10 oktober 2021 Jeugddienst

Lezing: Joh. 8, 1-11
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Beste jongeren en ouderen,

Aan het begin van de lezing van vanmorgen lezen we dat Jezus ’s avonds naar de Olijfberg ging. Uit andere plaatsen in de evangeliën weten we dat Jezus regelmatig een berg opging om daar in tot zichzelf te kunnen komen en in de rust de ruimte te vinden om te bidden. Dat had hij nodig want Hij werd de hele dag omringd door mensen die met Hem wilden spreken. Dan is het moeilijk om bij jezelf te blijven en heb je het echt nodig om te terug te trekken op een eenzame plek.

Dan staat: “Vroeg in de morgen ging Jezus weer naar de tempel. “Dat deed hij blijkbaar vaker. De mensen wisten dit en velen kwamen naar Hem toe om Hem te horen spreken.

Jezus moet een begaafde spreker geweest zijn. Anders is het niet te verklaren dat er telkens opnieuw zo veel mensen naar Hem kwamen luisteren.

De taal waarin Jezus sprak was het Aramees. Zijn woorden zijn in de bijbel in het Grieks terechtgekomen. Kenners van het Aramees zeggen dat wanneer zei Jezus’ woorden uit het Grieks terugvertalen in het Aramees het duidelijk wordt dat Jezus als een dichter gesproken zal hebben. Hij gebruikte prachtige beeldtaal maar sprak ook op muzikale wijze met ritme en maat.

Jezus was vol liefde en die liefde zal zijn stem een hele warme klank gegeven hebben.

En ook was Jezus doorzichtig tot op God. Het licht van God scheen door Hem heen en straalde door Zijn ogen en van Zijn gelaat.

 

In onze samenleving staan de leraren en zitten de leerlingen maar naar Joods gebruik ging Jezus als leraar zitten en stonden de luisteraars om Hem heen.

Terwijl Jezus onderricht gaf en de mensen aan zijn lippen hingen, ze wilden geen woord van Hem missen, brachten de Schriftgeleerden en Farizeeën een vrouw bij hen die op overspel betrapt was. Ze zetten haar in het midden en zeiden tegen Jezus: “Meester deze vrouw is op heterdaad op overspel betrapt. De wet van Mozes zegt dat ze gestenigd moet worden. Wat vindt u? “

Ze vroegen dit aan Jezus omdat ze wel vermoedden dat Jezus het voor de vrouw zou opnemen. En zij zouden Jezus dan kunnen verwijten dat Hij de wet van Mozes aan de kant schoof. Een mooie gelegenheid om Jezus i neen kwaad daglicht te stellen.

Daar zit Jezus. Om Hem heen een groep mensen. Voor Hem de Farizeeën en Schriftgeleerden die Hem vijandig zijn. En vlak voor Hem geknield op de grond, voorovergebogen, haar hoofd verbergend in haar schoot, de vrouw die op heterdaad op overspel betrapt was.

Wat ging er in haar om? Hoe je jezelf beleefd, hoe je over jezelf denkt en je gevoel van eigenwaarde wordt voor een groot deel bepaald door de wijze waarop je omgeving naar je kijkt en over je denkt. Je omgeving is vaak de spiegel waarin je kijkt om je een oordeel over jezelf te vormen.

In het geval van de overspelige vrouw zijn de Farizeeën en de Schriftgeleerden de spiegel waarin zij kijkt. En hun oordeel zal een weergave zijn van de wijze waarop in de samenleving van die tijd tegen overspel werd aangekeken.

Als dit waar is zal de vrouw zich hebben geschaamd voor haar overspel en zich er heel schuldig over hebben gevoeld. Wellicht voelde ze ook voor zichzelf de minachting die haar omgeving voelde voor mensen die overspel pleegden.

Daar komt bij dat de vrouw doodsbang geweest zal zijn. Ze liep het gevaar gestenigd te worden. En hopelijk zal deze angst in haar ook woede opgeroepen hebben. Woede om een moraal die geen begrip kan opbrengen voor de omstandigheden die kunnen leiden tot overspel. Het kan zijn dat de vrouw in een ongelukkig huwelijk zat en snakte naar liefde die zij van haar man niet kon krijgen. Het kan ook zijn dat ze wel een goed huwelijk had maar dat ze heel veel problemen in haar leven had, armoede, ziekte en dood van dierbaren. En door verliefd te worden lijk je daar dan heel even aan te kunnen ontsnappen. Natuurlijk is overspel niet goed. Het is kwetsend voor de man of vrouw die overkomt. Het kan een huwelijk aan het wankelen brengen. Het kan het einde van een huwelijk betekenen. Overspel is niet goed maar het is wel menselijk.

De boosheid van de Farizeeën en Schriftgeleerden is de spiegel waarin de overspelige vrouw kijkt. Haar gevoel van eigenwaarde wordt tot nul gereduceerd.

Nu even een uitstapje naar de social media. Mark Zuckerberg ontkent het maar uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat Facebook ervoor zorgt dat wereldwijd meisjes en jongens een negatief zelfbeeld ontwikkelen. Op Facebook zie je alleen maar meisjes die superknap en superslank zijn. Maar die schoonheid is niet menselijk. Die schoonheid is kunstmatige gemaakt door een hele dikke laag mag-up waarvan het opbrengen minstens drie uur duurde. En daarna zijn de foto’s ook nog eens bewerkt door photo- shopping.

En op Face boek zie je niet alleen knappe meisjes. Je ziet ook alleen maar super coole mannen en jongens. De één nog sportiever en stoerder dan de ander. In werkelijkheid kom je zulke jongens en mannen niet tegen. Ze bestaan alleen op Facebook.

Voor jongeren is Facebook de spiegel waarin zij kijken en de norm waaraan zij hun lichaam en gevoel van eigenwaarde meten.

Facebook is voor de jongeren van nu wat de Farizeeën en Schriftgeleerden waren voor de overspelige vrouw: De spiegel waarin zij kijken en de norm waaraan zij hun gevoel van eigenwaarde aan ontlenen.

Jezus zegt tegen hen: “Wie zonder zonde is werpe de eerste steen.” Jezus zegt hiermee tegen hen: “Er is geen mens die niet zondigt. Jullie niet, deze vrouw niet. Zij is een mens zoals jullie. Veroordeel haar niet. Luister naar haar. Spreek liefdevol met haar. Stenig haar niet maar neem haar weer liefdevol op in de gemeenschap.

Wat zou Jezus tegen Mark Zuckerberg zeggen? Mark, wanneer jij in de spiegel kijkt dan zie je zelf toch ook dat je niet zo cool bent als de jongens en mannen op Facebook? Ga eens bij jezelf na wat dat met je doet? En wanneer je zoon en dochter de leeftijd hebben bereikt waarop ze zelf op Facebook gaan, zou je dan willen dat ze hun gevoel van eigenwaarde eraan gaan afmeten?

Mark, je hebt een machtige positie, je kunt honderden miljoenen mensen bereiken. Gebruik die positie om jongens en meisjes te leren om met liefdevolle ogen naar elkaar en zichzelf te kijken. Leer ze dat schoonheid niet van buiten zit maar van binnenuit komt. Een mens die liefdevol en vriendelijk is. Een mens die oog heeft voor zijn oog haar medemens is een mooi mens. Een mens die oog heeft voor de schoonheid van de natuur, de kwetsbaarheid van onze planeet aarde, dat is een mooi mens.”

Ik zei het zostraks al: “Jezus was doorzichtig tot op God. Het licht van God scheen door Hem heen en straalde door Zijn ogen. In welke spiegel kijk je wanneer je jezelf wilt zien? In de koude spiegel van Facebook of zie je jezelf weerspiegeld in de liefdevolle ogen van Jezus?

Tot slot. We lazen dat Jezus, toen de Farizeeën Hem vroegen wat ze moesten doen met de vrouw die op overspel betrapt was, bukte en woorden in het zand schreef. Welke woorden? We weten het niet. Maar ik vermoed dat hij schreef: “Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. “

Amen.

 

3 oktober 2021

Israëlzondag
Lezingen: Deuteronomium 34, 1-12    Genesis 2, 15-25
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Vorige week sprak ds. Gosker al hele mooie woorden over de beide lezingen van vanmorgen. In Deuteronomium 34 gunt God Mozes, vlak voor hij zal worden opgenomen in de hemel, een blik op het beloofde land. En wat ziet hij: Hij ziet het paradijs zoals deze beschreven wordt in het scheppingsverhaal in Genesis 1 en 2. Wat wil dit zeggen? Betekent het dat Mozes ziet hoe in het beloofde land het paradijs hersteld wordt? Gaat het om een terugkeer naar een toestand uit het verleden. Een hervinden van het verloren paradijs?

Ik meen van niet. Twee weken geleden heb ik gesproken over Openbaringen 21 waar het gaat over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Daar zien we dat het paradijs uit Genesis 1 en 2 de stadstuin van het nieuwe Jeruzalem geworden is. In de hof van Eden ontsprongen aan een waterbron vier rivieren die de hele wereld van levend water, water van eeuwig leven voorzien. Midden in de hof stond één boom van het leven. In Openbaringen 21, stroomt een rivier van levend water door de stad en staat er niet één boom van het leven maar hele rijen van bomen aan de oevers aan weerskanten van de rivier.

Het nieuwe Jeruzalem wordt niet simpelweg beschreven als een hervinden van het paradijs, als een terugkeer naar het paradijs. Een stadspark is niet alleen natuur, het is ook cultuur. De mens heeft er aan gewerkt. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde is de uitkomst van een lange geschiedenis waarin God en mens samen werken als partners. De mens als schepper naast God.

Het verhaal over de zondeval van Adam en Eva is vaak gelezen als een verklaring voor het lijden, het kwaad en de dood in de wereld. Het werd gebruikt als een antwoord op de vraag hoe het toch mogelijk is dat een goede God zoveel lijden op de wereld laat gebeuren. Maar het is ook mogelijk om het verhaal op een andere manier te lezen.

