder van jullie behandelen die zijn broeder of zuster niet van harte vergeeft. “

Deze slotconclusie legt Matteus Jezus in de mond maar ik vraag me af of Jezus het daarmee eens zou zijn.  Jezus antwoordt op de vraag van Petrus:  “ Hoevaak moet iik vergeven ? “  “ Zeventig maal zeven maal. “ d.w.z. oneindig vaak. Dat betekent dan toch ook dat de ondankbare dienaar zijn ondankbaarheid ook weer vergeven  wordt ? Ja maar dan blijf je toch aan de gang ? Ja maar dat bedoelt Jezus ook met zijn 70 x 7 maal. De liefde drijft alle vrees uit. Het slot van de lezing zou angst kunnen oproepen. Angst  die niet past bij Gods liefde en niet door Jezus opgeroepen wil worden.
Stel u het liefdevolle gelaat van God voor ogen. Laat het doordringen in uw ziel en  vergevingsgezindheid zal in u rijpen als vrucht van de Geest.

Amen.

30 oktober 2022

Lezing: Mattheüs 20
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

De lezing van vanmorgen begint met de woorden: “ Daarop kwam de moeder van de zonen van Zebedeus naar Jezus toe. “  Dat herinnert me aan een grapje dat u zelf denk ik ook wel kent: “ Hoe heet de vader van de zonen van Zebedeus? “ Spontaan ben je geneigd te antwoorden dat je bijbel kennis niet zo groot is dat je zulke details kent. Maar terwijl je dat antwoord geeft begint het al tot je door te dringen dat de vader van de zonen van Zebedeus natuurlijk Zebedeus zelf moet zijn.

Het is jammer dat de moeder van deze zonen niet bij name genoemd wordt. Het lijkt net alsof zij er niet toe doet wanneer zij aangeduid wordt als de moeder van de zonen van Zebedeus. Hieruit blijkt dat de bijbel geschreven is in een cultuur waarin vrouwen in het algemeen een ondergeschikte rol kregen. Toch maakt dit de bijbel niet tot een vrouw onvriendelijk boek. In het O.T. krijgen vele vrouwen een belangrijke plaats : Sara, de vrouw van Abraham, Mirjam de zus van Mozes, Hanna de moeder van Samuel, Naomi en Ruth noem maar op. En in het N.T. Maria de moeder van Jezus en de eerste getuige van de opstanding was een vrouw Maria van Magadala. Volgens het evangelie van Thomas heeft Jezus over haar gezegd dat niemand Hem zo goed begreep als zij.

En Jezus heeft zelf aan de emancipatie van de vrouwen bijgedragen door op voet van gelijkheid met hen om te gaan. En Paulus die arme Paulus die als zo vrouwonvriendelijk wordt gezien : de vrouwonvriendelijke uitspraken die hij zou hebben gedaan staan in brieven die niet door hem geschreven zijn. De echte Paulus ken je door zijn uitspraak dat we in Christus allemaal gelijk zijn : man en vrouw, heer en slaaf, jood en Griek.

Maar dit terzijde vanmorgen wil ik het met u hebben over dienstbaarheid en nederigheid. Dit thema snijdt Jezus aan wanneer Hem door de moeder van de zonen van Zebedeus wordt gevraagd of haar zonen links en rechts van Hem mogen zitten in het Koninkrijk van God. Ze droomt van een ereplaats voor haar twee zonen. En wellicht droomt ze daarbij van de eer die haar als moeder van de zoons daartoe ook ten deel zal vallen.

Toen de leerlingen van Jezus dit hoorden werden ze woedend op de twee broers. Waarschijnlijk omdat ze het idee hadden dat een ereplaats aan Jezus’ zijde veeleer aan hun als leerlingen van Jezus zou toekomen.

En daarom zegt Jezus tegen hen: “ Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. Zo zal het bij jullie niet mogen gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn zal de anderen moeten dienen . “

Wanneer wij deze woorden van Jezus horen dan vallen  wij niet meteen van verbazing van de bank. Toen de woorden door de lector voorgelezen werden hoorde ik geen rumoer in de kerk. Twee duizend jaar christendom heeft zijn stempel op onze cultuur gezet. De waarden en normen van Jezus zijn opgenomen in onze cultuur. Wij vinden het vanzelfsprekend dat dienstbaarheid en nederigheid deugden zijn die het waard zijn om in de praktijk te worden gebracht.

Maar in de tijd van Jezus klonken zijn woorden revolutionair. Revolutie wil zeggen dat zaken op hun kop worden gezet. En Jezus zette met zijn nadruk op het belang van dienstbaarheid de Grieks- Romeinse waarden en normen op hun kop.

In de Grieks- Romeinse cultuur draaide alles om status. Het doel van het leven was om een zo hoog mogelijk status te verwerven. Het is daarom niet toevallig dat de Olympische spelen in deze cultuur zijn ontstaan. Het ging erom om te winnen. Het ging om de roes van overwinning . De pijn van het verlies was ondraaglijk.

Wie je was in die cultuur werd bepaald door je plaats op de maatschappelijke ladder. Niets werd zo gevreesd als het dalen op die ladder. Nederigheid werd niet als een deugd beschouwd. In het Romeinse rijk had je een elite en een onderklasse. De elite maakte 2% van de bevolking uit en de onderklasse 98%. De  onderklasse werd “het gepeupel , het plebs “ genoemd. Over hen zij Tacticus, een belangrijke schrijver, : …het bestaan van de inferieure, minderwaardige mens is gunstig voor hen die superieur, meerderwaardig zijn, omdat zij hen in staat stellen aan te wijzen aan wie zij precies superieur zijn. “

De elite van 2% was onderverdeeld in drie klassen. De ene net weer iets hoger dan de andere. Waar het nu om draaide in het Romeinse Rijk was om in een zo hoog mogelijke klasse te komen. De strijd om de eer. Dat gaf het leven in het Romeinse rijk zin.

De 98% van de bevolking die de onderklasse vormde was ook weer ingedeeld in klassen. Je had burgers van het Romeinse rijk : zij konden aanspraak maken op bepaalde zaken en hadden recht op bescherming. Je had ook mensen die geen burger waren maar wel vrij waren en over hun eigen leven konden beslissen. Helemaal onderaan de maatschappelijke ladder stonden de slaven. Zij hadden geen zeggenschap over hun eigen leven maar waren uitgeleverd aan de genade en de grillen van hun meesters.

Een recht waarop een romeins burger aanspraak kon maken was het recht om niet gekruisigd te worden. Andere vormen van doodstraf mocht hij wel ondergaan b.v. onthoofding of steniging. Kruisiging was voorbehouden aan slaven en werd daarom ook “slavenstraf “ genoemd.

Paulus was een Romeins staatsburger. Dat gaf hem een bepaalde status. Maar in zijn brief aan de Romeinen introduceert hij zichzelf niet als Romeins staatsburger maar als slaaf van Christus Jezus. Dat stond , in een samenleving waarin het draaide om sociale status zo’n beetje gelijk aan sociale zelfmoord. Het zou het zelfde zijn wanneer je tijdens een afspraak met het meisje waarop je verliefd bent zou zeggen dat je een loser bent.

De strijd om de eer was ook de achtergrond van Paulus’ boodschap aan de gemeente van Korinthe. Hij schreef: “ Wij echter prediken Christus, de Gekruisigde, voor de joden een struikelblok en voor de Grieken een dwaasheid ( 1 Kor. 1:23) . Voor een Romeins burger was dit onbevattelijk : “ Hoe kun je nu een volgeling zijn van een slaaf en nog wel een volgeling van een gekruisigde slaaf ? ! “

In het Romeinse Rijk mocht iemand met een lagere status het spreken van iemand met een hogere status niet onderbreken. Andersom mocht wel.

Wanneer iemand gasten uitnodigde voor een maaltijd dan kregen ze een plaats aangewezen die in overeenstemming was met een sociale status. De mensen met hoge status vooraan. De mensen met lagere status achteraan. In verschillende gelijkenissen heeft Jezus hier kritiek op uitgeoefend : “ De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten.”

Omdat van iedereen verwacht werd dat hij zou proberen een zo hoog mogelijke status te verkrijgen was het van belang dat je leerde opscheppen over jezelf. Een zelfhulp boek uit die tijd had als titel: “ Hoe jezelf te prijzen zonder schaamte. “ Keizer Augustus had het gelezen en prees zichzelf in een boek met als titel: “ De verrichtingen van de goddelijke Augustus. De tekst werd gegraveerd in bronzen platen die over het hele rijk verspreid werden. Augustus schreef:

“ Mijn redekunst heeft me tot drie keer toe een overwinning opgeleverd. Ik ben 21x benoemd tot keizer. De Senaat wilde mij zelfs nog meer overwinningen toewijzen maar die heb ik van de hand gewezen wegens de triomfen die reeds door mij behaald waren. De Senaat dankt de goden voor mijn onsterfelijke grootheid. Ik ben tot dertien keer toe consul geweest. Gedurende veertig jaar was ik de hoogste in rang, als senator verheven boven alle senatoren. Ik heb het ambt van Pontifex Maximus bekleed. Alle burgers baden eenstemmig en zonder ophouden op elke heilige plaats voor mijn welzijn. “ Tot zover keizer Augustus. Het is alsof Donald Trump aan het woord is.

Nederigheid en dienstbaarheid waren geen eigenschappen die in het Romeinse Rijk  bewonderd werden. Het ging om grootheid ,status, eer. Wie nederig was werd als verachtelijk beschouwd.

Het is tegen deze achtergrond dat we de woorden  horen die Jezus zegt tegen zijn leerlingen wanneer zij met de zonen van Zebedeus ruzie maken over wie er naast Hem mag zitten in het Koninkrijk van God: “ Zo zal het bij jullie niet mogen gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn zal de anderen moeten dienen.” Dit waren revolutionaire woorden. Woorden die de waarden en normen van het Romeinse Rijk op hun kop zetten. Woorden die doorgedrongen zijn in onze cultuur. Wij beschouwen nederigheid en dienstbaarheid als deugden. Om deze reden gaat Mark Rutte als het enigszins kan  niet in een dure Mercedes maar op de fiets naar het Binnenhof. Hij laat zien: “ Ook al ben ik premier, ik verbeeld me niets. Ik ben een eenvoudig man die slechts dienstbaar wil zijn aan het volk. “

Jezus waarschuwde voor heersers die hun status en eer centraal stellen: “ Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. Daarom wie van jullie de belangrijkste wil zijn zal jullie dienaar moeten zijn. “ Over de eeuwen heen richt Jezus zich met deze woorden tot Poetin, president Xi van China, Bolsinaro van Brazilie en de emirs van Qatar en Saoedi Arbië.

“ Zalig de zachtmoedigen “ zegt Jezus. Zalig de vredestichters.

Amen.

9 oktober 2022 Jeugddienst

Lezing: Lucas 17: 21 en 22
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Thema: Het Koninkrijk van God

Beste mensen,

De vraag die vanmorgen centraal staat is de vraag: “ Waar is het Koninkrijk van God ? “ Deze vraag hebt u voor uzelf al voor een deel beantwoord en hebt er met elkaar over gesproken. Ilse, Lise en Jan hebben ons op ontroerende wijze verteld waar zij het Koninkrijk van God ervaren.

Heel kort zou ik nog een paar woorden willen zeggen over de inhoud van het begrip Koninkrijk van God.

Zou de bijbel in onze tijd geschreven zijn dan zou het woord “Koninkrijk van God “ denk ik niet meer worden gebruikt om aan te duiden wat ermee wordt bedoeld. Het woord heeft zijn eigenlijke betekenis voor ons verloren. We leven weliswaar in het Koninkrijk der Nederlanden maar onze koning Willem Alexander heeft eigenlijk geen macht. Zijn koningschap is in feite niet meer dan een ceremonieel koningschap. En hiermee wil ik niet zeggen dat het daarmee overbodig geworden is. Ik denk dat het koningshuis een belangrijke samenbindende functie heeft voor ons land. En we mogen trots zijn op onze koning en koningin en verschillende prinsen en prinsessen omdat zij zich voor het welzijn van medemensen inzetten.

Het koningschap van Willem Alexander is een ceremonieel koningschap. Hij is geen macht. Wanneer mensen uit onze tijd nu het begrip “Koninkrijk van God“ horen dan zegt hun dat niet zoveel omdat zij een ceremonieel koningschap voor ogen hebben.

In de tijden waarin de bijbel geschreven werd was dit geheel anders. Een koning had wel degelijk macht. Hij had zelfs absolute macht. Hij besliste over leven en dood van zijn onderdanen. Hij besliste over oorlog en vrede. Hij besliste over de verdeling van de rijkdom. Hij besliste over alles. De koning was maatschappelijk relevant. Het begrip “Koninkrijk van God “ was maatschappelijk relevant. Het was een politiek begrip.

In de tijd van Jezus maakte het land Israël deel uit van het keizerrijk Rome. De keizer van Rome had absolute macht. Hij besliste over alles. Hij besliste zelfs over leven en dood van zijn onderdanen. In Rome werden er in het Colosseum gladiatoren gevechten gehouden waarbij twee strijders op leven en dood met elkaar vochten. Wanneer de één de ander tegen de grond geslagen had en met opgeheven zwaard zijn voet op de borst van de verslagene zette, keek hij naar de keizer : zal ik hem doden of in leven laten ? En de keizer gaf dan met zijn duim aan wat zijn beslissing was. Duim omhoog betekende : in leven laten. Duim naar beneden : doden.

De keizer had de absolute macht. Hij besliste over alles. De keizer had vele eretitels. Eretitels die ons bekend voorkomen: zoon van God, verlosser, heer. Deze eretitels stonden op de munten die in het Romeinse rijk als betalingsmiddel werden gebruikt.

Wij zijn er helemaal aan gewend om Jezus Zoon van God, Heer en verlosser te noemen en wij hebben daarbij vooral kerkelijke en religieuze associaties. We staan er dikwijls niet bij stil dat in Jezus’ tijd  deze namen een sterke politieke lading hadden.