Het verhaal geeft in die andere wijze van lezen niet in de eerste plaats een verklaring voor de ellende in de wereld maar een beschrijving ervan. In het zondevalverhaal is een schildering van het leven zoals we dat uit eigen ervaring kennen:

  • We kunnen niet de hele dag een beetje in de zon zitten en luieren maar moeten ons in zweet werken om onze boterham te verdienen.
  • Vele vrouwen weten maar al te goed dat de zwangerschap en het baren van een kind niet altijd gemakkelijk is. Zij herkennen zich in de woorden: “Met smart zult gij kinderen baren. “
  • Vrouwen kunnen natuurlijk vermijden zwanger te worden door de omgang met mannen uit de weg te gaan. Maar dat blijkt bijna onmogelijk: “Naar de man zal uw begeerte uitgaan “zegt God in het scheppingsverhaal.
  • En om de ellende compleet te maken zal de man ook nog eens over de vrouw heersen.
  • Waar wij in het leven mee opgescheept zijn dat is ons vermogen om te onderscheiden tussen goed en kwaad. We kunnen niet ongestoord onze gang gaan. Maar telkens weer kwellen we onszelf met de vraag: Wat moet ik in deze situatie doen? Wat is goed? Wat is kwaad? Wel vleeseten, geen vleeseten? Wel inenten, niet inenten? Wel autorijden, niet autorijden? En ook achteraf kwellen we ons met vragen: Heb ik het goed gedaan of fout. Moet ik me schuldig voelen of ben ik terecht voor mezelf opgekomen?

 

Kortom: we herkennen ons eigen leven in de beschrijving van het leven na de zondeval in het zondeval verhaal. Daarin zit de schoonheid en de kracht van dit verhaal. Deze lezing is belangrijker dan de lezing van het verhaal als een verklaring voor het leed in de wereld. De lezing als beschrijving van ons leven biedt herkenning en daarmee troost.

 

Ds. Gosker heeft vorige week al verteld dat de lezingen van vanmorgen in het kader staan van het grote verhaal tussen God en zijn volk Israël en de lezingen in verband staan met Grote Verzoendag, de dag waarop de Joden hun schuld voor God belijden en zich met Hem verzoenen. Dit wil ik vanmorgen nog een beetje uitwerken.

 

In de Hof van Eden leefde de mens in harmonie met God. Aan het einde van de dag wandelden Adam en Eva met God in de avondkoelte. Een prachtig beeld! Na een warme dag waarop het zweet wellicht langs lichamen liep, horen Adam en Eva een zacht geluid van het suizen van de wind, de bladeren van de bomen ritselen, ze voelen de wind op hun naakte huid. Ze voelen een heerlijke verkoeling. In die wind, in de verkoeling, in zachte suizen bespeuren ze de aanwezigheid van God. En dan wandelen ze met God en ze spreken met God. God luistert liefdevol naar ze. Hij glimlacht om hun verhalen.

 

Een prachtig verhaal! Zo zouden wij ook met God willen wandelen en spreken. En we denken dat het niet mogelijk is. We denken dat de zondeval deze omgang met God onmogelijk heeft gemaakt.

 

Op een avond zoekt God Adam en Eva weer op voor een wandeling in de avondkoelte. Maar zij zijn niet op de afgesproken plek. “Waar zijn jullie?“ “We hebben ons verborgen” roepen Adam en Eva omdat we naakt zijn. We schamen ons voor elkaar en we zijn bang voor U. “

 

Wanneer we nu ook dit deel van het verhaal niet lezen als een verklaring voor het ontstaan van het kwaad in de wereld maar als een beschrijving van de wijze waarop wij het leven beleven, kan het verhaal ons troost en hoop schenken.

 

Voor de zondeval schaamden Adam en Eva zich niet voor hun naaktheid. Kleding die hun lichaam aan het zicht onttrok hadden ze niet nodig. Die kleding is denk ik het symbool voor al datgene waarvan de t.v. reclame ons probeert te overtuigen dat we het moeten hebben om te mogen bestaan: Mooie kleding die ons jeugdig maakt. In onze samenleving is de jeugd de norm. Wie er niet uit ziet als een dertig jarige moet zich schamen. Voor mannen kan een auto een statussymbool zijn. Het is een jas die aangeeft dat je het gemaakt hebt. Ook een huis, een hoge baan, veel geld, gezondheid, een hoge intelligentie zijn voorbeelden van kledingstukken die we aandoen om onze naaktheid te bedekken. Zonder jeugd, aanzien, gezondheid voelen we ons naakt, durven we ons niet te vertonen. We voelen ons dan uitgeleverd aan de liefdeloze, kille blik van de ander.

 

Hoe kunnen wij verlost worden van de schaamte voor onszelf en voor elkaar? Door met liefdevolle ogen naar elkaar te kijken. Je schaamt je niet voor je naaktheid wanneer je weet dat iemand liefdevol naar je kijkt. Je voelt je dan veilig in de ogen van de ander. Kleding en statussymbolen heb je niet meer nodig.

 

Adam en Eva verborgen zich voor God omdat ze zich schaamden voor Hem en bang voor Hem waren. Adam en Eva waren vergeten dat God met liefdevolle ogen naar hen keek. Niet met boze maar met liefdevolle stem riep God hen toen ze zich verborgen hadden: “Adam, Eva waar zijn jullie?“ Adam en Eva waren bang voor God omdat ze meenden dat God alleen met liefdevolle ogen naar hen zou kijken als ze zonder zonde waren. Ze dachten dat God alleen van ze zou kunnen houden wanneer ze helemaal foutloos waren. Ze wilden niet dat God in hun hart zou kijken en daar onvolmaaktheid zou zien. Daarom wilden ze hun hart bedekken met kleding.

 

Op Grote Verzoendag verzoenen de joden zich met God. Hoe verzoenen wij ons met God? Door Zijn liefdevolle omgang met mensen, door zijn liefdevolle omgang met onvolmaakte mensen, heeft Jezus laten zien dat God met liefdevolle ogen naar ons kijkt. Onbevreesd mogen we in onze naaktheid, in onze onvolmaaktheid voor Hem staan. God eist geen volmaaktheid, geen zuiverheid, geen reinheid, geen heiligheid van ons.  God houdt van ons zoals we zijn. Onvoorwaardelijk. Met oneindige liefde.

 

Adam en Eva hadden zich niet hoeven te verbergen voor God. Wij hoeven ons niet te verbergen voor God. Er is geen reden voor angst. Er is alleen liefde en vergeving.

 

Amen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

19 september 2021

Lezingen: Deuteronomium 13: 2-6, Marcus 9: 30-37
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

“ Ze zwegen, want ze hadden onderweg getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was. “ Mc.9:34

“ Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar. “ Mc.9:35

Gemeente van Christus,

In een kippenhok is er altijd sprake van een pikorde. Er zijn altijd een paar kippen die bij de voer- en drinkbakken voor aanstaan en graankorrels wegpikken voor de snavel van kippen die lager in de rangorde staan.
Ook bij andere diersoorten is er dikwijls sprake van een rangorde. Wie wel eens in de Apenheul in Apeldoorn geweest is, weet dat die reusachtige mensaap Bongo, bovenaan de rangorde van de mensapen staat. Een grote imposante mannetjesaap. Hij toont zijn dominantie door zijn overheersende gedrag.
Er zijn van die dominante mannetjesapen die “zilverruggen “worden genoemd. Ze hebben een zilverkleur op hun rug. Daarmee tonen ze hoge positie in de rangorde.

Men zegt wel eens dat dat de voorkeur van mannen voor mooie zilverkleurige auto’s op het zelfde principe berust.

Waarom leven dieren in groepen met rangordes ? Dat is omdat dit ze op deze wijze als groep te overleven. God heeft het ingeschapen zou je kunnen zeggen.

Over de wijze waarop God geschapen heeft is al heel veel gedacht en gesproken. Heeft God mens en dier geschapen zoals ze nu zijn of zijn mens en dier geworden zoals ze zijn in een lang ontwikkelingsproces van miljarden jaren die evolutie wordt genoemd ?

Een meisje van een jaar of zes met een filosofische instelling vroeg zich op een bepaald moment opeens verwonderd af: “ Waar komen mensen eigenlijk vandaan ? “ Ze ging met deze vraag naar haar niet-gelovige vader. “ De mens stamt af van de apen. “ antwoordde hij. Het meisje vond het nogal een vreemd antwoord. Daarom ging ze met deze vraag ook naar haar moeder. “ De mens is door God geschapen “ antwoordde de moeder “ we stammen af van Adam en Eva. “ “ Maar papa zegt dat we van de apen afstammen ! “ riep het meisje uit. “ Hoe zit het nu? “  “ Oh, heel eenvoudig “antwoordde de moeder “ de familie van papa stamt van de apen af en mijn familie van Adam en Eva. “

Inmiddels hebben we denk ik wel geleerd dat schepping en evolutie elkaar niet uitsluiten maar Gods schept doorheen een proces van evolutie.

Vijftien miljard jaar geleden liet God een oerknal ontstaan.

Eerst was er alleen materie : rotsen, stenen die geen vrijheid kennen. Ze kunnen zich niet bewegen. Ze kunnen zich niet verplaatsen. Ze kunnen alleen bewogen worden of verplaats worden.

Daarna ontwikkeld zich  in een lang proces plantaardig leven. Bloemen, kruiden, struiken, bomen. Ten opzichte van rotsen en stenen heeft het plantaardige leven een grotere vrijheid. Bloemen kunnen zichzelf niet verplaatsen maar ze kunnen hun kopje wel bewegen in de richting van de zon en hun blaadjes openen en sluiten.

Ten derde ontwikkelde zich het dierlijke leven. Ten opzichte van het plantenrijk  hebben dieren weer een grotere vrijheid. Zij kunnen zich bewegen en verplaatsen. Ze kunnen besluiten te vechten of te vluchten. Binnen hun instinct hebben ze een beperkte vrijheid.

Mensen zijn de meest vrije wezens die we kennen. We kunnen ons bewegen we kunnen ons verplaatsen. En heel bijzonder: we kunnen keuzes maken die tegen onze instincten ingaan. Wanneer er een kind in een brandend huis is dan kunnen wij besluiten om het brandende huis binnen te gaan om het kind te redden. Een dier kan dat niet.

 

Ik zei zo net:  “Mensen zijn de meest vrije wezens die we kennen. “ Maar ik ken er nog één die nog vrijer is. Daar kom ik zo meteen op.

Als het zo is dat God planten, dieren en mensen niet in één vingerknip kant en klaar geschapen heeft maar dat doorheen een lang evolutieproces heeft gedaan, dan betekent dit dat er in ons nog resten aanwezig zijn van dat ontwikkelingsproces.

En dat zien we in het verhaal van vanmorgen. Op weg naar Kafarnaüm maken de leerlingen van Jezus ruzie over de vraag wie van hen de belangrijkste was. “Kinderachtig !“ denk je. “Onvolwassen ! “ “Onchristelijk ! “ We zijn meteen geneigd er een negatief oordeel over te geven.

Maar wanneer het nu zo is dat God doorheen de evolutie geschapen heeft. En wanneer het nu zo is dat er nog resten van die ontwikkeling in ons DNA aanwezig is, dan kun je begrijpen dat het denken in een pikorde, in een sociale rang orde, die dieren helpt om te overleven , ook in ons aanwezig is. Dat we ons afvragen wie hoog en wie laag in de sociale rangorde staat, dat we graag hoog in de rangorde willen staan, dat is niet kinderachtig of zondig, dat is een overblijfsel van een ontwikkelingsproces. En het bijzondere van Jezus is dat hij ons hiermee om leert gaan. En Jezus kan dat omdat Hij ons in het ontwikkelingsproces een stap voor is.

Jezus zegt tegen zijn leerlingen: “ Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar. “ Jezus maakt duidelijk dat er voor ons  vrijheid mogelijk is. Ons instinct zegt ons dat we een zo hoog mogelijke plek in de sociale rangorde moeten zien te bemachtigen. Jezus leert ons door de beperking van ons instinct heen te zien. Jezus wil ons bevrijden van de enorme last van het denken en voelen in hoog en laag.

En Jezus kon hierin onze leraar worden dankzij hetgeen hij beleefde bij zijn doop in de Jordaan. Johannes duwde Hem achterover in het water. Jezus ging kopje onder. En toen hij weer uit het water omhoog rees zag hij hoe de hemel boven Hem openscheurde, er een vurige duif uit de hemel op Hem neerdaalde en er een Stem uit de hemel klonk: “ Jij bent mijn geliefde Zoon . Je bent de vreugde van Mijn leven ! “

Die woorden van God drongen diep door in het hart en de ziel van Jezus. Hij voelde zich oneindig bemind . Zijn hart werd verwarmd door deze liefde. Zij ziel verlicht. Hij wist en voelde: “ Ik ben kostbaar in Gods ogen. “

Op dat moment werd Jezus bevrijd van het denken in hoge en lage positie in de sociale rangorde. Hij wist Zich een kind van God te zijn. Hoog en laag binnen de sociale rangorde vallen dan weg. Als Hij “ Zoon van God “ is dan zijn alle mensen kinderen van God, broeders en zusters, allemaal aan elkaar gelijk.

Gemeente, wanneer u bij uzelf opmerkt dat u bezig bent met uw positie in de sociale rangorde schrik daar dan niet van. Glimlach wanneer u het bij u zelf opmerkt. Weet dat het geen zonde is maar een overblijfsel van het ontwikkelingsproces waardoorheen God schept. En denk dan aan de woorden van die Jezus bij zijn doop hoorde “ Jij bent Mijn geliefde kind. “ God spreekt ze ook tot u.

Aan het begin van de preek zei ik dat de mens van alle schepselen de hoogste vrijheid mag genieten. De mens is vrijer dan rotsen, planten en dieren. Er is er één die nog vrijer is: Jezus Christus onze Heer. En wij mogen worden zoals Hij : helemaal vrij !

Amen

 

 

12 september 2021

Lezing: Mattheüs 6, 1-13
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het jaarthema dat ons vanuit de landelijke kerk wordt aangereikt luidt: “ Van U is de toekomst. “ Het thema van de startzondag luidt:  “Uw Koninkrijk kome. “ Daarmee wordt de toekomst al aangeduid als ”Koninkrijk van God.“

De naam “ Koninkrijk van God “ komt natuurlijk uit de bijbel. De oudste delen van de bijbel zijn wel drieduizend jaar geleden geschreven en de jongste 2000 jaar geleden. Ze zijn geschreven door mensen met een heel ander wereldbeeld dan de onze. Een wereldbeeld waarin men niet wist dat de aarde rond was en maar een klein planeetje in een oneindig heelal. Een wereldbeeld die nog niet beïnvloed was door de inzichten ontleend aan de microscoop en de telescoop.

De bijbel is zoals u weet niet één boek dat op een bepaald moment in zijn geheel geschreven is. De bijbel is een bibliotheek een verzameling van boeken die geschreven zijn in verschillende tijden en culturen en maatschappijvormen.

De maatschappij vorm die je in de bijbel vaak tegenkomt is die van het koninkrijk. De samenlevingen worden bestuurd door een elite met aan het hoofd een koning die absolute macht heeft. En dat wil zeggen dat zijn wil geschiedt.

Nu leven wij nog in het Koninkrijk der Nederlanden maar het koningschap van Willem Alexander is toch vooral een symbolisch koningschap. Samen met Maxima is hij het symbool van eenheid van ons land en volk. Werkelijke macht heeft hij niet meer.

Dit betekent dat het begrip “ Koninkrijk van God “ omdat het ontstaan is in een tijd van absoluut koningschap niet meer goed weergeeft wat er in onze tijd mee wordt aangeduid. Voor ons is het nog wel duidelijk maar voor onze kinderen en jongeren is het dat niet meer.

Om duidelijk te maken wat je bedoeld met “ Koninkrijk van God “ zou je moeten spreken van “ Democratie van God “ en in plaats van als Gods “Koningschap “zou je moeten spreken over God als “ minister- president” maar dat klinkt al te plat.

Het is overigens wel de denkrichting van Jezus. In het evangelie van Johannes  zegt Hij tegen Zijn leerlingen: “ Ik noem jullie niet langer slaven. Ik noem jullie vrienden. “ Jezus kiest duidelijk voor een democratisch koningschap.

Er is nog een probleem verbonden aan het gebruik van het woord “Koninkrijk van God.” In de kerk is het gaan functioneren als een aanduiding voor de tijd die aanbreekt aan het einde van de tijden. Op grond van een bepaalde lezing van het boek Openbaringen meende men dat de aarde zou moeten ondergaan in een grote ramp en daarna zou dan het Koninkrijk van God aanbreken. Maar deze lezing gaat helemaal voorbij aan Gods liefde voor deze wereld en aan Zijn belofte dat hij nooit los zal laten varen het werk dat zijn hand begonnen is te doen. En in het evangelie van Johannes lezen we ook die prachtige woorden: “ Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft niet om de wereld te veroordelen maar om haar te verlossen .”

Hoe kunnen we spreken over het Koninkrijk van God op zo’n wijze dat het voor onze jongeren begrijpelijk wordt en de liefde van God voor deze wereld recht gedaan wordt ?

In het eerste bijbel boek Genesis lezen we over de hof van Eden en in het laatste bijbel boek Openbaringen lezen we over het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt. Je zou kunnen zeggen dat de wereldgeschiedenis zich tussen deze verhalen afspeelt. De hof van Eden wordt het stadpark van  het nieuwe Jeruzalem. In de hof van Eden ontsprong een waterbron van water van het leven. Hieraan ontsprongen vier rivieren die de hele aarde van levend water voorzien. Midden in de Hof van Eden stond de boom van het leven. Wie ervan at ontving het eeuwige leven.  In het boek Openbaringen zien we dat een rivier van levend water door het stadpark stroomt. Wie ervan drink ontvangt het eeuwige leven. Langs de oevers van de rivier staat niet één boom van het leven maar lange rijen ervan. Wie ervan eet ontvangt het eeuwige leven.

Een tempel wordt in de stad niet gevonden. God Zelf woont onder de mensen. Hij droogt alle tranen van de ogen van de mensen ziekte, rouw en dood zijn er niet meer. “ Zie Ik maak alle dingen nieuw ! “ zegt God.

Hoe doet Hij dat ? Niet door aan het eind van de tijden deze aarde ten onder te laten gaan in een grote wereldbrand. God is Aanwezig in onze wereld en Hij werkt actief aan vernieuwing van déze wereld.

God is alwetend. Hij overziet alles wat er in deze wereld gebeurd is in het verleden. Hij weet precies hoe deze wereld in elkaar zit. Hij weet hoe de situatie waarin de wereld is, is ontstaan. En Hij weet ook wat er moet gebeuren om de wereld te vernieuwen om de wereld te veranderen in het stadspark van het nieuwe Jeruzalem.

God kent ook ieder mens. Hij kent onze geschiedenis. Hij weet hoe wij zijn geworden tot de mensen die we nu zijn. Hij kent ook onze mogelijkheden. Hij kent de mens die kunnen worden en ten diepste al zijn.

God is alwetend. Hij is niet almachtig.  Zijn koningschap is niet het koningschap van een absolute koning. Hij heeft ons immers geschapen met een vrije wil. Hij heeft zijn almacht vrijwillig ingeperkt. God kan ons niet dwingen om mee te werken aan de vernieuwing van deze wereld. Hij nodigt ons er wel toe uit. Hij nodigt de mensheid uit om keuzes te maken die het nieuwe Jeruzalem dichterbij brengen.“ Zie ik maak alle dingen nieuw.” zegt God. “ Doe met me mee. Werk samen met Mij aan die nieuwe hemel en die nieuwe aarde.