De keizer werd “Heer”genoemd :  “kurios” . Maar de christenen jubelden : “ Jezus is Heer !  “ Niet de keizer van Rome maar Jezus is Heer. Dat was revolutionair. Dat was gevaarlijk. De christenen werden als staatsgevaarlijk beschouwd. Het INGRI teken dat visje dat je wel achterop auto’s ziet is een verwijzing hiernaar. INRI is de latijnse afkorting van Jesus Nazarenus Rex Iudaeorum. Jezus van Nazareth koning der Joden. Deze woorden stonden op een bord dat boven Jezus’ hoofd aan het kruis gespijkerd werd. Dat INRI teken tattoo eerden christenen boven hun duim. Omdat het gevaarlijk was om over Jezus te spreken en ze vermoedden dat iemand die ze niet kenden een christen was, dan lieten ze de tatoo  boven hun duim zien.

Het koninkrijk van God is dus niet alleen een religieus en een kerkelijk begrip :  het is een politiek begrip. Het is een rijk waarin het er totaal anders aan toe gaat dan in het keizerrijk Rome.

Wat maakt nu dat Jezus gekozen wordt tot koning van het Koninkrijk van God ? Waarin verschilt Hij van de keizer van Rome ?

Het verhaal over de verzoeking in de woestijn maakt dat duidelijk. Jezus werd in de woestijn drie keer door de duivel verzocht. 1. Na veertig dagen niet te hebben gegeten zei de duivel tegen Jezus: Maak van deze stenen brood. 2. Ook nam hij Jezus mee naar een hoge berg, liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien en zei: wanneer je neerknielt voor mij zal ik je dit alles geven 3 Vervolgens nam hij Jezus mee naar het dak van de tempel en zei: Spring naar beneden en laat je opvangen door engelen en iedereen zal je vereren als een god.

Dit is symbooltaal. Met “ maak van deze stenen brood “wordt hebzucht bedoeld. Met :” kniel voor mij neer “ wordt regeren door middel van geweld bedoeld. Met: spring van het tempeldak en laat je opvangen door engelen “wordt eerzucht bedoeld. En Jezus wijst alle drie de verzoekingen van de hand.

Kijk nu naar de koningen van deze tijd. Poetin, Erdogan, president Xi van China. Alle drie zijn ze hebzuchtig, regeren ze d.m.v. geweld en zijn ze eerzuchtig. En kijk hoeveel ellende ze aanrichten.

Wat zal de wereld er anders uitzien wanneer niet types als Poetin, Erdogan en Xi  aan de macht zijn, koning zijn, “heer” zijn maar Jezus koning is van het koninkrijk van God : een rijk van vrede en welvaart voor iedereen, wereldwijd. Niet Poetin, niet Erdogan, niet Xi is heer maar Jezus is Heer !

Waar is het Koninkrijk van God ? Ilse, Lise en Jan hebben het aangewezen in het hier en nu. En we mogen geloven dat God werkzaam is in de geschiedenis en met zijn Heilige Geest in en door mensen werkt om dit Rijk te realiseren. Het komt er en het is er op vele plaatsen al.

In een tijd van oorlog en onderdrukking mogen we elkaar met de uitroep “Jezus is Heer “  bemoedigen. Roep het samen met mij uit. Durf uw stem te gebruiken. Niet Poetin maar Jezus is Heer !

Amen.

25 september 2022

Lezing: Lucas 8
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het verhaal dat aan het verhaal van vanmorgen voorafgaat is het verhaal van de storm op het meer. Het bootje van Jezus en zijn leerlingen vaart op het meer. Er steekt een stormwind op. Het bootje dreigt in de golven ten onder te gaan. Dan gaat Jezus staan en beveelt de wind om te gaan liggen. En een ogenblik later is het meer zo glad als een spiegel en schittert de zon op het water.

In het verhaal van vanmorgen gaat het ook over een storm. Een storm die woedt in het hart van een man. Hij woont in het gebied van de Gerasenen. Hij heeft een woest uiterlijk. Lang haar dat al maanden of jaren niet gewassen is en dat in dikke klitten als vilt over zijn schouders hangt. Hij is uitzinnig van woede. Zijn ogen spuwen vuur. De woede vertekent zijn gezicht dat niet langer menselijk lijkt maar lijkt op de tronie van een demon. Zijn naakte lijf bedekt met modder en vuil. Hij woont tussen de graven. Hij voelt zich meer verbonden met de doden dan met de levenden. Om hem tegen zichzelf te beschermen had men zijn handen dikwijls aaneengebonden. En om anderen tegen aanvallen van hem te beschermen had men hem verschillende keren met een ketting aan een rots geketend. Maar zijn woede en zijn kracht waren zo groot dat hij de boeien en de ketting steeds weer stuk kon trekken.

Daar zit hij nu tussen de graven. Helemaal alleen. Van god en mens verlaten. Het ene moment kijkt hij woedend, het volgende moment doodsbang en je ziet ook diepe eenzaamheid en groot verdriet.

Dan hoort hij in de verte mensen lachen en praten. Hij kijkt op, ziet een groepje mensen aankomen lopen. Mannen en vrouwen. In hun midden loopt een man met een baard in een wit gewaad. Zijn gezicht straalt. Hij is een en al licht en liefde, zachtmoedigheid en vriendelijkheid.

Deze aanblik snijdt de bezeten man door zijn ziel. Hij voelt ondraaglijke pijn. De aanblik van de man laat hem zijn diepe eenzaamheid in alle hevigheid voelen. Hij schreeuwt het uit en rent woedend op Jezus af. Zijn vuist heeft hij al geheven, klaar om Jezus met een klap dood te slaan.

Maar dan gebeurt er iets vreemds. De man voelt in zijn hele lijf dat er een wonderlijke zachte kracht van Jezus uitgaat. Een warmte, een zachtheid die meer lijkt op een ruimte dan op kracht. Een helende ruimte waar de man in binnengaat.

En tot zijn verbazing ziet hij dat Jezus helemaal niet bang voor hem is. Iedereen die hem tegenkomt loopt altijd hard weg maar Jezus blijft staan, wacht rustig tot de man bij Hem is en kijkt hem liefdevol aan.

De man valt voor Jezus op zijn knieën. “Wie ben je?” vraagt hij aan Jezus. Waarom ben je niet bang? Waarom loop je niet hard voor me weg? Weet je niet dat ik je met een slag van mijn vuist dood kan slaan? “

“Ja, dat weet ik,” antwoordt Jezus, “maar toch ben ik niet bang. Ik ben niet bang voor de dood omdat ik me veilig voel in de handen van God. Ik voel me veilig, hier en nu. Ik word omringd door de liefdevolle handen van God. En ik weet dat diezelfde handen me ook na mijn dood, liefdevol zullen omringen.”

En Jezus vervolgde: “Ik ben niet bang maar ik zie dat jij doodsbang bent. Je bent bang en eenzaam. En om die angst te overwinnen word je boos. Niet maar een klein beetje: je wordt woedend. Je wilt ontsnappen aan je eenzaamheid door mensen aan je te onderwerpen.  Dat is een kwaal waar vele mensen aan lijden, gewone mensen, maar in het bijzonder koningen, keizers, generaals en dictators.

Zij denken dat de wereldvrede dichterbij komt door de macht van het zwaard. Maar dat geloof ik niet. Ik geloof niet in een macht die van buitenaf opgelegd wordt maar in een macht, die van binnenuit komt. Ik geloof in de macht van de liefde. Net zoals een boom groeit uit een zaadje komt de macht van de liefde vanuit jezelf.

De macht van het zwaard berust op zwakheid, onderwerping en machteloosheid van anderen. De macht van de liefde onderwerpt niemand maar geeft iedereen macht en verbindt de mensen met elkaar. De macht van het zwaard loopt uit op oorlog en verdriet. De macht van de liefde schept vrede en vreugde. “

De man luisterde aandachtig naar Jezus. “Maar waarom zou ik u geloven?” vraagt hij. Er staat veel voor hem op het spel. Wanneer hij zich zou overgeven aan de macht van de liefde en het zou niet werken dan zou hij weer terugvallen in zijn isolement en weer overgeleverd worden aan eenzaamheid, angst, verdriet en woede. Dat zou onverdraaglijk zijn.

Jezus kijkt de man liefdevol aan met zijn stralende ogen en zegt dan zacht en vriendelijk: “Wees niet bang!” En dan geeft de man zich over aan de liefde van God en de liefde van Jezus. Zijn lichaam begint te schudden en te schokken. Woede, angst, eenzaamheid en verdriet verlaten zijn lichaam en ziel. Hij schreeuwt het uit en huilt hartverscheurend. Jezus legt zijn hand zachtjes op zijn hoofd. Langzaam komt de man tot rust. Zijn gezicht dat kort daarvoor nog van pijn en woede vertrokken was en nauwelijks meer het gezicht van een mens leek, is nu een voluit menselijk gelaat geworden. Zijn ogen stralen rust uit. De mensen rond Jezus nemen hem mee naar een beek, wassen hem en trekken hem schone kleding aan.

Dan maken ze een vuurtje. En bij het vuurtjes breken ze brood en drinken ze wijn. Ze praten, zingen en lachen. En danken God voor het wonder dat door Jezus werd gedaan.

Amen.

4 september 2022

Lezing: God en het lijden
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Afgelopen donderdag stond er in het dagblad Trouw een cartoon, getekend door de cartoonist “Tom”. Op de tekening zag je Mark Rutte in een boksring staan. Hij droeg bokshandschoenen, een korte broek en een hemd. Het hemd liet zijn dat hij vrij tenger gebouwd is. Mark Rutte verwachtte het tegen één tegenstander op te moeten nemen maar er duiken wel vier tegenstanders op : grote gespierde mannen met op hun hemden de woorden: energiecrisis, klimaatcrisis, koopkrachtcrisis en asielcrisis. Mark Rutte kijkt geschokt naar zijn tegenstanders en vraag: “ Eh, vier tegelijk ? Moet ik het opboksen tegen vier tegenstanders tegelijk ? “

Op humoristische wijze brengt de cartoonist ons aller ervaring in beeld: er spelen op ogenblik het zoveel problemen tegelijkertijd ! En de problemen zijn zo groot !

En op het journaal zien we beelden van slachtoffers van oorlog, de verwoestingen ten gevolge van overstromingen, bosbranden en droogte.

De beelden van wanhopige hongerige, dakloze en verzwakte mensen zijn aangrijpend. Geen wonder dat de vraag opkomt : Waarom doet God er niets aan ? Waarom grijpt hij niet in ?

Er zijn goede en minder goede redenen om niet in God te geloven. Onze samenleving is doordrenkt van het wetenschappelijke denken. Velen kunnen alleen geloven wat zichtbaar is door een microscoop of telescoop of wat op de een of andere manier meetbaar is. Ze denken dat de werkelijkheid niet groter is dan de materiële wereld. Dat dit niet klopt blijkt al eenvoudig uit het contact dat tussen mensen mogelijk is.

We hebben een gezicht dat deel uit maakt van de materiële wereld. Een neus, een mond, lippen, wangen een voorhoofd. Een stenen beeld heeft dezelfde elementen. Het verschil tussen een beeld en een mens is dat wanneer wij een medemens aanspreken door het materiële gezicht de ziel van de medemens heen breekt. Deze ziel is niet meetbaar, niet zichtbaar maar openbaart zich aan ons. Die ziel licht op en wij herkennen een medemens en roepen de woorden uit die Adam uitriep toen hij Eva ontwaarde: “Eindelijk een mens zoals ik ! “

De ziel, de persoon van medemens licht op in het materiële gezicht van de ander. Daarom spreken  we niet alleen van “gezicht “  maar van “gelaat “ . Daar spreekt grote eerbied uit.

Zoals de ziel van de medemens in het materiële gezicht oplicht zo licht de aanwezigheid van God op in de materiële werkelijkheid. De bergen , rivieren, bomen en bloemen zijn niet alleen materie die zichtbaar en meetbaar is maar de ziel van God breekt er in door, licht er in op. Dat het geloof in god in strijd zou zijn met de wetenschap is dus geen goede reden om niet in God te geloven.

Wat wél een goede reden is om niet in God te geloven dat is het lijden in de wereld. Dat lijden kunnen we niet weg redeneren. Dat dringt zich aan ons op in de journaals : wanhopige moeders met ondervoede kinderen op schoot die ons met grote holle ogen aanstaren, huilende vaders en moeder bij het graf van hun zoon die gesneuveld is in de oorlog in Oekraïne, beelden van arrestaties van jonge mensen in Rusland die zich durven uitspreken tegen de oorlog. Noem maar op.

Wanneer je die beelden ziet dan moet je niet spreken, dan moet je zwijgen, je moet niet met een verklaring komen, je moet niet zeggen dat het ergens goed voor is. Iemand die lijdt moet je troosten verder moet je zwijgen uit eerbied voor het lijden.

Dit gezegd hebbend wil ik toch proberen iets te zeggen over de wijze waarop we kunnen spreken en denken over God en het lijden. Ik hoop dat ik het op voldoende respectvolle wijze kan doen.

In de eerste plaats : we leven in déze werkelijkheid. Een andere werkelijkheid kennen we niet. We kunnen wel vragen : waarom heeft God de wereld niet zo geschapen dat er geen lijden mogelijk zou zijn ?” Maar die vraag heeft geen zin. We leven in een werkelijkheid waar lijden is en in deze werkelijkheid licht God op, breekt Hij door de materie heen en spreekt ons aan zoals een medemens ons aanspreekt.

We krijgen van God geen uitleg over het lijden in deze wereld. Maar in de bijbel horen we dat God geen toeschouwer is die vanuit zijn hoge hemel onverschillig toelijkt naar het lijden op aarde. Wanneer het volk Israël gebukt gaat onder de slavernij in Egypte verschijnt God aan Mozes en zegt Hij :  “ Ik heb zeer wel gezien het lijden van mijn volk en hun jammerklachten heb ik gehoord. Daarom ben ik neergedaald om ze te verlossen. “

Het volk Israël heeft God niet als een onverschillige God ervaren , als een God die niets doet dan toekijken maar als een God die medelijden heeft met Zijn volk en ze wil verlossen.