De belangrijkste uitdaging waar de mensheid op dit moment voor staat is het tegengaan van de opwarming van het klimaat. Er is sprake van een klimaatcrisis. Maar een crisis is een kans. Sinds 200 jaar zijn we op een manier gaan produceren die geen rekening hield met de schepping van God. We zijn voorbij gegaan aan kwetsbaarheid van de oerwouden, de oceanen, de aarde en de lucht. De hevige regens en hoge temperaturen maken ons nu duidelijk dat we zo niet door kunnen gaan. De crisis is dus een kans. Een prachtige kans om onze productiewijze en ons gedrag te veranderen.

En God kan ons niet dwingen om dat te doen. Beter gezegd; hij wil ons niet daartoe dwingen. Maar hij nodigt ons ertoe uit. Hij roept ons ertoe op. “ Grijp deze crisis aan om te veranderen. Grijp deze crisis aan om de lucht ,water en aarde te zuiveren. Om de oerwouden weer te laten groeien. Mijn zegen heb je !

En dit laatste is van wezenlijk belang: “ Mijn zegen heb je ! “ zegt God. Wij staan er niet alleen voor ! God werkt met ons mee. God belooft : “ Zie Ik maak alle dingen nieuw. “ Hij is actief werkzaam in onze wereld om de mensen te inspireren, om mensen actief ideeën in te geven. Wanneer Zijn werkzaam zichtbaar gemaakt zou kunnen worden dan zouden we zien dat Hij alomtegenwoordig is.

“ Van U is de toekomst “ en “ Uw koninkrijk  kome. Luidt het jaarthema van de kerk en het thema van deze startzondag. Wanneer we het onze Vader bidden dan bidden we in het begin “ Uw koninkrijk kome” dat is op die plaats in het gebed, een bede, een wens. Maar al  biddend voelen we kracht en hoop en geloof in ons sterk worden. We worden enthousiast en eindigen daarom jubelend: “ Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Tot in eeuwigheid. Amen.

 

 

 

25 april 2021

Lezingen: Ezechiël 34, 1-10       Johannes 10, 1-16
Voorganger: ds. B. Metselaar, Beilen

Gemeente van Jezus Christus.
 “Mijn God, mijn herder zorgt voor mij”.
De Goede Herder geeft Zijn leven voor Zijn schapen.
“En wonen zal ik in Gods huis zolang ik leven mag”. Tussen Pasen en Pinksteren spreken wij over Jezus als de Goede Herder.
Als Hij de herder is dan — Ja toch? – dan zijn wij de schapen.
Een dichter zegt: “Misschien kan je wel over de schapen spreken en de herder vergeten!”
Zeker in ons land zien we weilanden vol schapen zonder dat iemand ze hoedt.
Zelfs in het Dwingelderveld lopen schapen zonder dat er een herder is. Misschien mag je dus de herder soms wel vergeten.
Zoals we in onze tijd heel veel over mensen, over onszelf, te zeggen weten
en — naar het lijkt, God steeds meer vergeten.
“Maar”, zo gaat de dichter verder: “Je kan niet over de herder spreken en zijn schapen vergeten”.
Over God kan je niet zinvol spreken als je Zijn mensen vergeet.

In de nacht waarin Jezus gevangen werd – de nacht van Witte Donderdag – In die nacht werd werkelijkheid wat een Profeet tot Israël had gezegd:
“Ik zal de herder doden en de schapen zullen uiteengeslagen worden”.
De jonge Jezusbeweging is in die nacht uit elkaar gevallen. Johannes, Petrus,ze zijn niet verder gekomen dan het paleis van de Hogepriester.
De Vrouwen rondom Jezus hadden nog moed om te volgen tot op Golgotha. Zij hebben Hem in het graf gelegd.
Ook zij zijn verloren heengegaan in de stilte en de eenzaamheid.

Toen kwam de Paasmorgen. Ze vinden elkaar terug. Als een wervelwind doorwaait de Geest van God Jeruzalem.
Vrouwen en vissers grijpen elkaar bij de hand, met de belofte elkaar niet weer los te laten. De Gemeente van Christus krijgt haar vaste vorm.
Zij gaat van land tot land door de wereld en door de tijd. Zelfs een hardnekkig virus kan niet verhinderen dat we naar elkaar omkijken.
Mensen worden betrouwbare herders voor elkaar.

“Ik wil van God als van mijn herder spreken”.
Heel nadrukkelijk op de tweede, ook wel op de derde zondag na Pasen. “Zondag van de Goede Herder”.
Nee, we vergeten de gemeente niet als het nu toch weer over Jezus moet gaan.
Het gaat immers om de Gemeente. Om ons is de Herder gekomen.
Waarop worden de koningen, de leiders van Israël afgerekend?
Ezechiël de Profeet kent felle woorden. Zij zijn geen goede herders. Zij eten de kudde op, buiten het volk uit.
Leiden het op verkeerde wegen zodat het andere goden zoekt. Zwakke en zieke dieren verzorgen ze niet.
Ze dwalen rond op de heuvels en in de wildernis zoals een mens verloren kan lopen, en niemand gaat naar ze op zoek.

Wie denkt bij die woorden van Ezechiël niet aan de vele corrupte leiders van onze tijd?
Valt b.v. de toeslagenaffaire niet ook onder deze kritiek van de Profeet?
Is daar niemand verantwoordelijk voor? Lijken veel mensen die met het UWV te maken krijgen ook niet op zulke uitgebuite en vernederde schapen?

Dat vergeten we niet als we ons nu toch weer helemaal richten op de Herder.
Hem willen wij volgen.

Direct valt ons een typisch kenmerk op van de herder in Israël. Hier en daar op de Drentse hei zie je nog wel zijn vakbroeder.
Zijn schapen dwalen rustig rond. Ze vinden hun weg wel. Schapen zijn veel minder dom dan mensen denken.
Natuurlijk houdt de herder ze wel in de gaten. Als er eens eentje wat verder weg dwaalt komt de hond haar wel terughalen.
Echt verdwalen kunnen de schapen niet. Bij de kooi staat ’s morgens al aangegeven hoe laat ze ’s avonds terug zijn.

Het werk van de Drentse herder is niet minder serieus en zwaar.
Het is wel anders.

De herder in Israël – en misschien moeten we maar direct ook aan Jezus denken. De herder in Israël – Jezus –  loopt niet achter de kudde. Hij gaat voorop.
Hij moet de wegen vinden waarlangs de voeten van de schapen kunnen gaan.
Het pad gaat door de wildernis. Een steppe vol doornige struiken.
Hij buigt ze op zij zodat de vachten van de schapen er niet in verward raken.
Kijk maar! Zijn handen zijn vol striemen en schrammen van scherpe stekels.
Hij maakt het pad vrij van dikke, puntige stenen – en morgen zijn er al weer nieuwe rotsblokken naar beneden gerold.
Zijn rug kromt zich. Ze zijn bijna te zwaar om te tillen.
Een stroom komt van de heuvels. Bruisend water verspert de weg.
Natuurlijk is er geen brug.  Hij gaat er midden in staan.
Zo breekt de kracht van het water stuk op zijn lichaam.
Pas op! De wol van de schapen zuigt zich vol met water. Ze zouden gemakkelijk meegesleurd worden.
De herder grijpt ze vast. Hij draagt ze naar de overkant.

Een leeuw. Een beer. Heel gewoon in de buurt van de kudde.
De herder gaat niet opzij. Hij laat geen schaap prooi worden van deze dieren.
Koning Saul twijfelt of die  knappe, dappere David, niet veel te jong, te klein is, om de reus Goliath aan te kunnen.
Maar David was een herder. Hoor hoe hij de koning overtuigt.
“Wanneer er een leeuw of een beer kwam om een schaap of een geit van de kudde te stelen, ging ik erachteraan, overmeesterde hem
en redde het dier uit zijn muil”.

Maar dan is er toch één verloren geraakt.
’s Avonds. Doodmoe. Werkelijk doodmoe heeft de herder de stal weer bereikt.
Onder zijn staf laat hij de schapen doorgaan. “Jij, en jij en jij!” Alle honderd kent hij bij name:
“Zwartje. Witje, Spikkeltje, Krompootje”. Namen die iets zeggen over wie ze zijn.
Eén ontbreekt er! Kan gebeuren! Toch? Bedrijfsrisico! Verzekering dekt de schade?
Economische opmerking uit een andere tijd, een ongekende mentaliteit.
Doodmoe gaat de Goede Herder door de donkere gevaarlijke woestijn op zoek.
Struikelend, vallend, bloedend – tot Hij jou vindt. “Hij brengt ze weer te kooi”.

De andere morgen: geen klacht. Een nieuwe dag is aangebroken. De herder heeft geslapen in de opening van de kooi.
“Ik ben de deur van de schapen”, horen we Jezus zeggen.
Als iemand een schaap uit de stal wil roven – alleen over zijn lijk!
“Een Goede Herder geeft zijn leven voor zijn schapen”.
Nietwaar? We hebben Goede Vrijdag gevierd. We waren op Golgotha.

Frisse morgen. “Een tuin bloeit rond het open graf”. De tuin van de Opstanding. De Goede Herder gaat weer voor ons uit.
Hij roept zijn schapen. Jezus komt in ons midden staan. “Ik wens jullie vrede!”.
Hij kent ze weer bij name.
De verwarde, verdrietige Maria Magdalena hoort zijn stem: “Maria”.
Het is niet de tuinman! Alleen Jezus zegt zo liefdevol haar naam. Zo kent niemand haar! “Voor wie Hij liefheeft wil Hij heten!”
Zoals de lammetjes hun eigen moeder herkennen aan de klank van haar stem – het stemgeluid van geen twee moederschapen is gelijk, heb ik me laten vertellen.
Aan de stem kent zij haar eigen lammetjes en zij gaan nooit mee met een vreemde moeder.

Zo willen wij van God als van onze herder spreken.
Immers die Goede Herder heeft nog andere schapen die niet uit de stal van Israël komen. Zij horen tot de volken wereldwijd.
“Ook die moet ik hoeden, ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder”.
Dat wordt de Gemeente van Christus: Israël en de volken. Zonder Israël gaat het niet.
Zonder ons wil God ook niet!

De Herder gaat voor ons uit.
Toen al: in de nacht waarin Hij gevangen genomen werd.
“Ik zei al: “Ik ben het! Als u Mij zoekt laat deze – mijn vrienden, mijn schapen – laat hen dan vrij heengaan”.
Toen ook: op die donkere middag op Golgotha.
“Anderen heeft Hij verlost, zichzelf kan Hij niet redden!”.
“Hoe vreemd, dat voor de schapen van zijn weide, de Herder zelf ter slachtbank zich liet leiden”.
Toen opnieuw:  in de vroege morgen van Pasen.
“Zoek elkaar weer op. Laat elkaar niet los. Ik ga al voor jullie uit.” Toen èn nu!
Wij in de soms zo verwarde dagen en vragen. Hoe betrouwbaar zijn onze herders? Zijn wij trouw aan elkaar?
Soms zo verloren in de wildernis van elke dag: steden en stenen; rumoer en lawaai, laaiende stilte, ziekte en sterven;
stikkende eenzaamheid; verlammende onverschilligheid; hard werken en toch soms zo saai.

Hoor: jouw naam!
“Voor wie ik lief heb wil ik heten!” Gekend, bemind, geroepen, gevonden.
Wij zullen van God als onze herder spreken. “Ik wens jullie vrede!” zegt de Heer in ons midden.
“Zoals de Vader Mij heeft gezonden, zend ik nu jullie”.
Zelf gevonden zullen we op zoek gaan naar de ander.
Zelf gekend zullen we ons jouw naam herinneren.
Zelf bemind zullen we de ander liefhebben als ons zelf.
“En wonen zal ik in Gods huis zolang ik leven mag”.

AMEN!                                                                                             

 

 

18 april 2021

Lezing: Johannes 21, 15-24
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Bij het meer van Tiberias hebben zich zeven van Jezus leerlingen verzameld. Één van hen is Simon Petrus. Hij zegt tegen de anderen: “Ik ga vissen.“ en de andere leerlingen antwoorden hem: “Wij gaan met je mee.“  Nu zou je bij oppervlakkige lezing van het verhaal kunnen denken: “ De leerlingen gaan vissen. Logisch ze zijn visser van beroep. Een aantal jaren hebben ze met Jezus rondgereisd. Nu is Jezus weg dus pakken ze hun oude beroep weer op.Wat moeten ze anders? “ Deze lezing is echter te oppervlakkig. Waarschijnlijk moeten we het ons zo voorstellen dat het verhaal van vanmorgen een zéndingsverhaal is. Het is een verhaal over de zendingsarbeid van de kerk. Wanneer Petrus zegt: “ Ik ga vissen. “ dan bedoelt hij: “ Ik wordt visser van ménsen. “ En  zes leerlingen van Jezus zeggen tegen Petrus: “ Wij gaan met je mee” Deze zes plus Petrus zijn waarschijnlijk een verwijzing naar de zeven gemeenten in Klein Azie die genoemd worden in Openbaringen twee en drie: de gemeente in Efeze, de gemeente in Smyrna, de gemeente in Laodicea en noem maar op.  Het verhaal van vanmorgen gaat over het  zendingswerk van de kerk.  Bij zending  hoeven  we niet alleen te denken aan evangelieverkondiging maar we kunnen  ook  denken  aan  het verlenen van hulp aan mensen in nood . Water is het symbool van menselijke nood. Vissers van mensen redden mensen in nood.

Zeven gemeenten in Klein Azië  verkondigen het evangelie en proberen mensen  te redden uit hun geestelijke en materiële nood. De leden van de zeven gemeenten in Azië werken en werken maar al hun zwoegen lijkt tevergeefs. Hun inspanning lijkt niets op te leveren. Hetzelfde overkomt de leerlingen van Jezus. Zij  vissen de hele nacht. Ze zwoegen en zwoegen maar hun inspanning lijkt niets op te leveren. Ze vangen helemaal niets. De zeven vergeefs zwoegende leerlingen zijn de zeven vergeefs zwoegende  gemeenten van Klein Azië.

Dan, wanneer het al licht begint te worden, gebeurt er iets. Die momenten vlak voor het licht wordt , die verwachtingsvolle momenten, spelen steeds opnieuw een rol in de opstandingsverhalen. Zo ging ook Maria van Magdala  vlak voor het echt licht begon te worden naar het graf van Jezus. Diezelfde verwachting wordt in het verhaal van vanmorgen gewekt. We lezen eerst dat de leerlingen de hele nacht visten  maar niets gevangen hebben. En dan staat er: En het begon al licht te worden…..Er wordt een grote verwachting gewekt. En dan lezen we: “ Toen stond Jezus aan de oever, maar de leerlingen wisten niet dat Hij het was. “  “ Hebben jullie misschien wat vis voor me? “ vroeg Jezus hun. “ Nee” antwoordden ze. “Gooi het net dan aan stuurboord uit “ zei Hij “ dan zul je iets vangen .”

Wat Jezus aan de leerlingen vraagt is zeer opmerkelijk. Hij vraagt ze om hun visnet aan stuurboord uit te werpen. Dat is iets wat de vissers nooit deden. Want aan stuurboord zat het roer. Wanneer ze de netten aan die kant uitgooiden zouden de net gemakkelijk in het roer verstrikt kunnen raken. Hoewel het dus zeer vreemd was wat Jezus hun vroeg volgden ze zijn aanwijzing toch op. Ze wierpen het net uit aan stuurboord en zie: het net zat zo vol met vissen dat ze niet meer in staat waren om het binnen boord te hijsen.

Het verhaal is een zendingsverhaal. De zeven leerlingen zijn de zeven gemeenten van Klein Azië. Ze hadden geen succes bij hun zendingswerk. Ze zwoegden zonder resultaat. Ze hadden de hoop bijna opgegeven. Maar dan op een moment dat ze het helemaal niet meer verwachtten komt de Opgestane Heer. Hij steunt hen in hun werk. Hij geeft ze een zeer ongewone opdracht. Hij daagt ze uit om risico te nemen. Hij daagt ze uit om iets te doen wat helemaal niet in hun hoofd opkwam. En zie: een groot resultaat. Het net is overvol.

In het verhaal wordt het aantal vissen in het net heel precies genoemd. Het zijn er 153. Dat is geen interessant wetenswaardigheidje. Dat is een symbolisch getal. Want 153 dat is het getal van de volkeren van de aarde. In Jezus tijd geloofden de joden dat er 153 volkeren op de aarde waren. Het net met 153 vissen is dus het symbool voor succesvolle zendingsarbeid. Het is het symbool van de voltooide redding van de aarde. Alle volken van de wereld die  in nood verkeerden of het evangelie nog niet gehoord hadden zijn gered uit hun nood en hebben  de vreugdevolle boodschap van het evangelie gehoord.

Wat heeft het verhaal ons te zeggen?  De leerlingen van Jezus visten de hele nacht maar ze vingen niets. Ze zwoegden hard maar hun werk had geen resultaat. Het is wellicht een beeld van de ervaring die mensen hebben die werken in de kerk. Velen van u zetten zich altijd weer opnieuw  in voor de kerk. En velen van u zullen zich  ook wel eens vermoeid afvragen of al dat gezwoeg wel zin heeft. Is het geen aflopende zaak die kerk? Dat kunnen en willen we niet geloven en daarom zetten we ons weer opnieuw in …maar toch, de vermoeidheid overvalt ons wel eens. En dan is het heel bevrijdend om te lezen dat deze  ervaring ook haar plaats heeft in het evangelie. Zwoegen zonder resultaat dat is een ervaring die de kerk vanaf het allereerste begin heeft gekend.

Heeft het verhaal ook een antwoord op deze ervaring? Dat antwoord zit wellicht hierin verscholen dat  Jezus wanneer het licht wordt opeens, onverwacht bij hen komt en hen aanspreekt. “ Hebben jullie wat vis voor me ?” vraagt Hij. Maar de leerlingen herkennen Hem niet. Dat is vreemd want hij is na zijn opstanding al eens eerder aan hen verschenen. Ze zouden Hem kunnen herkennen maar ze herkennen hem niet omdat ze hem niet verwachten. Ze zijn aan het zwoegen maar ze verwachten geen steun van Hem. Als hij dan opeens bij hen is om hen steun te geven herkennen ze Hem niet. Het is mogelijk dat in dit gegeven  voor ons een vraag verscholen ligt.  Wij zijn ook aan het zwoegen voor de kerk en voor de medemens in nood. Maar verwachten wij eigenlijk hulp van de opgestane Heer? Verwachten wij dat Hij ons kan steunen? Vertaald naar vandaag zou je kunnen vragen: verwachten wij  kracht van het gebed?

In de tweede plaats daagt het verhaal ons uit. Jezus daagt zijn leerlingen uit om iets heel ongebruikelijks te doen. Hij daagt ze uit om het net aan de andere kant van de boot uit te gooien. De leerlingen zouden er uit zichzelf nooit op gekomen zijn om dat te doen. Wellicht daagt het verhaal ook ons uit om  ons werk een heel anders te gaan doen. Wellicht daagt het verhaal ook ons uit om risico’s te nemen. Wellicht moeten ook wij het net aan de andere kant van het schip der kerk uitgooien.  Laten we bij ons werk kracht zoeken in het gebed en creatief zoeken naar nieuwe wegen die we als kerk in kunnen slaan. Amen.

 

 

 

 

4 april 2021 Pasen

Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Opstanding

’s Morgensvroeg op de eerste dag van de week, terwijl het nog donker is,  is  Maria van Magdala op weg naar het graf van Jezus. In het halfduister zoekt ze haar weg. Ze verwacht ieder moment het graf van Jezus met de grote steen voor de ingang, voor zich te zien opdoemen.