En ook de mensen die Jezus ontmoetten hebben God niet als een onverschillige God ervaren. Wanneer ze in Jezus’ nabijheid kwamen hadden ze het gevoel in de nabijheid van God Zelf te komen.  En die nabijheid ervoeren ze als liefde. Een liefde die ook sprak uit Jezus’ woorden en daden. De mooiste zin uit de evangeliën vind ik de woorden: “ En Jezus zag de schare en hij werd met ontferming over hen bewogen. “

Door de eeuwen heen hebben mensen ondanks alle lijden God als liefde ervaren. Maar het mooie van de bijbel is dat het lijden en de vraag naar het lijden daar niet ontkend  wordt maar een centrale plaats in krijgt. Er zijn momenten waarop je God niet als liefde kunt ervaren. Midden in het oude testament staat psalm 22 en de dichter van deze psalm schreeuwt het uit van ellende : “ Mijn God, mijn God waarom hebt gij mij verlaten ? “

En midden in het N.T. schreeuwt Jezus deze woorden uit aan het kruis: “ Mijn God , mijn God waarom hebt Gij mij verlaten ? “

Wanneer deze vraag niet op deze plaatsen in de bijbel zou klinken dan zou de bijbel niet meer dan een sprookjesboek zijn. Een boek met mooie verhalen die aan de werkelijkheid voorbij gaan.

Maar gelukkig wordt de vraag gesteld: “ Mijn God mijn God waarom hebt Gij ons verlaten ? “

De vraag wordt niet op een rationele wijze beantwoord. We krijgen geen redelijk antwoord waarmee we wel kunnen leven. Op het niveau van het hoofd wordt de vraag niet beantwoord maar wel op het niveau van het hart en de ziel.

Psalm 22 is een klaagpsalm. Klacht volgt op klacht: “ Ik ben een worm en geen mens. Als water ben ik uitgegoten, mijn gebeente valt uiteen, mijn kracht is droog als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte….zo gaat het maar door. Maar dan opeens, halverwege de psalm is er een omslag. De klaagpsalm slaat op eens om in een lofzang: “ Gij hebt mij geantwoord ! “ jubelt de psalmist en de rest van de psalm jubelt hij door.

Dit moment is de psalm wordt de mystieke omslag genoemd. De inhoud van het antwoord dat de psalmist ontvangt vernemen we niet. Het is een intiem gebeuren tussen God en de psalmist.

En dit zien we ook bij Jezus aan het kruis. “ Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten ? “ roept Jezus uit. Maar even later roept Hij: “ In Uw handen beveel ik mijn geest. “ Ook hier vernemen we niet wat er gebeurt is tussen Jezus en zijn Vader. We horen niet het antwoord dat God aan Jezus gaf op zijn indringende vraag. Ook hier is het een intiem gebeuren tussen God en Jezus. Ook hier is sprake van een mystieke omslag.

Dit geeft de richting aan waarop wij kunnen omgaan met de vraag naar God en het lijden. Geconfronteerd met lijden moeten we uit eerbied voor degenen die lijden onze mond houden en zwijgen.

We mogen we geen verklaringen geven voor het lijden. We mogen niet speculeren over de vraag waar het vandaan komt. We weten het niet. We weten alleen dat we in een wereld leven waarin lijden voorkomt en geen andere wereld kennen dan deze.

Het enige dat we kunnen doen is om ons in gebed te richten tot God en Hem zelf die vraag te stellen: “ Mijn God , mijn God waarom ? “ Alleen in die persoonlijke, intieme verhouding met God kan het gebeuren dat er ook in ons hart een mystieke omslag kan plaatsvinden en wij met de dichter van psalm 22 kunnen uitroepen : “Gij hebt mij geantwoord. “ En met Jezus kunnen bidden: “ Vader in Uw handen beveel ik mijn geest.

Amen.

28 augustus 2022

Lezing: Lucas 18
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Vanmorgen lezen we de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar die in de synagoge aan het bidden zijn. Welke voorstelling maakt u zich van Jezus terwijl Hij deze gelijkenis vertelt? Ik vermoed dat u zich Jezus voorstelt als een leraar voor de klas of als een dominee op een kansel. Zoals een leraar en een dominee een lang verhaal houden voor de klas of de gemeente en de leerlingen en de gemeenteleden  aandachtig en in stilte luisteren.

Maar dit beeld klopt denk ik niet. We moeten ons Jezus niet voorstellen als een leraar of een dominee maar als een cabaretier. Een cabaretier houdt geen lange redevoeringen maar probeert vanaf het moment van opkomst contact te leggen met de mensen in de zaal. En gedurende zijn hele voorstelling probeert hij dat contact vast te houden. Dat doet hij door humoristische verhalen te vertellen, door grappen te vertellen, door beeldspraak en door mensen te provoceren. Een goede cabaretier is niet alleen grappig maar heeft ook een boodschap.

Zo communiceerde Jezus ook met de mensen. Hij hield geen lange dogmatische preken over de hoofden van de mensen heen maar maakte direct contact met hen door humor, door provocatie, door beeldspraak. En dikwijls sprak hij rechtstreeks liefdevolle woorden tot de mensen die hen in het hart raakten.

Cabaretiers hebben vaak een hele goede antenne voor maatschappelijke verhoudingen. Ze zijn dikwijls goede psychologen en kunnen mensen goed imiteren. Ze nemen de lichaamshouding, de gezichtsuitdrukking en de spreekwijze van iemand over en men herkent onmiddellijk wie wordt bedoeld. Dikwijls nemen ze hoogwaardigheidsbekleders op de korrel.

De Farizeeën waren de hoogwaardigheidsbekleders in de tijd van Jezus. Omdat er spanning was tussen Jezus en een deel van de Farizeeërs is het beeld dat de evangelisten van hen schetsen wat negatiever dan ze verdienen. In een tijd waarin het volk door de Romeinse bezetting van de God van Israël dreigde weg te drijven probeerden zij door zich strikt te houden aan de leefregels van de Thora, dicht bij God te blijven. Hun bedoeling was zuiver en goed. Een aantal Farizeeërs sloeg hierin wat door. De gehoorzaamheid aan de regels werd belangrijker dan de liefdevolle relatie met God. Maar dit was niet de essentie van hun geloof. Zij geloofden net als wij dat het in het geloof om liefde gaat en wij die liefde niet hoeven te verdienen.

In de gelijkenis heeft Jezus de Farizeeërs op het oog die wat doorslaan in hun goede bedoelingen en omdat zij zich zo inspanden om zich strikt aan de regels van de wet te houden, neerkeken op hen die daar wat minder mee bezig waren.

Waarom Jezus op dat moment de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar vertelt, weten we niet. Maar ik stel me zo voor dat Jezus ergens zat, dat er mensen om Hem heen stonden en dat er toen een hooghartige Farizeeër langsliep die misprijzend naar Jezus en de mensen om Hem heen keek.

Jezus zag het, de mensen zagen het. En dan begint Jezus zijn verhaal: Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, een Farizeeër en een tollenaar. En Jezus zal toen als een cabaretier de lichaamshouding van een hooghartige Farizeeër aangenomen hebben. Hij maakte zich groot, deed zijn borst vooruit en stak zijn neus in de lucht. Zo dat de mensen in de lach geschoten zullen zijn.

En bij de tollenaar zal hij zich klein gemaakt hebben, zijn hoofd naar de grond gebogen en af en toe even schichtig opgekeken hebben. De mensen keken geboeid toe. Iemand zal Jezus de Farizeeër toegeroepen hebben: “Hé, opschepper! “En een zal Jezus de tollenaar toegeroepen hebben: “Afperser!”

Jezus naam weer de lichaamshouding van de Farizeeër aan keen naar de hemel en riep: “God, ik dank U dat in niet ben als de andere mensen: roofzuchtig, onrechtvaardig en overspelig en dank U wel dat ik niet ben als die tollenaar!”

De Farizeeër ziet het kwade alleen in andere mensen. Hij is zich niet bewust van zijn schaduwkant. Zijn eigen roofzuchtige, onrechtvaardige en overspelige neigingen projecteert hij op anderen. Hij meent oprecht dat hij een heilig man is.
De Farizeeër is een hoogmoedig. En hoogmoed is de oerzonde, de bronzonde, de zonde waaruit alle andere zonden uit voortkomen.

In Genesis 2 staat het verhaal over de zondenval. Van alle bomen in de hof mogen Adam en Eva eten maar niet van de boom van kennis van goed en kwaad. Wanneer zij van die boom eten zullen ze worden als God.
De vruchten van de boom zijn begeerlijk voor Adam en Eva. Zij willen worden als God. En dat is de kern van hoogmoed: zelf God willen zijn. Zelf alle eer en alle glorie, alle macht en alle rijkdom willen hebben. Denk aan Donald Trump. En hierbij hoort dat je zelf wel denkt te kunnen bepalen wat goed of kwaad is.

Het zelf God willen zijn is een aanlokkelijke gedachte maar het valt in werkelijkheid zwaar tegen. Wanneer je god bent sta je op eenzame hoogte. Je hebt geen gelijken meer. Je hebt geen vrienden meer. Je kunt alleen nog maar neerkijken op anderen. En anderen houden niet van je maar kunnen niet anders dan je bewonderen.

Vele popsterren hebben aan den lijve ervaren hoe eenzaam je dan wordt. Velen hebben zelfmoord gepleegd. Vaak op 27-jarige leeftijd.

Het zondenval verhaal is als een röntgenfoto die ons onze binnenkant toont of ons als in een spiegel voorhoudt wie we zijn. Maar let op! Ik zei zostraks al: Jezus was als een cabaretier. Hij sprak met humor. U moet mijn woorden dat het zondenval verhaal ons een spiegel voorhoudt niet zwaar opvatten. Het is niet zo dat we onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. We zijn wel degelijk in staat om goed te doen en lief te hebben maar de meeste mensen kennen ook wel een lichte neiging tot hoogmoed. Helemaal niet erg. Als je je er maar van bewust bent en er met een beetje humor mee om kunt gaan.

Er is een mooi joods verhaal over hoogmoed en nederigheid:
Een rabbi die weet van de waarde van nederigheid bidt in de synagoge: “Vergeef me Heer dat ik de zondigste mens van deze synagoge ben. “De voorzitter van het synagoge bestuur hoort dit en bidt: “Vergeef me Heer dat ik de zondigste mens van het hele dorp ben! “De koster hoorde beide gebeden en bidt: “Vergeef me Heer dat ik de zondigste mens van héél het land ben! “Dan draaien de rabbi en de voorzitter van de synagoge zich om en bijten hem toe: “Wie denk je wel dat je bent dat je kunt claimen de zondigste mens van het hele land te kunnen zijn?”

Humor is wezenlijk voor het geloofsleven. Wanneer je hoogmoed of hebzucht, of eerzucht of wat dan ook bij je zelf opmerkt, veroordeel je zelf dan niet maar lach erom in het geloof dat het je al vergeven is door een liefdevolle God.

De tollenaar voelde zich zo schuldig dat hij zich op de borst sloeg en zelfs zijn ogen niet naar de hemel durfde op te heffen. Jezus zei van hem dat hij rechtvaardig was in de ogen van God. Wanneer je je bewust bent van een neiging tot hoogmoed of hebzucht of eerzucht of wat dan ook, dan heb je er al afstand van. Je ziet het. Je valt er niet meer samen. En waar je niet mee samen valt projecteer je niet meer op anderen.

Hoewel je er niet meer mee samenvalt ben je er nog niet van los. Maar dat is een proces. Dat komt wel. Gun je zelf de tijd, in de wetenschap dat God van je houdt en kijk naar jezelf een je medemens met humor.

Amen.

10 juli 2022

Lezing: Lucas 10, 25-37
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Beste jongeren en ook ouderen,

Jullie weten wel dat we het in de kerk vaak hebben over God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Vaak wordt niet uitgelegd wat we daarmee bedoelen. Eigenlijk moet dat in iedere dienst opnieuw uitgelegd worden en in een jeugddienst kun je er niet omheen. Daarom: Wie is God? Wie is de Zoon, wie is de Heilige Geest?

God is geen oude man met een witte baard die zit op een gouden troon in de hemel maar de kracht die het universum van binnenuit bijeen houdt en de kracht die ook ons van binnenuit bijeenhoudt. En die kracht is liefde. God’s liefde doorstroomt het universum en ook ons. En God is niet alleen een kracht, je kunt Hem ook aanspreken, je kunt tot Hem bidden.

God is ook ruimte. Paulus zegt: “In hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.” “Maar we zien Hem niet,” zullen jullie misschien zeggen. Nee, maar wij zijn in God zoals vissen in het water. De vissen worden omringd door water maar zijn er nooit buiten geweest. Je zou ze even op moeten pakken en boven het water houden en dan weer teruggooien in het water. Dan zouden ze het water gaan zien. Bij vissen zou dat lukken. Maar men kan ons niet even buiten God houden zodat wij Hem kunnen gaan zien wanneer we weer terug zouden komen in Hem. Voor ons is het de kunst om Hem in het water van het leven te ontdekken.

Wie is de Zoon?  Dat is Jezus. En Jezus laat ons zien wie God is. Als Zoon lijkt hij op zijn Vader. Hij was een Jood. De Joden noemen het O.T. de wet. In de wet staan 613 ge-en verboden. Waarom 613? Dit is de optelsom van 148 en 365. De Joden geloofden dat het menselijk lichaam uit 248 delen bestond. Een jaar heeft 365 dagen. De 613 ge-en verboden moeten niet als wetten worden beschouwd maar als leefregels voor een gelukkig leven. In de wet, de Thora zegen de joden staan 613 leefregels zodat men iedere dag van het jaar met heel het lichaam God kan liefhebben. Wanneer je dat doet kun je dansend door het leven gaat met de Thorarol in je armen. Hoe ziet iemand eruit die de 613 leefregels in de praktijk brengt? Kijk naar Jezus. Hij danst door het leven met de Thorarol in zijn armen en straalt puur geluk uit.

Wie is de Heilige Geest? Met Zijn Heilige Geest, met zijn enthousiasme (dat betekent vol van God zijn)  inspireert God ons om ook de 613 leefregels in de praktijk te brengen en om zo gelukkig te worden. Jezus die vol was van de Heilige Geest is onze inspiratiebron.

Nu het verhaal van vanmorgen. Een wetsleraar komt bij Jezus en stelt Hem een vraag. Een wetsleraar  (je kunt hem beter dansleraar noemen. Hij leert mensen dansend met de Thorarol door het leven gaan) weet veel over de praktische toepassing van die 613 leefregels. Hij vraagt aan Jezus: “Meester wat moet ik doen om het eeuwige leven te verkrijgen?” Met “het eeuwige leven“ bedoelde hij niet het leven na de dood. Het  “eeuwige leven” is een uitdrukking van kwaliteit. De wetsgeleerde vroeg Jezus eigenlijk: “ Hoe kan mijn leven een goede kwaliteit krijgen? Hoe kan ik gelukkig worden? Hoe kan ik een zinvol leven lijden?”

Jezus antwoordt hem: “Wat staat er in de wet?” De man antwoordde door de samenvatting van de 613 leefregels te geven: “Heb God lief boven alles en je medemensen als jezelf.” En dan antwoordt Jezus: “Precies goed! Je slaat de spijker op zijn kop!”

De man voelt zich dan een beetje voor schut staan en wil laten zien dat hij toch wel een hele knappe wetsgeleerde is .Daarom stelt hij een denkt hij zelf slimme vraag: “ Maar als ik mijn medemens lief moet hebben, wie is mijn medemens dan?”

Jezus is een hele goede psycholoog. Uit de manier waarop deze man de vraag stelt begrijpt Jezus dat hij nog een groeiproces moet doormaken. Deze man ziet  niet dat hij naar de wereld en naar de mensen om hem heen kijkt alsof de wereld om hem draait, alsof hij het centrum van de wereld is.

Een medemens is in zijn ogen iemand die dicht bij hem staat. Als buurman zal hij zich verantwoordelijk voelen voor zijn naaste buren, voor de buren links van hem en rechts van hem. Zou een overbuurman een probleem hebben of iemand die een paar huizen verderop woont dan zou hij denken: “Ze wonen niet dicht bij mij dus ik ben niet verantwoordelijk voor hen.”

Jezus wil hem laten zien dat hij zichzelf ziet als centrum van de wereld en daarom vertelt Hij een verhaal.

Een man wordt overvallen door rovers en zwaar gewond achter gelaten langs de kant van de weg. Een priester komt langs een hulppriester komt langs. Beiden kennen de 613 leefregels  goed. Maar ze kijken angstig om zich heen : “Gauw wegwezen! Misschien zijn de rovers nog in de buurt.“ Dan komt er een Samaritaan aan. Joden hadden in die tijd een hekel aan Samaritanen. Zoals de orthodoxe joden in Israël een hekel hebben aan Palestijnen. En Jezus laat in zijn verhaal nu uitgerekend een Samaritaan degene zijn die de gewonde man hulp verleent.

En dan vraagt Hij aan de wetgeleerde: “Wie was de medemens van de man die overvallen werd? :de priester, de hulppriester of de Samaritaan?  “De wetgeleerde antwoordt: “de Samaritaan, want die was goed voor de gewonde man.” Toen zei Jezus: doe dan voortaan net zoals de Samaritaan.“

De wetsgeleerde vroeg aan Jezus: “Wie is mijn medemens?“ En Jezus vraag Hem nadat hij het verhaal verteld heeft: “Wie was de medemens van de man die overvallen werd? “  De vraag is dus niet: “Wie is mijn medemens maar: “Voor wie kan ik een medemens zijn?“

Niet jij staat in het middelpunt maar je medemens. Nu geldt voor ons allemaal dat we dezelfde ontwikkeling mogen doormaken die de wetgeleerde die zich tot Jezus richtte doormaakte. We staan allemaal in het middelpunt van ons leven en de Heilige Geest leert ons beetje bij beetje om de ander als middelpunt te gaan zien. De Heilige Geest leert ons om ons af te vragen: “Voor wie kan ik medemens zijn?“

Het grote gevaar is nu dat jullie mijn woorden op moralistische wijze gaan opvatten. Dat jullie mijn woorden heel serieus nemen en denken: “Nu mag ik niet meer voor mezelf leven en plezier maken maar ik moet me de hele dag afvragen voor wie ik medemens kan zijn. Maar zo bedoel ik het niet en zo bedoelde Jezus het niet.”

In de eerste plaats: je bent goed zoals je bent. God houdt van je en kijkt met liefdevolle ogen naar je. Je hoeft jezelf niet te veranderen of te verbeteren. De Heilige Geest zal je in de loop van je leven laten zien voor wie je medemens kunt zijn.

In de tweede plaats. De Samaritaan liep niet de hele dag rond te kijken of er nog gewonde mensen langs de kant van de weg zouden liggen die hij zou moeten redden. Nee, hij zag de man toevallig liggen, kreeg met hem te doen, zette hem op zijn ezel en bracht hem naar een herberg. Hij gaf de herbergier geld om de man nog een tijdje te verzorgen en dacht toen bij zichzelf: “Nu heb ik genoeg gedaan!“ Hij stapte weer op zijn ezel, floot een deuntje en reed vrolijk verder. De gewonde man was hij al lang weer vergeten.

Jezus roept ons op om ons af te vragen voor wie wij een medemens kunnen zijn maar Hij zegt ook: “Maak je geen zorgen voor de dag van morgen. Let op de vogels on de hemel. Ze zaaien niet en maaien niet en toch zorgt de hemelse vader voor ze. Let op de bloemen. Zelfs koning Salomo was niet mooier gekleed dan zij.” Jezus bedoelde: “Geniet van het leven. Maak het allemaal niet te zwaar.

Amen.

26 juni 2022

Lezingen: Jesaja 25, 6-9
Lucas 14, 16-24
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Jezus was uitgenodigd in het huis van een vooraanstaande Farizeeër om daar de maaltijd te gebruiken. Hij ligt daar aan tafel met een aantal Farizeeërs en wetgeleerden en er zullen ook een paar leerlingen van Hem aanwezig geweest zijn.

De Farizeeën en wetgeleerden letten scherp op Jezus. Ze hadden grote moeite met Hem. Dat is ook wel te begrijpen. Israël werd bezet door de Romeinen. Het Joodse volk dreigde de band met de God van Israël kwijt te raken. Om dat te voorkomen, om dicht bij de God van Israël te blijven hielden zij zich heel streng aan de voorschriften van de Joodse Wet. Vooral de reinheidswetten waren voor hen belangrijk. Ook dat is logisch want die reinheidswetten geven richting aan hoe je dagelijks leven eruit ziet: Wat doe je het eerst wanneer je opstaat? Handen wassen. Wat eet je wat niet? Geen varkensvlees. Wat doe je wel of niet op de Sabbat, met wie ga je om (alleen met mensen die zich ook aan de voorschriften van de wet houden) enzovoort.

De bedoeling van de Farizeeën was goed: het volk dicht bij de God van Israël houden door de voorschriften van de wet nauwkeurig te volgen. Echter: ze sloegen hierin soms een beetje door. De voorschriften van de wet werden van middel om bij God te blijven tot doel.
Ze hadden grote moeite met Jezus omdat Jezus in hun ogen veel te losjes met de voorschriften van de wet omging. Hij leek de wet te relativeren met opmerkingen als: Wanneer je zoon of dochter op Sabbat in een put valt haal je hem of haar er toch uit? En tijdens het wandelen met zijn leerlingen plukte Hij gaandeweg wel eens wat aren om even wat te kauwen te hebben. En ook genas Hij zieken op Sabbat. Hiermee maakte hij duidelijk dat de mens er niet is voor de wet maar de wet er is voor de mens.

Goed dat Jezus dat deed. En ook wel een beetje begrijpelijk dat de Farizeeën er wat moeite mee hadden. Ik zeg “de Farizeeën“ maar er zullen ook Farizeeën geweest zijn die Jezus heus wel snapten b.v. Nicodemus .
Jezus ligt dus aan tafel in het huis van een vooraanstaande Farizeeër met Farizeeën die kritisch naar Hem kijken en luisteren en dan vertelt Jezus een verhaal. Hij begint met de woorden: “Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. “

 De Farizeeërs die een grote bijbel kennis hadden zullen meteen gedacht hebben aan het visioen van Jesaja uit Jesaja 25 dat Marja zonet met ons gelezen heeft: Op de berg Sion zal God voor alle volken van de wereld een feestmaal aanrichten. Een feestmaal van uitgelezen gerechten en belegen wijnen. En God zal de sluier wegnemen die het zicht op Hem belemmert. Voor altijd zal hij de dood teniet doen en alle tranen wegnemen. “
De Farizeeën begrijpen dat Jezus met de “iemand“ die een groot feest wilde geven “ God Zelf bedoelde.
Jezus vervolgt: “Toen het tijd was voor het feestmaal stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om hen te zeggen: “Alles is klaar “

(Hier komen de woorden vandaan die ik vorige week nog uitsprak om u na de instellingswoorden van het avondmaal uit te nodigen om naar voren te komen: “Komt nu, want alle dingen zijn gereed.“)

Maar de mensen die uitgenodigd worden beginnen zich een voor een te verontschuldigen. En daarvoor gebruiken ze overduidelijk smoesjes:
De één zegt: “Sorry ik kan niet komen want ik heb net een akker gekocht en die moet ik gaan belijken. “Een doorzichtige smoes want wie koopt er nu een akker die hij niet eerst heeft gezien?
De ander zegt: “Sorry, ik heb vijf span ossen gekocht en ik moet ze gaan keuren. “Ook weer duidelijk een smoes. Want wie koopt er nu vijf span ossen voor ze eerste gezien te hebben?
En een derde zegt: “Sorry, ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen. “Maar waarom zou je niet naar een feestmaal kunnen gaan wanneer je pas getrouwd bent? Ook duidelijk een smoesje.

In het verleden zijn er nogal wat preken gehouden waarin mensen werden gewaarschuwd om niet op dezelfde manier smoesjes te bedenken om aan het evangelie te ontkomen. Maar dan verzand je in moralisme waar je niet vrolijk van wordt en je ook niet tot gedragsverandering zal aanzetten. Het evangelie is een vreugdevolle boodschap. Het is de vreugde die inspireert tot verandering.

Wanneer de gastheer alle smoesjes hoort, ontsteekt hij in woede. . Dan slaat hij zijn vuist in zijn handpalm en zegt: “Verdorie nog aan toe, nu valt mijn feest in het water!” Maar dan krijgt hij een idee en zeg tegen zijn dienaren: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.” En wanneer er dan nog plaats over is stuurt hij zijn dienaren erop uit ook buiten de stad gasten te zoeken.

Om dit verhaal te kunnen begrijpen moeten we weten dat de Farizeeën zich zo nauwkeurig aan de voorschriften van de wet probeerden te houden dat ze de reinheidswetten die in de tempel golden ook toepasten in hun eigen huis. Omdat ze het gevoel hadden dat de Romeinen de tempel verontreinigden probeerden ze God te eren door van hun huizen miniatuurtempels te maken. Alle regels die in de tempel golden lieten ze ook in hun eigen huis gelden.
Voor de tempel gold dat kreupelen, lammen en blinden en ieder die misvormd was niet werd toegelaten. Een mens moest als beeld van God Zijn volmaaktheid weerspiegelen. Een gehandicapte is niet volmaakt en zou Gods volmaaktheid dus niet kunnen weerspiegelen, zo redeneerde men.

En nu laat Jezus de gastheer uit Zijn verhaal uitgerekend de blinden, kreupelen en verlamden uitnodigen op zijn feestmaal. De aanwezige Farizeeën zullen boosheid in zich op hebben voelen komen. Ze zullen zich maar met moeite hebben kunnen bedwingen om Jezus niet met grote verontwaardiging te onderbreken.
Jezus provoceerde hen maar Hij provoceerde hen niet met kwade maar met goede bedoelingen. Jezus was één met God. Hij zag de Farizeeën niet als vijanden. Omdat Hij één was met God. Keek Hij ook door de liefdevolle ogen van God en zag de Farizeeën als Zijn broeders. Hij provoceerde hen omdat Hij hen de ogen wilde openen voor de oneindige liefde van God.
Jezus ging Zelf liefdevol met mensen om. Of het nu mannen of vrouwen, volwassen of kinderen, Joden of heidenen, zieken of gezonden, rechtvaardigen of zondaars waren: Jezus had hen onvoorwaardelijk lief. En wanneer mensen in de buurt van Jezus waren dan hadden ze het gevoel dat ze in de buurt van God Zelf waren. Wanneer Jezus hen met liefdevolle ogen aankeek hadden ze hert gevoel dat God Zelf hen met liefdevolle ogen aankeek.
Ze voelden zich door God bemind. En Jezus’ blik was niet alleen liefdevol maar ook vol van respect. Jezus respecteerde de mens naar wie Hij keek en gaf hem en haar een gevoel van koninklijke waardigheid.
Blinden, kreupelen, lammen, vrouwen, kinderen, zondaars …… in de samenleving werd er met minachting naar hen gekeken, er werd op hen neergekeken…. Jezus kijkt ze aan met oneindige, onvoorwaardelijke liefde en respect en verheft ze uit stof tot koninklijke waardigheid. Ook zij kunnen in hun onvolmaaktheid, de volmaaktheid van God weerspiegelen. Ook zij, juist zij, kunnen beelden van God zijn.

Wat heeft dat ons te zeggen? Zoals we hier bijeen zijn zitten we zo vaak vol zelfkritiek. We kwellen onszelf dikwijls met schuldgevoelens, we zijn dikwijls zo kritisch naar onszelf toe, we stellen onszelf dikwijls zulke hoge eisen, we denken volmaakt te moeten zijn.
Jezus houdt ons voor: God houdt van je zoals je bent in al je onvolmaaktheid. En in je onvolmaaktheid kun je een volmaakt beeld van God zijn.
U bent een volmaakt beeld van God! U bent een prachtig mens. U bent van grote schoonheid!

Amen

12 juni 2022

Lezingen: Exodus 33, 12-17   en   Joh.3, 1-13
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

We lezen vanmorgen het verhaal over de nachtelijke ontmoeting van Jezus en Nicodemus. Vele kinderen zijn bij het voorlezen uit de kinderbijbel over deze naam gestruikeld: “Nico de mus” lazen ze dan.

Wie was Nicodemus? Hij was een Farizeeër. Hij was dus een Schriftgeleerde. Maar hij wordt ook “één van de Joodse leiders” genoemd. Dat betekent dat hij zitting had in het hoogste Joodse bestuursorgaan: “het Sanhedrin”.

Farizeeërs waren schrift geleerden maar ze waren niet de hele dag met schriftstudie bezig. Ze voorzagen in hun eigen levensonderhoud. Zo was Paulus, die ook een Farizeeër was, tentenmaker van beroep.