Dan duikt het graf opens voor haar op maar tot haar schrik ziet Maria dat de grote steen die de ingang afsloot weggerold is. Haastig loopt ze naar het huis waar Petrus en andere discipel waarvan wordt  gezegd dat Jezus hem liefhad. Ze stormt het huis binnen en roept ontzet: “Ze hebben de Heer weggenomen en we weten niet waar ze  Hem hebben neergelegd!“ ( Geen ogenblik komt Maria op de gedachte dat Hij uit de dood zou kunnen zijn opgestaan. Ze weet heel goed dat niemand nog ooit teruggekeerd is uit de dood om ons te groeten).
Petrus en de leerling waarvan Jezus hield springen op en rennen naar het graf. Het lijkt wel een wedstrijd wie er het eerste zal zijn. De discipel die Jezus liefhad arriveert het eerst. Hij kijkt naar binnen, ziet de linnen grafdoeken liggen waarin Jezus gewikkeld was maar hij gaat niet naar binnen. Hij blijft peinzend buiten staan.
Dan komt Petrus aangerend. Meteen gaat hij het graf binnen en ziet de doek die Jezus’ gelaat bedekte netjes opgerold terzijde liggen. Hij verbaast zich maar kom evenmin als Maria op de gedachte dat Jezus opgestaan zou kunnen zijn.
Dan gaat ook de discipel die Jezus liefhad het graf binnen. Hij ziet de lege plek waar Jezus lichaam gelegen had. En dan breekt er plotseling vreugde door op  zijn gezicht. Het besef dringt tot hem door dat Jezus is opgestaan uit de dood.

Maria staat huilend buiten het graf. Ze buigt zich voorover. Ze ziet de linnen doeken waarin het lichaam van Jezus gewikkeld was en de lege plek waar Zijn lichaam gelegen heeft.
Dan ziet ze plotseling twee engelen in stralend witte klederen. De één aan het hoofdeinde, de ander aan het voeteneinde van de plek waar Jezus gelegen heeft.
(Het  lijkt een beeld van het heilige der heiligen in de tempel waar de ark van het verbond staat met twee engelen op het deksel. Engelen die hun vleugelen zo gevouwen hebben dat ze samen de troon van God vormen)

“Waarom huil je “ vragen de engelen. “Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem naartoe gebracht hebben.” antwoord Maria. Dan hoort een geluid achter zich.
Ze draait zich om en een onbekend stelt haar dezelfde vraag: “Waarom huil je?  Wie zoek je? “
Maria herkent de man niet. Ze denkt dat Hij de tuinman is en zegt: “Als u Hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u Hem hebt neergelegd.”

Dan roept de man zacht maar indringend haar naam: “ Maria”.
En dan pas herkent Maria Hem want niemand kan haar naam zo noemen dat ze zich volledig gekend en bemind weet, niemand dan Jezus. “Rabboeni!“ roept ze . “Meester, mijn Meester!“ Toen Jezus stierf was ook Maria gestorven. Nu roept Hij haar weer tot leven.

Een prachtig verhaal! Het mooiste verhaal uit de wereldgeschiedenis!
Hoopvol, troostrijk, liefdevol. Het is een verhaal dat ons de ogen wil openen voor de werkelijkheid van God.

We kunnen op twee manieren kijken naar de werkelijkheid om ons heen. We kunnen die werkelijkheid zien als een gesloten geheel van wetmatigheden of we kunnen die werkelijkheid zien als de werkelijkheid waarin God werkt: Gods werke-lijkheid (streepje). Als de ruimte waarin God werkt. Als een ruimte met oneindige mogelijkheden.

De steen die voor het graf van Jezus gerold is en dit graf voor eeuwig af moest sluiten is het symbool van een gesloten werkelijkheid, een gesloten wereldbeeld. Dat gesloten wereldbeeld houdt in dat wat wij aanzien voor werkelijkheid een samenspel is van een groot aantal wetmatigheden. Wetmatigheden die in kaart worden gebracht door de wetenschappen.Zo beschrijft de natuurkunde b.v. de wet van de zwaartekracht en de wet van oorzaak en gevolg.  De biologie beschrijft de wet dat levende organismen na verloop van tijd uit elkaar vallen.. De economie beschrijft dat de prijs van een product stijgt wanneer het product schaars wordt. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar dat  heeft geen zin. Waar het om gaat is dat we zien dat binnen het gesloten wereldbeeld de werkelijkheid gezien wordt als een samenspel van wetmatigheden die bepalen wat wel of niet mogelijk is.

We worden ons bewustvan de geslotenheid van ons wereldbeeld wanneer we ons de vraag stellen: “ Geloven we dat het mogelijk is dat de wereld binnen 50 jaar erin slaagt om te voorzien in zijn energiebehoefte door schone energie uit zon, water en wind? “
of
“Geloven we dat het mogelijk is om de grootste armoede binnen 25 jaar uit de wereld te bannen?“
of
“Geloven we dat  het mogelijk is om het conflict tussen Israël en Palestina vreedzaam op te lossen “

Binnen de mogelijkheden van het gesloten wereldbeeld moeten we deze vragen negatief beantwoorden.
Wanneer we naar  het opstandingsverhaal kijken dan zien we dat Maria  voortdurend blijft denken binnen de mogelijkheden van het gesloten wereldbeeld.. Wanneer ze ziet dat de steen voor de ingang van het graf is weggerold kan ze geen andere verklaring bedenken dan dat het lichaam van Jezus geroofd moet zijn.

Wanneer de engelen haar vragen waarom ze huilt, blijft ze binnen haar oude denkkaders en snikt ze: “Ze hebben de Heer weggehaald en ik weet  niet waar ze Hem hebben neergelegd.“
En zelfs wanneer Jezus haar zelf aanspreekt : “Waarom huil je . Wie zoek je?“ blijft ze nog de gevangene van het gesloten wereldbeeld van wetmatigheden. Ze herkent Hem niet en denkt dat Hij de tuinman is.

Pas wanneer Jezus haar indringend bij haar  noemt vallen haar de schellen van de ogen en herkent ze Hem. Pas dan opent zich voor haar de deur van de gesloten werkelijheid en stapt ze de werkelijkheid van Gods oneindige  mogelijkheden binnen.
Vandaag roept God ook u en mij bij name. Hij roept op zo’n wijze dat ook wij ons ten diepste gekenden bemind weten. Het  horen van onze naam is de klik waardoor de gevangenisdeur van de gesloten werkelijkheid van onveranderlijke wetmatigheden openspringt en wij  Gods werkelijkheid van oneindige  mogelijkheden binnen kunnen stappen.
Het opstandingsverhaal leert ons dat het beeld dat wij van de werkelijkheid hebben als een  gesloten werkelijkheid die bepaald wordt door wetmatigheden, wellicht een veel te beperkt zicht op de werkelijkheid is.  De werkelijkheid is ruimte van Gods handelen “Gods werkelijkheid “.  In Gods werkelijkheid is veel meer mogelijk dan wij denken.

Het is mogelijk om de milieuproblematiek op te lossen !
Het  is mogelijk om het armoedevraagstuk op te lossen.
Het is mogelijk om wereldwijd de volkeren in vrede met elkaar te laten leven.

En Gods werkelijkheid omspant niet alleen dit leven maar ook het leven na dit leven. Binnen het  gesloten wereldbeeld zegt men: dood is dood, over en uit. Het is niet mogelijk dat we onze overleden dierbaren na de dood weer zullen ontmoeten. Het is niet mogelijk dat we kunnen opstaan uit de dood. Maar binnen de werkelijkheid van God zingen we:

De dode zal leven.

De dode zal horen: nu leven.

……………

Dode, dode, sta op,

Het licht van de morgen.

Een hand zal ons wenken,

Een stem zal ons roepen:

Ik open hemel en aarde en afgrond

En wij zullen horen

En wij zullen opstaan

En lachen en juichen en leven.

We gaan nu luisteren naar een lied dat wordt gezongen door de Noorse zangeres Sissel Kyrkjebø. In het lied dankt zij God voor het wonder van de opstanding. “ U zij de glorie “ zingt ze en wat ik zo mooi vindt, ze zingt ook: “ Een koor van miljoenen engelen zou nog niet genoeg zijn om mijn grote dank hiervoor uit te zingen.”

Amen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3 april 2021 Paaswake

voorganger: ds. Dick van der Vaart

Meditatie paaswake

Waarom is er water in het doopvont zo midden in de nacht?
Water en nacht zijn oer-menselijke symbolen.
In het scheppingsverhaal lazen we al over water en nacht. Vóór de schepping was er niets dan een oneindige watervlakte. Deze was gehuld in duisternis. Door de duisternis komt een lichtgevende vogel aangevlogen : de vuurvogel Gods. De Stem van God klinkt: “ Er zij licht !” En het wórdt licht. Het duister verdwijnt. Het licht van de zon van God schíttert op het water.
God laat de wateren samenvloeien. De aarde duikt op uit het water van de oervloed. Een práchtige, vruchtbare aarde. Allerlei groen schiet op, boomknoppen en bloemknoppen springen open. Met de kracht van de lente wordt een lusthof geschapen, een hof van Eden, een woonplaats voor de mens.

Iets verderop in de bijbel lezen we weer over water en nacht. Na zich  lange tijd verzet te hebben laat de Farao het volk Israël eindelijk gaan. Maar op de avond van de uittocht krijgt de Farao spijt van zijn besluit. Met zijn leger van paarden en ruiters jaagt hij het volk na om het opnieuw gevangen te nemen. Vlak voor de nacht valt zien de Israëlieten in de verte het leger van de Farao hun kant uitkomen. Ze schreeuwen het uit van ellende. Ze waren zo blij eindelijk vrij te zijn. Nu blijkt die vrijheid maar één dag te duren. Ze willen ontsnappen maar kunnen geen kant op. Achter hen komt het leger van de Farao, voor hen is het water van de Schelfzee. Zo valt de nacht over het volk: water en nacht.