Waarmee Nicodemus zijn geld verdiende is niet bekend. Wel weten we dat hij zeer rijk geweest moet zijn. In Johannes 19 lezen we n.l. dat Nicodemus bij de voorbereiding van Jezus’ begrafenis zorgde voor een mengsel van mirre en aloë om Jezus’ lichaam mee te zalven. Mirre en aloë waren zeer kostbaar.  Nicodemus schonk wel honderd pond. Hij moet dus zeer rijk geweest zijn.

Waarschijnlijk was hij al op leeftijd. Want nadat Jezus heeft gezegd dat een mens opnieuw geboren moet worden vraagt hij: “Hoe kan een mens opnieuw geboren worden wanneer hij al oud is?”

In Johannes 7 lezen we dat Nicodemus het opneemt voor Jezus in het Sanhedrin. Wanneer enkele leden ervan schampere opmerkingen maken over Jezus, dan zegt Nicodemus: “Volgens onze wet kun je iemand niet veroordelen, voor je jezelf goed op de hoogte hebt gesteld van wat hij heeft gezegd.”

Nicodemus is dus niet zomaar iemand. Hij is een schriftgeleerde. Hij is al op leeftijd. En op grond van zijn schriftgeleerdheid en zijn levenswijsheid is hij uitgekozen om zitting te nemen in het Sanhedrin. Hij is bovendien één van de rijkste en waarschijnlijk ook één van de invloedrijkste mannen in Jeruzalem. Hij is een onbevooroordeeld en onafhankelijke man. Hij heeft het lef om het in het Sanhedrin op te nemen voor Jezus.

Uit het gegeven dat hij ’s nacht bij Jezus op bezoek gaat maken sommige bijbelgeleerden op dat hij zich er voor geschaamd zou hebben om met Jezus gezien te worden. Hij zou bang geweest zijn voor gezichtsverlies. Maar hij lijkt me niet een man die daar bang voor zou zijn. Hij was een onafhankelijke man, die zich niet druk maakte om wat anderen van hem zouden vinden. Dat blijkt immers uit het feit dat hij het in het Sanhedrin durfde op te nemen voor Jezus.

Waarschijnlijker lijkt het mij dat het Sanhedrin Nicodemus erop uit gestuurd heeft om zich eens wat nauwkeuriger op de hoogte te stellen van Jezus’ ideeën. Nicodemus’ door de jaren heen gerijpte wijsheid en zijn onbevooroordeeldheid maken hem bij uitstek geschikt om eens kennis te maken met Jezus en om daar later verslag van te doen in het Sanhedrin.

We lezen dat hij ’s nachts naar Jezus toe ging maar er zal wel bedoeld zijn dat dit later op de avond was. Overdag was het veel te heet voor diepe gesprekken.

En dan lezen we Jezus in het gesprek met Nicodemus tegen hem zegt: “Waarachtig ik verzeker u, alleen wie opnieuw wordt geboren kan het Koninkrijk van God zien.” Nicodemus begrijpt niet wat Jezus bedoelt en vraagt: “Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is?”

Nicodemus vat Jezus’ woorden letterlijk op. Hij luistert met zijn verstand, met zijn linker hersenhelft. Met onze linker hersenhelft denken we logisch. Met onze linker hersenhelft rekenen wij, kijken wij op de klok, plannen wij onze dag en verrichten wij ons dagelijks werk.

Onze rechter hersenhelft werkt heel anders. Met onze rechter hersenhelft luisteren wij naar muziek, kijken we naar een zonsondergang, lezen we een gedicht of bewonderen we een mooi schilderij.

Nicodemus hoort Jezus’ woorden met zijn linker hersenhelft. Jezus begrijpt dat hij hulp nodig heeft om Zijn woorden te begrijpen. En dan gaat Jezus te werk als een mystagoog. In het woord mystagoog zit het woord “mystiek” en mystiek wil zeggen: het gaat om de directe ervaring van God. Mystiek gaat nog een stapje verder dan geloof. In het geloof reik je naar godservaring en de mystiek onderga je deze. Jezus was een mysticus: Hij ervoer God in zijn ziel.

Een mystagoog leidt mensen in, in de ervaring van God. Daarvoor is het nodig dat een mens afdaalt van zijn of haar hoofd naar het hart en de ziel. Daarvoor is het nodig dat een mens omschakelt van de linker hersenhelft naar de rechter hersenhelft.

Jezus was een mystagoog. Hij voert Nicodemus van zijn hoofd naar zijn hart en zijn ziel.

Wanneer Nicodemus met zijn vraag: “Hoe kan een mens geboren worden wanneer hij oud is?” te kennen geeft dat Hij Jezus niet beluistert vanuit zijn hart, voert Jezus hem daar naartoe. Jezus doet dat met gebruik van beeldtaal: de taal van de rechter hersenhelft, de taal van de poëzie en de taal van het geloof.

Hij antwoordt: “Niemand kan het koninkrijk van God binnengaan tenzij hij of zij geboren wordt uit water en geest.” Jezus wist dat Nicodemus een schriftgeleerde was en daarom gebruikt hij woorden die bij de schriftgeleerde Nicodemus verhalen zouden oproepen met behulp waarvan Nicodemus Hem zou kunnen begrijpen.

“Geboren worden uit water en geest.”

De aarde werd geboren uit water en Geest: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde, de aarde nu was woest en ledig en duisternis lag over de vloed maar de Geest van God zweefde over de wateren. Daalde neer en de aarde werd geboren uit het vruchtwater van de oervloed.”

Het volk Israël werd geboren uit water en Geest. Nadat de Farao het volk had laten gaan maar spijt kreeg en het achterna ging met zijn leger van soldaten en paarden, stond het volk voor het water van de Rode zee. Toen schoot God te hulp. In het scheppingsverhaal zweefde de Geest over de wateren. Nu schiet de Geest te hulp in een stormwind. De wind blaast het water opzij, er ontstaat een doorgang door het water. Het volk wordt geboren uit water en Geest.

En bij Zijn doop werd Jezus geboren uit water en Geest. Begint het Nicodemus al wat te dagen? Verplaatst hij zijn horen van zijn linker naar zijn rechter hersenhelft? Daalt hij aan de hand van Jezus af van zijn hoofd naar zijn hart?

Uit het feit dat hij mirre en aloë schonk om, ter voorbereiding op Jezus’ begrafenis, het lichaam van Jezus te zalven mogen we opmaken dat hij met hart en ziel van Jezus is gaan houden.

Ten slotte. Wat zegt het ons dat wij geboren moeten worden uit water en geest?

 Wanneer wij geboren worden dan is dat het begin van een lang proces van volwassen wording. We moeten ons een plaats veroveren in de samenleving. Daarvoor gaan we naar school en volgen we opleiding. We zoeken een levenspartner met wie we kinderen kunnen krijgen. We zoeken een baan en een huis. Dit neemt ons tot ver in onze volwassenheid bijna helemaal in beslag. We zijn egocentrisch bezig. Dat is niet erg. Dat is niet egoïstisch. Zo is het leven.

Maar dan komt er een moment, wanneer we een plaats veroverd hebben in de samenleving en een partner, baan een huis en kinderen hebben, en we eigenlijk alles hebben wat we nodig dachten te hebben maar er dan toch een gevoel van leegte ontstaat. We missen iets. Dat is het moment waarop de woorden van Jezus over geboren worden uit water en geest tot ons kan gaan spreken.

Het egocentrisme uit onze eerste levenshelft is een heel positief iets. Het is het vruchtwater waaruit we opnieuw geboren kunnen worden. Wanneer de geest waait over dit water dan worden wij opnieuw geboren als mensen die openstaan voor God en medemens en schepping. Dan worden wij mensen die ruimte hebben voor God, medemens en schepping. Geve God dat wij geboren mogen worden uit water en geest.

Amen.

5 juni 2022, Pinksteren

Lezingen: Joël 3: 1-5      Handelingen 2: 1-11
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Bij zijn hemelvaart zei Jezus tot zijn leerlingen: “Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de Heilige Geest. “

En zo kwam het dat in een bovenzaal in Jeruzalem de leerlingen van Jezus, Maria de moeder van Jezus, een aantal vrouwen, en de broers van Jezus bijeen waren. En ongetwijfeld zullen er ook zussen van Jezus aanwezig geweest zijn. “Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed,” lezen we in Handelingen 1.
En wat er dan gebeurt, komt niet zomaar uit de lucht vallen maar is een vrucht van het vurig en eensgezind zich wijden aan het gebed:
“Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar zij zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten en allen werden vervuld met de Heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen zoals hen dat door de Geest werd ingegeven.”

En we vernemen van de evangelist Lucas, die ook de schrijver is van het boek Handelingen, dat dit alles gebeurde op de dag van het Pinksterfeest. Het “Pinksterfeest” is de Griekse naam voor het Joodse “Wekenfeest”. Het mooie van de feestkalender van het volk Israël is dat het vieren van gebeurtenissen uit de geschiedenis van het volk worden verweven met het vieren van landbouwfeesten.

De bijbelse geschiedenis komt tot leven in landbouwfeesten: De bevrijding uit Egypte wordt gevierd op het Pesachfeest en op de tweede dag van het Pesach feest wordt de eerste opbrengst van de gerstoogst aan God geofferd. Dit wordt het “feest van de eerstelingen” genoemd. Er wordt dan een omer gerst geofferd. Een omer is het gewicht van de hoeveelheid manna die één persoon per dag kreeg toen het brood uit de hemel kwam.
En vijftig dagen later (7 weken) wordt het “Wekenfeest” gevierd: Sjavoeot in het Hebreeuws. Dat getal 50 klinkt in de Griekse naam voor dit feest “Pentacoste”, “Penta” is 50: Pinksteren.
Op het Joodse Pinksterfeest werd de eerste opbrengst van de gerstoogst aan God geofferd. Pas daarna zou de rest van de gerst oogst geoogst worden. Op dit feest vierde men de verbondssluiting van God met zijn volk. God daalde neer in op de berg Sinaï en schonk de Tien leefregels voor het leven in het beloofde land.
Deze verwevenheid van het vieren van gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël en de landbouwfeesten zien we nu ook in het Pinksterverhaal in Handelingen.

Op het feest van de eerstelingen, op de tweede dag van het paasfeest, vijftig dagen voor Pinksteren, heeft God Jezus opgewekt uit de dood. En Paulus schrijft daarover in 1 Kor. 15: 20  “als eersteling van de gestorvenen.” De Opgestane Heer is de eersteling van de oogst van uit de dood opgewekten.
En dan op het Wekenfeest, het Pinksterfeest, wordt een begin gemaakt met het binnenhalen van de rest van de oogst. De leerlingen van Jezus, de moeder van Jezus, de broers en zussen van Jezus ontvangen als eersten de Heilige Geest en daarna maar liefst 3000 mensen. En het binnenhalen van de oogst gaat nog steeds door: “de velden zijn wit om te maaien”, zegt Paulus “bidt de Heer dat Hij arbeiders uitzendt om te oogsten.”

Op het Wekenfeest is dus een agrarisch feest maar op het feest wordt ook de verbondssluiting op de berg Sinaï herdacht. Mozes ontving uit handen van God de twee stenen tafelen. In Exodus 19 lezen we dat God in vuur neerdaalde op de Sinaï. En de rabbijnen schreven dat God de Tien Woorden in vurige letters op de twee stenen tafelen geschreven had. Wanneer we nu lezen in Handelingen 2 dat er op het Pinksterfeest, dus het feest waarop de Joden de gave van de twee stenen tafelen herdachten, aan de leerlingen van Jezus vlammen verschenen die zich verdeelden over hun hoofden, dan verwijst dit vuur naar het vuur waarin God verscheen op de Sinaï. Het vuur verwijst naar de verbondssluiting en naar de vurige letters waarmee God de tien woorden in de stenen tafelen graveerde.
En dit eerste verbond dat God met zijn volk sloot verwijst ook naar het tweede verbond waarover de profeet Jeremia sprak:
“Ik zal Mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal Ik hun God zijn en zij Mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de Heer kennen want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al.”

Op de berg Sinaï schreef God met vurige letters de Tien woorden in de twee stenen tafelen. Op het Pinksterfeest schrijft hij de Tien Woorden met vurige letters in de harten van de mensen. Dit betekent dat God niet alleen Zijn leefregels geeft maar ook de kracht en de wil om deze leefregels in de praktijk te brengen.
En die leefregels hoeven niet meer onderwezen te worden. Ze hoeven niet meer te worden uitgesproken en gehoord….nee iedereen heeft ze in zijn of haar hart en brengt ze van harte in de praktijk !

In de psychotherapie zijn er meerdere stromingen. Twee ervan wil ik noemen. De psychoanalyse en de gedragstherapie. De psychoanalyse gaat ervan uit dat je de ziel van de mensen moet veranderen en dat er dan vanzelf een verandering van het gedrag volgt. Dus van binnen naar buiten.
In de gedragstherapie gaat men ervan uit dat je door het gedrag te veranderen vanzelf vanbinnen verandert, dus van buiten naar binnen. Voor beide valt denk ik wat te zeggen.

Het Pinksterverhaal gaat ervan uit dat wanneer de mens van binnen verandert, zijn of haar gedrag vanzelf verandert. De weg is van binnen naar buiten.
In de dagelijkse praktijk merken we denk ik wel op dat de Pinkstermethode wel aangevuld moet worden met de methode van de gedragstherapie. Wanneer we ons gedrag veranderen dan veranderen we op den duur ook vanbinnen.

Ten slotte nog de windvlaag die het huis waar de leerlingen bijeen waren opeens vulde. Ik denk dat dit een verwijzing is naar Genesis 1:
“De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag over de vloed maar de Geest van God zweefde over de wateren.” De woeste leegheid van de aarde en de duisternis waarin de aarde gehuld was roepen een gevoel van uitzichtloosheid en troosteloosheid op. Tot in de eeuwigheid zal daar niets gebeuren. Maar dan staan er opeens die verwachtingsvolle woorden:
“Maar de Geest Gods zweefde over de wateren.”

Verwachtingsvolle woorden, hoopvolle woorden: schepping!

Het Hebreeuwse woord voor deze geest is “ruach”. En het is deze ruach die opeens als een windvlaag het boven vertrek vult waar de leerlingen van Jezus en de vrouwen in gebed aanwezig waren. Dat betekent: er zal herschepping plaatsvinden. De leerlingen en de vrouwen, de 3000 later op de dag, de hele mensheid zal worden herschapen. “Ruach” wordt vertaald als “wind” of “adem” dat klopt ook wel maar nauwkeuriger is het te vertalen als “windkracht” en “ademstoot”.
De ruach brengt iets in beweging: de herschepping. De ruach brengt mensen in beweging. Spontaan en van harte brengen ze de Tien Woorden in de praktijk.

Het Pinksterfeest is een oogstfeest. De volgelingen van Jezus brengen de vruchten van de Geest voort: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.

Amen.

22 mei 2022

Lezingen: Jesaja 45: 18 en 19 en  1Korintiërs 13: 1 t/m 13
Voorganger: ds. mw. A. G. van Beijeren, Roden

klik voor de overdenking op onderstaande link:

Overdenking 22 mei 2022

15 mei 2022

Lezing: Johannes 13, 31-35
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Jongens en meisjes, broeders en zusters 

Greetje heeft met ons een aantal verzen gelezen uit Johannes 13. We horen dan wat Jezus tegen zijn leerlingen zegt bij het laatste avondmaal dat hij met hen vierde. Hij voelt aan dat hij gearresteerd zal worden en zal sterven. En daarom bereidt Hij zijn leerlingen voor op de tijd dat Hij er niet meer zal zijn. En met oog op die tijd zegt Hij: 

Ik geef jullie een nieuwe gebod: heb elkaar lief zoals ik jullie heb liefgehad.”  

Jezus zegt dat hij zijn leerlingen een nieuw gebod geeft. Maar de inhoud klinkt ons toch bekend in de oren: “Heb elkaar lief.“ Dat is wat Jezus zijn leerlingen altijd al leerde. En Hij had het niet van zichzelf maar hij had het van huis uit meegekregen. Iedere Jood kende de samenvatting van de Joodse leefregels:
“Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf.” 

Wanneer Jezus zegt dat Hij een nieuw gebod geeft dan bedoelt Hij niet dat hij een ander gebod geeft. Wat Hij bedoelt is dat dit gebod telkens opnieuw nieuw is. Het is als met het doorbreken van de lente. Dat beleef je ieder jaar weer als nieuw. En zo is het met het ’s ochtends wakker worden: uitgerust, fris en vrolijk begin je verwachtingsvol aan een nieuwe dag. En zo geeft Jezus een nieuw gebod, die nooit verouderd maar telkens opnieuw lentefris is.
Dit is een morgen als ooit de eerste, zingende vogels geven hem door.”
Dauw op de aarde, zonlicht van boven, vochtige gaarde geurig als toen.” 

 De inhoud van het nieuwe gebod luidt: “Heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad moeten ook jullie elkaar liefhebben.” Dat roept de vraag op: Hoe heeft Jezus zijn leerlingen dan liefgehad? Het antwoord luidt:  “Met grenzeloze liefde!” Wat is grenzeloze liefde? Dit wordt zichtbaar in het woord ” barmhartig”. In de bijbel wordt God vaak een barmhartige God genoemd. Het woord “barmhartig” komt van het Hebreeuwse woord “rachamim “. In dat woord zit het Hebreeuwse woord voor “baarmoeder” verborgen. Wanneer je God “barmhartig” noemt, en de bijbel doet dat, heb je dus een vrouwelijk godsbeeld voor ogen. Wanneer God “barmhartig” genoemd wordt betekent dit dat God voor de mensen voelt wat een moeder voelt voor haar nog ongeboren kind. En dat is grenzeloze liefde.  

Jezus roept zijn leerlingen dus op elkaar grenzeloos lief te hebben. Nu al wil ik benadrukken dat grenzeloze liefde niet betekent dat je jezelf altijd moet wegcijferen of geen grenzen mag stellen. Maar zo is het niet. Wanneer je jezelf altijd maar weg cijfert blijft er een nul over. Waar het om gaat is dat je je in bepaalde situaties afvraagt: “Hoe kan ik deze situatie tot bloei brengen?” Je bent zelf deel van een situatie.
Stel dat je een vriend of vriendin hebt die je telkens maar afsnauwt. Dat kun je misschien honderd keer verdragen maar op een bepaald moment is de maat vol en verbreek je de vriendschap. Wanneer de vriend dan vraagt waarom je dat doet en je legt het uit, kan hij of zij dan uitroepen:  “Maar had dat dan eerder gezegd! Dan had ik het niet langer gedaan. Ik wil je niet kwijt!” Het opnemen voor jezelf, het grenzen stellen aan het gedrag van de ander doe je niet voor jezelf maar ook voor de ander. 

 Jezus liefde voor zijn leerlingen was grenzeloos. Die van ons vaak niet. Dat werd duidelijk aan Berts uitleg over de emotionele bankrekening. In een relatie storten mensen positieve zaken op de bankrekening b.v. je toont je waardering door kleine aardigheden: “Wat zie je er leuk uit.” “Wat lief dat je dit voor me doet.” En je neemt negatieve zaken op van de bankrekening: “Je snauwt, je spreekt geen woorden van waardering enzovoort.” Die emotionele bankrekening is niet goed of slecht maar geeft gewoon weer hoe het werkt in menselijke relaties. Wij staan daar niet boven. Wij hoeven daar ook niet boven te staan. Maar het is goed om in te zien dat het zo werkt. De balans tussen geven en nemen moet in een relatie in evenwicht zijn. Wanneer Jezus ons oproept om grenzeloos lief te hebben, vraagt hij ons niet om de werkelijkheid van de balans te ontkennen. Dat zou ons ziek kunnen maken.  

Ook uit het experiment met vooroordelen dat Allard, Lise en Ilse ons lieten zien, blijkt dat onze liefde niet grenzeloos is. We hebben vooroordelen. En die vooroordelen staan grenzeloze liefde in de weg. Vooroordelen zorgen ervoor dat wij ons hart afsluiten voor de ander in plaats van dat we ons hart voor de ander openstellen. 

Jezus roept ons op tot grenzeloze liefde maar emotionele bankrekeningen en vooroordelen staan die grenzeloze liefde in de weg. Hoe kunnen wij deze obstakels uit de weg ruimen? Hoe kunnen wij grenzeloos lief leren hebben zonder dat we over ons heen laten lopen of ons zelf overvragen en burned out raken ? 

Het begint ermee dat wij ons bewust worden van datgene wat bij ons de grenzeloze liefde in de weg staat. Het gaat erom dat wij onze emotionele bankrekeningen en vooroordelen (en jaloezie en afgunst en ergernis noem maar op…) onder ogen zien. Bewust onder ogen zien. En dat kun je alleen verdragen wanneer je weet dat God met liefdevolle ogen naar je kijkt. Kijk niet naar jezelf door de strenge ogen waarmee jij jezelf de maat neemt. Kijk naar jezelf door de liefdevolle ogen van God. Hij houdt van je zoals je bent met grenzeloze liefde. Je hoeft niet volmaakt te zijn voor Hij van je kan houden. Hij houdt al van je.  

En het is ook van belang dat je van jezelf houdt met grenzeloze liefde: met de liefde van een moeder voor haar ongeboren kind. Wanneer je bang bent of verdriet hebt kan het helpen dat jij in jezelf de rol opneemt van liefdevolle vader of moeder en kind. Wanneer het kind in jou bang is of verdriet heeft kun je met een ander deel van je ziel als liefdevolle vader of moeder je innerlijk kind liefdevol toespreken en zo geruststellen of troosten. Zo kun je jezelf liefhebben. 

Hoe kunnen wij grenzeloos lief leren hebben? Door met liefdevolle ogen onder ogen te zien wat in ons dat grenzeloos liefhebben in de weg staat. En dat onder ogen zien dat moet wel 10, 100, 1000 misschien wel 10.000 keer opnieuw gebeuren. Telkens zie je de obstakels weer opduiken maar op een gegeven moment, misschien na jaren, misschien na een leven, vallen ze weg. En dan word je grenzeloze liefde. 

Wanneer Jezus ons oproept : “Heb elkaar grenzeloos lief.” Doet hij dan een appel op onze wil? Spreekt hij ons aan op onze wilskracht? Ik denk het niet of hooguit een klein beetje. Wij kunnen niet met onze wil besluiten: vanaf nu ga ik grenzeloos liefhebben. Wij hebben onszelf niet zo in de greep met onze wil dat we dat zouden kunnen. Maar wie zou gaan proberen om op wilskracht grenzeloos lief te gaan hebben zou ook snel burned out raken. Dan overvragen we onszelf. 

Uit het verhaal over de doop van Jezus blijkt hoe Jezus leerde om grenzeloos lief te hebben. Johannes doopte Jezus door Hem achterover kopje onder in het water onder te dompelen. Toen Jezus uit het water oprees en zijn ogen ten hemel sloe , zag hij hoe de hemel openscheurde en de Heilige Geest als een duif op Hem neerdaalde en hij hoorde een Stem met grenzeloze liefde zeggen: “Jij bent Mijn zoon, Ik heb jou lief.”  

Op dat moment werd Gods liefde in Jezus ziel uitgestort. En Jezus ontving zoveel liefde liefde voor God, de medemens en voor zichzelf dat Hij er een leven lang van kon uitdelen. 

Jezus roept ons op om elkaar grenzeloos lief te hebben. Dat moeten we niet proberen op wilskracht. Dat is eigenlijk wat teveel van ons gevraagd. Wij kunnen de medemens pas grenzeloos liefhebben wanneer wij net zoals dat bij Jezus bij zijn doop gebeurde, de liefde van God in onze ziel uitgestort krijgen. En ik wens jullie en ik wens u toe dat dit mag gebeuren. 

Amen. 

 

 

8 mei 2022

Lezingen: Psalm 103  en Galaten 5, 1-6
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Een bekende Amerikaanse theoloog, Paul Tillich, stelde dat een mens in zijn of haar leven voor de uitdaging staat om een antwoord te geven op drie vragen. Ten eerste: hoe ga ik om met de dood? Ten tweede: Hoe ga ik om met mijn tekortschieten, mijn onvolmaaktheid, mijn schuld? En ten derde: Wat is de zin van mijn leven?

Hieraan moest ik denken toen ik afgelopen woensdag in het dagblad Trouw een verhaal las van een mevrouw met de naam Monique ten Brinke. Het verhaal staat in een reeks van verhalen over zingeving die wekelijks in Trouw geplaatst worden.

Monique Ten Brinke vertelt dat zij liefdevolle en wijze ouders had. Ouders die haar ook leerden dat de dood bij het leven hoort. Wanneer haar ouders midden zeventig zijn sterft haar moeder. Toen haar moeder hoorde dat ze ziek was en niet meer beter kon worden zei ze: “Ik ben mijn kinderen voorgegaan in het leven en nu ga ik ze voor in de dood.”

Haar vader leeft nog tien jaar als weduwnaar. Al die tijd doet hij zijn best om zijn huis nog steeds het ouderlijk huis van zijn kinderen te laten zijn.

Dan wordt ook Monique haar vader ziek. Er breekt voor haar een hele drukke tijd aan. Ze heeft een baan als apotheker. Ze heeft de zorg voor haar kinderen én ze krijgt de mantelzorg voor haar vader erbij.

Op een middag rijdt ze van haar werk naar huis, ze nadert een kruising moet dan een besluit nemen: Sla ik links af om naar mijn zieke vader te gaan of sla ik rechts af om naar mijn kinderen te gaan die op mij wachten. Ze besluit rechts af te slaan naar haar kinderen maar heeft dan het gevoel haar vader in de steek te laten. Zou ze links af slaan dan zou ze zich schuldig voelen t.o.v. haar kinderen. Wat ze ook doet, in haar beleving schiet ze altijd tekort. En dat gevoel van tekortschieten bepaalt haar leven.

Een paar weken later slaat ze links af naar haar vader maar in haar vermoeidheid valt ze boos tegen hem uit waarop haar vader in tranen uitbarst. Ze voelt zich heel schuldig.

Een tijdje later overlijdt haar vader. Hij was R.K. en dus wordt de uitvaartdienst geleid door de pastoor. Ook na de uitvaartdienst blijft Monique rondlopen met het gevoel dat ze tekortgeschoten is t.o.v. haar vader en voelt ze zich schuldig dat ze terwijl hij ziek was tegen hem uitgevallen is.

Op weg van haar werk naar huis passeert ze het huis van de pastoor. Op een dag stopt ze voor het huis, belt aan en vraagt de pastoor of ze hem kan spreken. Ze is welkom en dan stort ze haar hart bij hem uit. Ze vertelt hoe schuldig  ze zich voelt en hoe ze zich voelt tekortschieten.

De pastoor luistert naar haar met een liefdevolle blik in zijn ogen. Wanneer ze haar verhaal gedaan heeft bidt hij met haar. En Monique vertelt dat ze eigenlijk niet gehoord heeft wat hij bad maar na het gebed voelde ze zich enorm opgelucht.

De liefdevolle blik van de pastoor, de rust waarin hij naar haar luisterde. Ze voelde zich door hem en door hem heen door God aanvaard zoals ze was met al haar tekortkomingen. Ze realiseerde zich dat ze niet volmaakt hoefde te zijn maar er in haar onvolmaaktheid helemaal mocht zijn.

Ze zegt: “Menszijn is tekortschieten. Ik ben niet langer bang tekort te schieten, ik weet dat ik dat zal blijven doen. Dat geeft betekenis aan mijn leven, want het besef van feilbaarheid draagt mij nu in plaats van dat ik erdoor wordt beheerst. Dat geeft ruimte, dat is zin.”

Monique had het gevoel dat zij perfect zou moeten zijn. Ze zou een perfecte apotheker, een perfecte dochter en een perfecte moeder inéén moeten zijn. Ze legde zichzelf daarmee een zwaar juk op. En dit kwam niet alleen uit haar zelf. Ook vanuit de samenleving worden deze beelden van perfectie aan vrouwen opgedrongen. En niet alleen aan vrouwen maar ook aan mannen. Mannen wordt voorgehouden dat ze hun zaakjes altijd perfect op orde moeten hebben. Lukt dat niet dan hebben ze dat aan zichzelf te wijten.

Vele mensen leggen zichzelf het juk op perfect te moeten zijn. Paulus spreekt hen aan in Galaten 5 waar hij zegt: “Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houdt dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.”