Maar dan gebeurt er iets bijzonders. Bij de uittocht ging God het volk voor in een vurige wolk. Nu verplaatst die vurige wolk zich van zijn positie voor het volk naar een positie achter het volk. De wolk plaatst zich beschermend tussen het volk en de Farao.
De wolk was donker tegelijkertijd verlichte hij de nacht. Aan de kant van de Farao was de wolk donker: de Farao en zijn ruiters konden geen hand voor de ogen zien.
Maar aan de kant van het volk verspreidt de wolk licht. En wat ziet het volk gebeuren in het licht ? Mozes strekt zijn arm uit en houdt zijn stok boven het water. Er steekt een wind op. Deze wind laat het water wegvloeien naar de ene kant en naar de andere kant. God baant een weg voor Zijn volk dwars door het water heen. Een sweg naar de  vrijheid. Waar water en nacht waren is er nu licht en grond onder de voeten.

Ook in het N.T. is er een verhaal over water en nacht: het verhaal over de storm op het meer. De leerlingen van Jezus bevinden zich op een nacht i neen bootje op het meer. Er steekt een zware storm op. De golven slaan over het bootje heen, de wind dreigt de zeilen stuk te slaan. De leerlingen gillen het uit van angst.
Dan komt opeens over het water een lichtende gestalte aanlopen. Het is Jezus. “Vrees niet ! “roept Hij en kalmeert de storm. Dit verhaal  is een opstandingsverhaal. Water is het symbool van chaos en dood. Jezus loopt over het water. De Opgestane Heer loopt over het water. Onder Zijn voeten zijn de dragende handen van God. Waar water en nacht waren zijn er nu de dragende handen van God en het licht van de Opgestane Heer.

Het water in het doopvont is een herinnering aan de drie grote bevrijdende daden van God: de schepping, de doortocht door de Schelfzee en de opwekking van Jezus uit de dood.
Met Jezus worden ook wij opgewekt uit de dood.
Nooit meer zullen wij niet geschapen zijn.
Nooit meer zullen wij in de greep van de Farao zijn.
Nooit meer zullen wij in de macht van de dood zijn.
We zijn bevrijd door God. We leven in God. Amen.

 

 

1 april 2021 Witte Donderdag

Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Jezus voelde dat Zijn dood naderde en Hij had het er moeilijk mee. Hij hield van God , Hij hield van  mensen, Hij hield van het leven .
Hij  genoot van de maaltijden met Zijn leerlingen: brood en wijn en honing smaakten Hem.

Hij hield van de zon op Zijn gezicht en van de wind door Zijn haren. Hij vond het prachtig om met  kinderen te praten. Hij genas zieken, troostte rouwenden , verloste eenzamen uit hun isolement. Hij had een prachtig leven. Hij was jong. Hij was sterk. Hij beleefde Zijn leven als zinvol. Hij leefde in  verbondenheid met God. Dat was geen benauwende verbondenheid die anderen buitensloot maar een verbondenheid waarin Hij anderen kon laten delen.

Zoals  kunstenaars  een wereld van schoonheid  ontsluiten zo ontsloot Jezus de wereld van God voor de mensen en liet Hij hen delen in zijn omgang met God. En daarin vond hij de vreugde en zin van zijn leven.
Zijn leven  beleefde Jezus als zinvol maar Zijn dood, hoe zou hij zijn dood als zinvol kunnen beleven? Zijn dood zou toch alleen maar een einde maken aan Zijn levensvervulling om mensen te laten delen in zijn omgang met God? Het antwoord op deze vraag zal Jezusgevonden hebben in zijn eigen traditie. Wanneer de Joden  de naam van een overleden dierbare noemen dan zeggen ze er achteraan:  “Moge  zijn nagedachtenis ons tot zegen zijn “

Jezus heeft Zich tijdens Zijn leven helemaal geschonken  aan de mensen om Hem heen. Hij heeft ze laten delen in zijn omgang met  God en heeft ze laten zien dat de zin van het  leven gelegen is in de liefdevolle verbondenheid met God en medemens.  Maar  dit geschenk van Jezus leven hoeft  met zijn dood niet verloren te gaan.  Jezus leven kan van blijvende waarde zijn wanneer mensen zich het blijven herinneren en de herinnering doorgeven aan hun kinderen.

Daarom pakt Hij aan het begin van de maaltijd een brood, sprak het zegengebed uit , brak het en zei: “ Neem hiervan, dit is Mijn lichaam. Doet dit tot Mijn gedachtenis. Laat zo Mijn nagedachtenis jullie tot zegen zijn. “
Daarom pakt Hij ook een beker zegende die en zei : “Dit is Mijn bloed, dit is Mijn leven. Als je uit deze beker drinkt denk dan aan Mij en laat Mijn nagedachtenis je tot zegen zijn!“

Het leven van Jezus was een geschenk van God, een zegen voor de mensheid. En Zijn leven kan een blijvende zegen zijn wanneer wij ons Jezus  herinneren. En wij herinneren Hem door brood en wijn te delen en zijn naam daarbij uit te spreken. Maar net zo belangrijk en misschien wel  belangrijker is, dat wij ons Jezus  herinneren in de wijze waarop wij met elkaar omgaan. Wij kunnen ons Hem herinneren in onze woorden en daden in het dagelijks leven.  Jezus werd  gedood. Maar in onze woorden en daden kan Hij weer tot leven komen: opstaan uit de dood.

Zo kunnen wij ook Jezus laten leven in ons hart. We kunnen over Hem lezen, over Hem praten, over Hem zingen, we kunnen om Hem lachen en om Hem huilen, we kunnen de dingen doen die Hij gedaan zou hebben wanneer Hij nog zou hebben geleefd: liefdevol omgaan met elkaar,samen eten en drinken, spelen met de kinderen, zieken genezen, hongerigen voeden, naakten kleden, zonden vergeven, genieten van de zon op onze huid  en de wind door onze haren.

Wanneer wij Jezus in ons hart laten leven, wanneer wij Zijn handen en voeten , oren en ogen zijn dan zijn wij  “Lichaam van Christus“  en leven wij in Hem en door Hem en met Hem. Amen.

 

 

 

 

28 maart 2021

Marcus 11:1-11 Palmzondag, Oosterkerk Hoogeveen                          Th. van Beijeren, Roden

Momenteel ben ik het boek van Barack Obama aan het lezen over zijn weg naar het presidentschap van Amerika. Hij vertelt, dat hij president wilde worden om de idealen uit zijn jeugd te verwezenlijken: zorg voor armen, voor mensen van kleur, voor mensen die geen toegang hebben tot de zorg. Zó’n president wilde hij worden.

Ik las ook ooit een boek over Poetin. Die had heel andere idealen als president van Rusland, en die heeft hij ook weten te bereiken met een streng regiem: hij wilde de baas zijn en verrijkte zichzelf en zijn vrienden enorm.

Hoe wil je de baas zijn? Hoe wil je president, keizer, koning, premier, minister, kamerlid, bestuurder, leider zijn?
Eigenlijk is dat terug te voeren tot de vraag: hoe wil je mens zijn? Want we hebben allemaal uit te zoeken hoe we in het leven willen staan. Wat onze idealen zijn. Wat we willen bereiken. En – hoe we met medemensen willen omgaan… Wat drijft ons? Wat willen we?!

Wat wil Jezus toch met dit gebeuren op Palmzondag? Dé vraag die elke keer weer bij je bovenkomt als je nadenkt over die intocht op de ezel. Wie is dit toch? Wát wil Jezus duidelijk maken met die ezel en die toejuichingen die Hij zich laat welgevallen?

Mattheüs vertelt het er zelfs ook bij in dit verhaal, dat de mensen in Jeruzalem vragen:  Wie is die man? Zo heel bekend was hij dus niet bij iedereen…
Natuurlijk hadden ze in Jeruzalem op die vraag voor een deel wel een antwoord.
* Er waren ongetwijfeld mensen, die hem toejuichten omdat ze wel wat stuntwerk wilden zien. Want er deden de wildste verhalen over hem de ronde: massa’s kregen te eten, lammen liepen, blinden gingen zien, zelfs doden kwamen tot leven. Dan wil je daar wel eens wat van zien, nietwaar? Laat hij zijn trukendoos nog maar een keertje opentrekken!

* Bij anderen zat het wat dieper. Het verlangen naar betere tijden, naar het einde van die vervloekte Romeinse overheersing, naar een eigen koning, een nieuwe David. Ze keken uit naar een politieke omwenteling. En als dat nu eens met die man op de ezel, die Jezus, zou mogen beginnen…!

* Nog weer anderen zullen meewarig naar dit tafereel hebben gekeken. Kansloze missie…! Zó zul je het absoluut niet redden. Geen paard, maar een ezel… Geen wapens, maar zachtmoedigheid. Geen soldaten als escorte, maar een groepje volgelingen die met takken zwaaiden. Wat een vertoning!

* En dan waren er ook, die de intocht van die man op de ezel met achterdocht bekeken. Mensen die belang hadden bij rust in de tent. Die hun invloed en handel veilig gesteld wilden houden. Die er helemaal niet van hielden als er zo met vuur gespeeld werd. En dat dééd die Jezus! Want nog maar een paar jaar geleden hadden er 2000 kruisen gestaan voor opstandelingen. Je zou toch gek zijn als je zoiets opnieuw wilde proberen? Het was je reinste zelfmoord. Dacht Jezus nou echt, dat hij het kruis wèl kon ontlopen?

Nee, dat dacht Jezus niet. Hij had het al voorspeld. Met deze feestelijke intocht gaat hij welbewust een lijdensweg tegemoet. Heden Hosanna, morgen: Kruisigt hem!

Het is een merkwaardige zondag, vandaag, met – zoals het lijkt tenminste – een dubbele boodschap. Feest en lijden. Intocht en afgang. Het ligt heel dicht bij elkaar. Zoals we dat trouwens ook in ons eigen leven wel kennen. De feestelijkheid naast de zorgen.