Paulus schrijft dit in het kader van een discussie die zich in de zich ontwikkelende christelijke gemeente van Galatië. Deze gemeente bestond voor het grootste deel uit niet- joden. Paulus had hun duidelijk gemaakt dat het voor hen niet nodig was om zich aan al de voorschriften van de Joodse wet te houden. Ze hoefden zich van hem ook niet te besnijden. Het enige dat telt voor niet- Joodse christenen is de samenvatting van de Joodse wet zoals Jezus die gegeven had: “Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. “ Joodse christen mochten zich natuurlijk gewoon aan de voorschriften van de Joodse wet houden. Want deze was niet opgeheven of verouderd. “Geen jota of tittel ervan is verouderd.” zei Jezus maar de niet – Joodse christenen hoefden zich van Paulus niet aan alle cultuurbepaalde voorschriften te houden.

Maar na Paulus kwamen er Joods -christelijke predikers in de gemeente van Galatië die meenden dat het wel nodig was dat de niet-joodse christenen zich aan alle voorschriften van de Joodse wet zouden houden en zich ook zouden moeten laten besnijden.

En daarom schrijft Paulus aan de gemeente van Galatië : “Laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.” “Laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.”  Hoezo opnieuw? Wat was dan het eerste slavenjuk? Dat lezen we iets verderop : “Als u probeert door God als een rechtvaardige aangenomen te worden door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt.” En dus niet langer vrij.

Dit “proberen door God als rechtvaardige aangenomen te worden door de wet na te leven “ dat is het perfectionisme waar ik over sprak. Dat is het idee van Monique dat ze een perfecte apotheker, dochter en moeder zou moeten zijn. Dat is het idee dat je nooit een keer in  vermoeidheid boos zou mogen uitvallen naar iemand. Dat is het idee dat je geen fouten zou mogen maken.

In het verleden werd dit perfectionisme in de schoenen geschoven van het Joodse geloof. Het proberen om de wet perfect na te leven en zo rechtvaardig te worden voor God zou de essentie van het Joodse geloof zijn.

Maar dat klopt helemaal niet. Ook joodse gelovigen wisten dat je niet volmaakt hoefde te zijn om toch te mogen leven voor Gods aangezicht. Psalm 103 getuigt hiervan:

“Prijs de Heer, mijn ziel …hij vergeeft u alle schuld. Liefdevol en genadig is de Heer. Hij blijft geduldig en groot is Zijn trouw…Hij straft ons niet naar onze zonden. Hij vergeldt ons niet naar onze schuld. Zover het oosten is van het westen zover heeft Hij onze zonden van ons verwijdert.”

Ook de Joodse gelovigen wisten :we hoeven niet volmaakt te zijn. God houdt van ons zoals we zijn. We hoeven niet perfect te zijn. We mogen tekortschieten. We mogen fouten maken. Die ruimte gunt God ons. In die ruimte mogen we leven.

Paulus schrijft aan de gemeente van Galatië : “In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is. Belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent,die het geloof zijn kracht verleent.”

Dit geloof is het vertrouwen dat we niet perfect hoeven te zijn om door God te worden liefgehad maar de mensen mogen zijn die we zijn: mensen met fouten en gebreken, mensen die tekortschieten.

Het idee dat we perfect moeten zijn om Gods liefde te verdienen is geen slavenjuk die alleen Joden zichzelf zouden opleggen. Het is een algemeen menselijke neiging die je in alle religies tegenkomt. En ook daarbuiten: ook niet religieuze mensen menen dikwijls dat ze perfect moeten zijn.

Paulus leert ons dat Jezus in zijn liefdevolle omgang met mensen ons heeft laten zien dat we in God liefde mogen zijn wie we zijn.

Paul Tillich had het over drie grondproblemen van het menselijk bestaan :dood, het gevoel tekort te schieten en schuld en de vraag naar de zin van ons leven.

Het antwoord op het probleem van de dood kan ik nu niet diep ingaan. Ik noem twee prachtige uitspraken. Huub Oosterhuis schreef: “En niemand valt of hij valt in Uw handen. “ Okke Jager schreef: “Een vriendschap met God is een eeuwige vriendschap.”

Het antwoord op het probleem van de schuld lezen we in psalm 103 : “Prijs de Heer mijn ziel. Hij vergeeft u alle schuld.”

En de vraag naar de zin van ons leven wordt beantwoord in ons leven zelf wanneer we leven in het vertrouwen dat we geborgen zijn in God, zelfs in de dood en we mogen weten dat onze zonden vergeven zijn. Er komt dan een ontspanning in ons leven. Vanuit die ontspanning vragen we ons af :Waarom leef ik?  Ik weet het niet. Maar ik leef graag. Het licht is mooi. De kleuren zijn mooi. De mensen zijn mooi. In al die schoonheid zie je de schoonheid van God. God in wie wij leven, in wie wij ons bewegen en in wie wij zijn.

Amen.

1 mei 2022

Lezing: Psalm 100 en Johannes 21: 1 t/m 14
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Vandaag is het de derde zondag van Pasen. Twee weken geleden vierden we het Paasfeest. In mijn preek heb ik toen onder woorden gebracht wat de kern van het paasfeest is. Dat is de belofte dat zoals Jezus uit de dood werd opgewekt alle mensen die ooit geleefd hebben, alle mensen die nu leven en alle mensen die nog geboren zullen worden ook uit de dood zullen worden opgewekt.

Bovendien zal onze planeet aarde getransformeerd worden tot één grote Hof van Eeden. De mensheid zal in harmonie samenleven. Rouw en geweeklaag wordt niet meer gehoord. De dood zal er niet meer zijn.

Deze belofte klinkt heel naïef. Het geloof dat de belofte vervuld zal worden lijkt een heel kinderlijk geloof. Maar diep in ons hart leeft het verlangen naar de opstanding, naar die nieuwe hemel en die nieuwe aarde. In het geloof komt het erop aan dat wij aan dit verlangen trouw blijven. En trouw blijven aan dit verlangen betekent niet dat we achterover leunen en met de armen over elkaar : “Stil maar wacht maar alles wordt nieuw”. zingen. We zingen niet “stil maar, wacht maar”, we zingen “bidt maar, werk maar, alles wordt nieuw”. God wil ons inschakelen in Zijn werk van schepping en herschepping.

Het geloof in de opstanding van alle mensen van alle tijden en alle plaatsen lijkt naïef. Maar wie zich realiseert dat de belofte hiervan wordt gedaan door de schepper van hemel en aarde, door de Heer van het heelal, weet dat dit geloof niet naïef is.

Laten we even tot ons laten doordringen wat het betekent wanneer ik God “de Heer van het heelal“ noem.  Onze aarde maakt deel uit van het Melkwegstelsel. Om van de ene kant van het Melkwegstelsel naar de andere kant te reizen, moet je 100.000 jaar reizen met de snelheid van het licht. Het licht beweegt zich met een snelheid van 300.000 km per seconde. Honderdduizend jaar met de snelheid van 300.000 km per seconde. Zo groot is ons Melkwegstelsel. En er zijn miljarden sterrenstelsels.

Het betekent dus nogal wat wanneer ik God “Heer van het heelal“ noem. Hij is het die het heelal van binnenuit samenhoudt. Hij is de ziel van het heelal. En deze God belooft ons de opstanding uit de doden.

De opstandingskracht wordt in de lente zichtbaar in het doorbreken van de bloesem en de groen in de natuur. Deze opstandingskracht wordt zichtbaar in beeldende kunst, hoorbaar in muziek, voelbaar in dans.

Op het Paasfeest vierden we dat Jezus als eerste van de mensheid opstond uit de dood. In de weken na Pasen lezen we over de keren dat de Opgestane Heer na zijn dood aan zijn leerlingen verscheen. En zo lezen we vanmorgen het verhaal over de verschijning van de Opgestane Heer aan zijn leerlingen bij het meer van Tiberias.

Ik zei zonet al dat het geloof in de opstanding er niet toe moet leiden dat we achterover gaan leunen om met de armen over elkaar “ stil maar wacht maar alles wordt nieuw “ te gaan zingen. Nee, wij worden actief betrokken bij het scheppings- en herscheppingsproces : “Bid maar werk maar, alles wordt nieuw“ mogen wij zingen.

Dat dit zo is blijkt uit het verhaal van vanmorgen. Het verhaal richt onze aandacht niet op de hemel maar op de aarde. We lezen dat Jezus aan zijn leerlingen verscheen bij het “Meer van Tiberias“. wij staan er niet zo gauw bij stil maar de naam “Meer van Tiberias“ is niet zo maar een onschuldige aanduiding van het meer. De eigenlijke naam van het meer is “ Meer van Galilea “. De naam van het meer werd veranderd door koning Herodus de Grote. Hij wilde in een goed blaadje komen bij keizer Tiberias. Daarom bouwde hij aan het meer van Galilea een stad die hij Tiberias noemde en tegelijkertijd veranderde hij de naam van het meer. In: ”Meer van Tiberias”.

Dat was op zich voor de Joden al ergerlijk genoeg maar daar zou je nog mee kunnen leven, zou je kunnen denken. Waarschijnlijk was het echter zo dat de vissers voorheen uit hun eigen meer hun eigen vissen konden vangen. Maar opeens wordt het meer opgeëist door de keizer. Het meer is niet meer het eigendom van de vissers maar van de keizer van Rome. De vissen zijn niet de vissen van de vissers maar van de keizer. In het vervolg moeten de vissers belasting betalen over hun vangst.

Toen Jezus voor Pilatus stond, stond de koning van het Koninkrijk van God tegenover de vertegenwoordiger van de keizer van Rome. Het Koninkrijk van God stond tegenover het keizerrijk.

In het verhaal van vanmorgen zien we een vergelijkbare confrontatie : de Opgestane Heer staat tegenover keizer Tiberias. De opgestane Heer komt in opstand tegen keizer Tiberias. De blik is niet op de hemel gericht maar op de aarde.

Het verhaal kennen we. Petrus vraagt zes medeleerlingen mee te gaan vissen. De hele nacht vingen ze niets. Dan roept de Opgestane Heer en toe dat ze het net aan stuurboord moeten uitgooien.

U hebt natuurlijk wel vaker gehoord dat dit niet handig was omdat het roer aan stuurboord zat. Dat was een lange roeispaan. Wanneer je het net aan stuurboord uitgooit kan het gemakkelijk in het roer verstrikt raken. Dat had ik ook vaker gelezen. Maar wat ik nu las wist ik niet. De vissers visten niet midden op het meer omdat het daar diep was en de vissen op grote diepte zwemmen. Daarom visten de vissers dicht bij de oever. Ze maakten hun net aan een stok op de oever vast en roeiden de boot een eindje het water op. De vissen die in het ondiepe water tussen oever en boot zwommen werden zo gevangen in het net.

Maar waarom het niet handig was om het net aan stuurboord uit te werpen was omdat de stroming van het water dan het net onder de boot zou drijven en dan vang je niets. Het was dus heel ongebruikelijk

Dat Jezus de leerlingen opriep het net aan stuurboord uit te werpen. Maar de leerlingen doen het en het net raakt overvol, een overvloedige vangst .

Dan plotseling herkent één van de leerlingen Jezus: “Het is de Heer!” roept hij. En dan bedenkt Petrus zich geen ogenblik. Hij springt in het water en  haast zich waden door het water naar Jezus toe.

Dan blijkt Jezus al een vuurtje te hebben aangestoken en reikt Hij hen brood en vis.

Gemeente wat betekent dit verhaal? Ik zei het al. Het is een confrontatie tussen de keizer van Rome, keizer Tiberius en de koning van het Koninkrijk van God: de Opgestane Heer.

De keizer van Rome heeft het meer van Galilea onteigent. Hij heeft het meer van de arme vissers afgepakt. Ze konden al nauwelijks bestaan van hun visvangst. Ze konden hun kinderen al bijna geen eten geven. En dan wordt hun bron van inkomsten hun afgepakt door de rijkste man van de wereld die totaal onverschillig staat tegenover het lot van de armen.

En dan verschijnt daar bij het meer de Opgestane Heer. Hij geeft de leerlingen brood en vis. Dat doet natuurlijk denken aan die keer dat Jezus in de heuvels van Galilea een hele dag een menigte van mensen toegesproken had. Aan het einde van de dag kregen de mensen honger. “U moet ze wegsturen zodat eten kunnen halen”, zeggen ze tegen Jezus. Maar Jezus zegt tegen hen: “Jullie moeten ze te eten geven.” En dan breekt hij het brood en de vis en Hij breekt en breekt en de hele menigte kan worden gevoed tot overhouden toe.

De keizer van Rome staat onverschillig tegenover mensen die honger leiden. De koning van het koninkrijk van God voedt de hongerende en roept zijn leerlingen op: “Jullie moeten ze te eten geven. Het is jullie verantwoordelijkheid.”

De keizer van Rome doodde de koning van het Koninkrijk van God.  Maar God wekte Hem op uit de dood. De opgestane Heer zet zijn werk voort. Hij voedt de hongerenden en roept Zijn leerlingen op:  “Jullie moeten ze te eten geven.” De Opgestane Heer, de koning van het Koninkrijk van God roept ons op om actief mee te werken aan de opbouw van het Koninkrijk van God.

Maar dat werken aan de opbouw van het koninkrijk van God valt niet mee. Dat wordt duidelijk aan het beeld van de leerlingen die de hele nacht vissen maar niets vangen. Het werken aan de opbouw van het Koninkrijk lijkt vaak tevergeefs.

Maar de Opgestane Heer roept ons toe: “Werp het net uit aan de andere kant.”

Gooi het over een andere boeg: Stop met gebruik van olie en gas. Gooi het over een andere boeg en stap over op de energiebronnen die God jullie geeft: zon, wind, water.

Laat het niet gebeuren dat een klein aantal superrijken het voor het zeggen krijgen in de wereld. Gooi het over een andere boeg. Laat niet het behalen van maximale winst het doel zijn van een onderneming. Maar de vraag: Hoe kunnen we dienstbaar zijn aan de samenleving?

Laat het niet gebeuren dat de wereldmachten met elkaar in machtsstrijd verwikkeld raken. Gooi het over een andere boeg. Laat ze de handen ineen slaan om samen honger en armoede wereldwijd uit te bannen.

Zo zal, op het woord van de Opgestane Heer, het Koninkrijk van God aanbreken.

Amen.

17 april 2022 Paasmeditatie

Lezing, Paasevangelie: Johannes 20, 1-18
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Twee weken geleden ging ds. Jolanda Paans voor in de vesper in deze kerk. Wat ze toen zei over het kruis raakte me. Ze herinnerde aan beelden uit Oekraïne die vlak daarvoor op t.v. verschenen waren. Beelden die op ons aller netvlies gebrand zijn. De beelden van een straat waarin doden lagen. Een vrouw lag voorover. Onder haar vandaan stak haar arm met daaraan een hand met roodgelakte nagels. En iets verderop lag een man met een fiets. Zijn handen hielden de handvatten van het stuur nog vast. “Moderne kruisbeelden”, noemde Jolanda ze. En dat voelde ik ook zo.

We zijn zo vertrouwd met de beelden van het kruis dat ze ons dikwijls niet mee zo raken. De moderne kruisbeelden geven ons de schok die nodig is om de ons de realiteit van het kruis te laten ervaren. Deze beelden plaatsen ons in de realiteit van vandaag, de realiteit van de oorlog in Oekraïne waarin wij elkaar vandaag de paasboodschap van de opstanding verkondigen. De paasboodschap moet de confrontatie met de realiteit aankunnen. We verkondigen elkaar geen vrome praatjes.

Allereerst wil ik met u delen wat ik net ontdekt hebt. Dat is dat er in de iconografie in de westelijke kerk en in de oosters-orthodoxe kerken een groot verschil is waar te nemen in de wijze waarop de opstanding wordt afgebeeld.
In de westerse kerk wordt de opstanding van Jezus als een individueel gebeuren geschilderd. Je ziet beelden van Jezus die als enige opstaat uit een opengebroken graf.
In de oosters-orthodoxe afbeeldingen is de opstanding een collectief gebeuren. Je ziet Christus opstaan maar tegelijkertijd zie je hoe hij ook Adam en Eva helpt opstaan uit het graf. En Adam en Eva vormen samen het symbool van de mensheid. Met Christus staat de mensheid op uit het graf.

En wanneer je leest hoe in Mattheüs 27 de opstanding beschreven wordt dan begrijp je dat de collectieve oosters-orthodoxe manier van afbeelden van de opstanding dichter bij de bijbel is dan de westerse individuele manier. We lezen in vers 51 hoe Jezus sterft:
“Nog eens schreeuwde Jezus het uit, toen gaf hij de geest. Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën en de aarde beefde en de rotsen spleten. De graven werden geopend en de lichamen van veel gestoven heiligen werden tot leven gewekt. Na Jezus, opstanding kwamen ze uit de graven, gingen de heilige stad binnen en maakten zich bekend aan een groot aantal mensen.”

Het sterven van Jezus, zijn opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest lijken op hetzelfde moment te gebeuren. Goede vrijdag, Pasen en Pinksteren lijken op één dag te vallen.
Het paasevangelie uit het evangelie van Johannes is onbeschrijfelijk mooi en raakt ieder jaar weer. Het beschrijft de opstanding echter als een individueel gebeuren.

In de situatie waarin we verkeren met de oorlog in Oekraïne past in mijn beleving beter de beschrijving van een collectieve opstanding zoals we dat in Mattheüs 27 lezen.
Wanneer we spreken over de opstanding van Jezus dan spreken we tegelijkertijd over de opstanding van de slachtoffers in Oekraïne. Maar ook over de opstanding van alle slachtoffers die gevallen zijn in oorlogen de geschiedenis door en tot op de dag van vandaag.

Volgende week op 24 april wordt in de oosters-orthodoxe kerk het paasfeest gevierd en ook in de kerken in Oekraïne zullen dan die woorden uitgeroepen worden die wij aan het begin van de dienst uitriepen: “De Heer is waarlijk opgestaan! Christus is waarlijk opgestaan! De Heer is waarlijk opgestaan!”
Niet de oorlog, de verwoesting, de dood zullen het laatste woord hebben maar vrede, opbouw en het leven. Wij vieren vandaag en het volk van Oekraïne viert volgende week het mysterie van de opstanding. De opstanding is een mysterie, geen raadsel. Een raadsel kan worden opgelost, een mysterie niet. Een mysterie wordt groter naarmate je er dieper in doordringt.

Het mysterie van de opstanding is het mysterie van de schepping en de herschepping. Het mysterie van de opstanding is het mysterie van God. Onze hele werkelijkheid komt uit dit mysterie voort. Ieder ogenblik nieuw. Ieder ogenblik worden wij geschapen en herschapen. Het hele heelal komt uit dit mysterie voort. Nu op dit moment. Dat is een wonder en er spreekt een oneindig grote scheppingskracht uit.

Iets van die scheppingskracht zien we in de lente waarin het nieuwe leven doorbreekt in de natuur. Dat is maar een fractie van de scheppingskracht van God. Die scheppingskracht is zo groot dat van daaruit ons wordt toegezegd:

DE VERLOSSING VAN ALLE MENSEN UIT ALLE TIJDEN EN VAN ALLE PLAATSEN

Dat zijn hele grote woorden. Niet alleen Jezus maar alle mensen van alle tijden en plaatsen zullen worden opgewekt uit de dood en worden verlost van hun lijden. Jezus is de nieuwe Adam, de eersteling van een nieuwe schepping.

Zoals Jezus werd opgewekt uit de dood. Zo zullen alle mensen die in het verleden hebben geleefd, en alle mensen die nu leven en alle mensen die nog geboren zullen worden, opgewekt worden uit de dood. Ze zullen worden verlost uit de dood, ze zullen worden verlost uit alle lijden, eenzaamheid en pijn. Ze zullen worden verlost van schuld.
De aarde zal een bloeiende tuin worden: een Hof van Eden. De mensen, wij, zullen daarop leven en gelukkig zijn. Leven in harmonie met God, in harmonie met elkaar, in harmonie met de natuur.
Deze boodschap sluit aan bij een verlangen die diep leeft in onze ziel. Een verlangen naar heil, naar heelheid en geluk, voor altijd voor iedereen. Maar wanneer je dit verlangen confronteert met de werkelijkheid, dan lijkt ze te verpletteren onder het gewicht van de realiteit. De realiteit lijkt groot en zwaar als de grote, ronde steen die het graf van Jezus afsloot. Een steen waar geen beweging meer in te krijgen is.
Die steen zegt ons: feiten zijn feiten, dood is dood, je moet je neerleggen bij de harde werkelijkheid.
De paasboodschap gaat hier tegenin, is een revolutionaire boodschap en roept op tot opstand: Weiger de wanhoop! De wanhoop lijkt zoveel realistischer dan de hoop maar is het niet! Blijf trouw aan wat er in het diepst van je ziel aan verlangen leeft.
De werkelijkheid is veel groter dan je denkt! God is veel groter dan je denkt! Werp de wanhoop van je af!

De hoop en het leven komen op ons af als een oproep van God. Huub Oosterhuis heeft dat prachtig verwoord. In het derde couplet van het lied “De steppe zal bloeien”, schrijft hij:
De dode zal leven
De dode zal horen: “Nu leven!”
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
“Dode, dode sta op!”
Het licht van de morgen.
Een hand zal ons wenken,
Een stem zal ons roepen:
“Ik open hemel en aarde en afgrond.”
En wij zullen horen
En wij zullen opstaan
En lachen en juichen en leven!

Amen.

10 april 2022 Palmzondag

Lezingen: Jesaja 50: 4-7      Matheus 21: 1-11
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Rijdend op een ezel
In het koningschap van Jezus niet om macht gaat maar om dienstbaarheid.

Wanneer ik zeg dat het in het koningschap van Jezus niet om macht gaat maar om dienstbaarheid dan stel ik deze twee begrippen ten onrechte tegenover elkaar en suggereer ik dat  macht niet goed zou zijn.
Dat wil ik corrigeren. Macht is niet slecht. Macht is het vermogen om iets te doen.  Zonder macht kun je geen kwaad doen maar zonder macht kun je ook geen goed doen. Zonder macht ben je machteloos: ten goede of ten kwade. Jezus zou de macht wil hebben om goed te doen.  In Hem leeft de wens om goed te doen.  Macht zou Hem in staat stellen om goed te doen.
Ik heb het wel vaker verteld maar het wordt mij steeds duidelijker dat het verhaal over de verzoekingen in de woestijn wezenlijk is voor het begrijpen van Jezus’ koningschap.

Het gaat in dit verhaal om drie verzoekingen:

  1. de verzoeking om van stenen brood te maken d.w.z. de verzoeking om Zijn koningschap te gebruiken om zichzelf te verrijken. Een verzoeking waaraan zovele machthebbers door de eeuwen heen telkens weer aan ten prooi vallen. Twee weken geleden hebben we nog gezien in welk riant huis de president van Oekriaïne woonde en welke schatten hij om zich heen verzameldhad tot de waanzin van een gouden w.c- pot aan toe. Jezus wijst deze verzoeking af. Hij zal Zijn koningschap niet misbruiken voor zelfverrijking ten koste van het volk.
  2. de tweede verzoeking is de verzoeking van Jezus om zichzelf van het tempeldak te werpen en zich te laten opvangen door engelen.

Dat is de verzoeking om zichzelf als charismatische leider , als een goeroe , als een god-koning te laten vereren waardoor Hij een totale greep, niet alleen op het lichaam,  maar ook op de geest van zijn onderdanen zou verwerven. Maar Jezus wijst dit af. Hij wil geen god-koning zijn, geen charismatisch leider. Hij wil zich niet verheffen boven het volk maar  broeder zijn. Hij wil de geest van de mensen niet gevangen nemen maar vrij laten.

  1. de derde verzoeking is de verzoeking om neer te knielen voor de duivel opdat Hem al de koninkrijken van de wereld geschonken zou worden. Dat neerknielen voor de duivel dat is het neerknielen voor de macht om de macht. Hier is macht geen neutraal begrip meer, is het niet meer het vermogen om iets te doen ten goede of ten kwade. Nee hier is macht het vermogen om kwaad te doen. De wil om te heersen om het heersen zelf. Macht omdat macht machtig mooi is.

Ook deze verzoeking wijst Jezus af. Hij wil niet heersen om het heersen . Hij wil het goede doen dat in zijn vermogen  ligt.

Ach! Hadden we in de wereld maar wat meer koningen, presidenten, premiers , regeringsleiders als Jezus! De wereld zou een paradijs zijn, een Koninkrijk van God!
Jezus rijdt op een ezel Jeruzalem binnen. Niet op een paard. Het paard symboliseert zoals u weet de militaire macht. Maar niet alleen dat. Het paard symboliseert die macht die Jezus afwees in de verzoekingen in de woestijn.
De ezel symboliseert de macht die Jezus ambieert: het vermogen om goed te doen. Op een paard toren je uit boven de mensen. Op een paard kijk je op hen neer. Op een ezel bevindt je je op ooghoogte van de mensen. Je kijkt niet op ze neer maar ziet hen in de ogen als broeders en zusters.

Ten tijde van de intocht in Jeruzalem zuchtte het Joodse volk onder de Romeinse bezetting. De zware belastingdruk die de keizer het volk oplegde  veroorzaakte armoede en dagelijkse ellende en uitzichtloosheid. Het volk verlangde naar verlossing.
In de Joodse traditie en in het O.T. hoorden en lazen zij over een verlosser die van Godswege naar het land gezonden zou worden. Hij werd “de Messias” genoemd. En tijdens de Romeinse onderdrukking nam het verlangen naar verlossing daarom de vorm aan van het verlangen naar de komst vande Messias.
En wanneer Jezus roem zich door het land verspreid dan worden deze messiaaanse verlangens aan Jezus verbonden. Men verlangt zo naar verlossing  dat men gaat geloven dat Jezus de messias is.

Maar wat stelt men zich daarbij voor? Men denkt dat Jezus als messias met militair geweld de Romeinse bezetter zal verdrijven. Men stelt zich Jezus voor op een paard in een prachtig koninklijk militair gewaad. Jezus zal als koning op de troon van David plaatsnemen en  het economische herstel van het land  ter hand nemen. En Jezus weet  dat deze verwachtingen rondom Hem aan het groeien zijn. Jezus weet dat het volk bij zijn koningschap een koningschap op een paard voor ogen heeft. En daarom kiest Hij bewust niet voor het paard maar voor een ezel als rijdier.

Maar wanneer het volk Hem aanziet komen rijden en dan helemaal enthousiast wordt en mantels voor Hem op de weg gooit waarover Hij kan rijden en palmtakken boven Zijn hoofd houdt en en roept : “Gezegend Hij die komt in de Naam van de Heer! Hosanna!” Welk koningschap bejubelt het volk dan? Het koningschap op  de ezel of het koningschap op het paard?  En als het volk het koningschap op het paard bejubelde hoe moeilijk zal het dan voor Jezus geweest zijn wanneer Hij zich realiseerde dat het volk niet begrepen had wat Hem voor ogen stond!
Jezus maakte  door zijn keuze voor een ezel niet alleen aan zijn tijdgenoten maar ook aan de mensen van vandaag duidelijk welk koningschap Hem voor ogen staat.

Hij maakt dit duidelijk aan Basjr al  Assad van Syrië, aan  Robert Mugabe van Zimbabwe maar Hij maakt het niet alleen duidelijk aan +de slechterikken . Hij maakt het duidelijk aan alle presidenten in de wereld. Het verhaal over de intocht zou gelezen moeten worden bij de opening van een vergadering van de Verenigde Naties. Alle machthebbers in de wereld moeten weten dat zij bij de machtuitoefening niet uit moeten zijn op zelfverrijking, zelfverheerlijking of macht om de macht.

Alle regeringsleiders moeten weten dat de aarde een paradijs kan worden, een koninkrijk van God wanneer zij hun macht in dienst stellen van hun volk.   Hun lievelingsverhaal dat ze ’s avond voor het slapen telkens weer opnieuw zouden moeten willen lezen is het verhaal van Jezus die de menigte voedt: Hij breekt het brood en de vis en Hij deelt en deelt en deelt tot de  hele menigte verzadigd is.

En niet alleen voor het politieke leven is de boodschap van Jezus relevant maar ook voor ons persoonlijke leven. Ook voor ons persoonlijke leven geldt dat we niet aleen bezig moeten zijn met het verkrijgen van rijkdom of aanzien of macht om de macht. Daarin schuilt het levensgeluk niet. Ons levensgeluk vinden we in de liefdevolle en dienstbare  omgang met onze medemensen.

Amen.

Ga naar de bovenkant