  • We vieren een verjaardag – en op het feestje hebben we het over die-en-die – “weet je wel? Nou, die heeft ook niet zulke beste berichten uit het ziekenhuis”…
  • Wij vieren hier een feestelijke dienst – in veel delen van de wereld wordt gemoord in naam van het Opperwezen. En duizenden vluchtelingen staan te wachten achter gesloten poorten.

Nee, het is niet altijd “Hosanna” in het leven!
En tóch roepen ze het deze man toe.
Wie is deze man? Wat is dit voor koning?

Want dat is wel duidelijk, hij rijdt als een koning, als een messiaanse koning de stad binnen.

Maar het is zijn zachtmoedigheid die opvalt. Hij trekt geen zwaard, hij gaat niet tekeer met een mitrailleur, het is hier geen Irak of Syrië, nee: zijn koningschap is niet van deze wereld, zal hij straks tegen Pilatus zeggen. En hij zal straks een gekruisigde koning der Joden zijn, zoals het opschrift boven het kruis zal luiden. Met een doornenkroon.

En toch – het blijft heel mysterieus allemaal. Tot nu toe ontweek Jezus het rechtstreekse conflict in Jeruzalem, maar nu zoekt hij het welbewust op. Hij organiseert deze intocht zelf, het is geen spontane demonstratie, maar een geplande optocht. Juist nú, vlak voor het Paasfeest, waarop de bevrijding uit Egypte wordt gevierd, waarop ze de matses zullen eten en het bloed van het lam aan de deurposten zal worden gestreken. Op datzelfde moment zeg maar zal Jezus sterven. Als teken van een nieuwe bevrijding.

Maar – waarom lopen wij nog altijd achter deze “man op de ezel” aan? Wat verwachten we van hem? Waarom zingen we hem ook vandaag opnieuw weer toe, terwijl we aan het eind van deze dienst de Stille Week zullen inluiden: zijn lijdensweg?
Wat heeft deze koning per saldo aan onze wereld gebracht?
Veel goeds, dat is zeker waar.
Zijn boodschap is ter harte genomen. “Zalig de zachtmoedigen; heb je naaste lief als jezelf; wat jij wilt dat de mensen jou doen, doe dat ook voor hen; inderdaad: zulke dingen gaan rechtstreeks in tegen wat de wereld normaal vindt. En het heeft veel goeds gedaan in de wereld.
Hosanna, Zoon van David!

Maar er is ook die andere kant. In zijn naam is er ook veel kwaads gedaan. Er waren ruzies om zijn boodschap, kerken scheurden, families braken uit elkaar, er waren vervolgingen, oorlogen in zijn naam, ketters werden verbrand, vrouwen onderdrukt, kinderen misbruikt, het heilige boek van een andere religie verbrand… En zo werd Jezus van de ezel afgesleurd en op het paard van de macht gezet. En wordt hij, zoals een dichter het eens zei, opnieuw gekruisigd zolang er in zijn naam slachtoffers gemaakt worden.

Gister Hosanna, vandaag kruisigt hem

Het kruis blijft een teken van tegenspraak tot op vandaag. Tegenspraak van alles waar Jezus voor staat. Voor heel zijn boodschap, heel zijn leven. Het was een politieke moord, een troebele gang van zaken – zoals er zoveel zijn, lees de publicaties van Amnesty International. Een valse aanklacht en een schijnproces.

En tegelijk mogen we vanuit de bijbel zeggen: in deze gekruisigde mogen we God zelf zien die met zijn uitgestrekte armen de wereld omarmt. In zijn liefde tot het einde mogen we de liefde van God herkennen. Jezus kwam liever door het geweld om dan dat hij naar het geweld greep om muren te doorbreken en grenzen te slechten.

Zo begint vandaag de Stille Week met deze intocht op een ezel.

Tja, dat ezeltje… Dat wordt volop betrokken in die bedoeling van Jezus. Bijna als een voorbeeld voor al die mensen. Maar die zijn daar nog niet zo aan toe, blijkbaar.

“Wie is deze man?”, vroegen ze zich af.

Wat heeft hij ons te bieden?

Wat betekent zijn koningschap voor ons?
We weten het antwoord inmiddels: het is de Vorst van de Vrede. Jezus weigert welbewust aan de verwachtingen van mensen te voldoen. Hij is geen koning op ónze manier, maar op zijn eígen manier. Hij laat zich niet meeslepen door ónze idealen, maar wil ons meenemen in zijn idealen. Niet Jezus in óns straatje, maar wij op zijn weg. Hij is koning – en Hij wil onderdanen.

Is dat het, waarom er zo opmerkelijk uitvoerig over dat ezeltje geschreven wordt? Een groot deel van dit verhaal is gewijd aan de manier waarop die ezel erbij wordt betrokken.

En dat zet je aan het denken.

“De Heer heeft het nodig”, is het argument.

En nu wil ik onszelf niet met een ezel vergelijken, maar Mattheus lijkt dit allemaal niet ‘zomaar’ te vertellen.

Het mag je aan het denken zetten.

Ik eindig met een gedicht van Mieke de Jong, met als titel: “Mij, een ezel”.

Ik sta met moeder aan de muur
gebonden bij de oude schuur
en hier is dan mijn gouden uur:
de Heer heeft me nodig!

Mijn ogen worden groot en diep,
ik loop te dromen of ik sliep,
ik weet alleen dat iemand riep:
de Heer heeft je nodig!

Een vreemde hand, die mij betast,
een zware en toch lichte last;
mijn wankele stap wordt sterk en vast:
de Heer heeft me nodig!

De massa juicht en dringt me voort,
een lange weg, een grote poort —
ik heb alleen dat woord gehoord:
de Heer heeft je nodig!

Ik ben nog dom en jong en pril,
ik ga de wegen die Hij wil,
ik sta op ’t eind gewillig stil
de Heer had me nodig!

En loopt mijn leven krom of recht
en word ik later wijs of slecht —
ééns werd het tegen mij gezegd:
Ik heb jou nodig!

14 maart 2021

Lezing Exodus 16, 1-5 en 13-25

Johannes 6, 1-15

Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het verhaal over de wonderbaarlijke spijsvermenigvuldiging wordt voorafgegaan door de mededeling dat het zich afspeelde kort voor het Joodse Pesach feest en aan het eind van het verhaal horen we dat men Jezus wilde dwingen om mee te gaan omdat ze Hem tot koning wilden uitroepen. Maar Jezus wilde dat niet. Daarom trok hij zich terug op de berg, alleen.

Op het Joodse Pesach feest werd de bevrijding uit de slavernij uit Egypte gevierd. Het volk werd door God gered uit de macht van de Farao. In Jezus’ tijd leefde men onder de bezetting van de Romeinen. Het is daarom begrijpelijk dat rond het Joodse Pesach de hoop op bevrijding uit de macht van de keizer van Rome extra ging leven onder het joodse volk. De keizer wist dit en zorgde rond het paasfeest altijd voor extra Romeinse soldaten in Jeruzalem.

En hoewel het Jezus’ bedoeling niet was leefde bij vele joden de hoop dat Jezus degene zou zijn die hen door middel van een gewapende opstand van de Romeinen zou bevrijden.

Maar Jezus heeft meerdere malen duidelijk gemaakt dat dit niet Zijn bedoeling was. “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld “zei Hij. Maar deze uitspraak moet niet worden misverstaan. Jezus bedoelt niet te zeggen dat Zijn Koninkrijk er alleen is voor in de hemel. Jezus’ boodschap is wel degelijk gericht op het leven op aarde. Maar Jezus wil geen wereldlijke macht, geen politieke macht. Hij wil geen macht maar Hij wil inspireren.

Vertaald naar onze situatie : Jezus wil geen politieke partij oprichten. Hij wil niet in de gemeenteraad plaatsnemen maar Hij wil de politici wel inspireren.

Hij wil ze inspireren om niet alleen op te komen voor het belang van hun achterban. Hij wil ze inspireren om oog te hebben voor het algemeen belang.

Wij mensen zijn geboren met een neiging tot egocentrisme. En dat is een groot goed. Egocentrisme helpt ons om te overleven. Wanneer er een auto op ons afkomt zorgt ons ego ervoor dat we opzij springen. Wanneer we voor een afgrond staan zorgt ons ego ervoor dat we terugwijken. Wanneer we honger hebben zorgt ons ego ervoor dat we op zoek gaan naar eten. Ons ego helpt ons te overleven. Ons egocentrisme is een groot goed.

Maar menselijk leven wil meer zijn dan overleven. Dat meer is oog krijgen voor de wereld buiten jezelf, oog krijgen voor de belangen van andere mensen.

Ons ego is een graankorrel. Een graankorrel is vol leven dat er op wacht om uit te breken. Ons egocentrisme is leven dat zich nog binnen de harde schil rond de graankorrel bevindt. Wanneer die schil openbreekt krijgt de kern de kans om te ontkiemen op te groeien en uiteindelijk vrucht te dragen. Naast eigen belang komt er ruimte voor het belang van de ander. Politiek gezien: naast het deelbelang komt er ruimte voor het algemeen belang.

Belangrijk: Met deelbelangen is niets mis. Een politieke partij mag opkomen voor een deelbelang maar moet daarnaast oog hebben voor het algemeen belang.

Terug naar het verhaal:

Een grote menigte mensen is Jezus gevolgd de heuvels in. Ze hebben veel over Hem gehoord. Nu willen ze Hem zelf zien en horen spreken. En Jezus was zo welsprekend en inspirerend dat ze urenlang ademloos naar Hem luisteren en hun maag helemaal niet voelen.

Maar dan breekt er een moment aan dat iedereen zij en haar honger begint te voelen. Er moet eten komen. Maar daarvoor is geen geld.

Dan schuift Andreas, de broer van Simon Petrus een jongen naar voren. “Kijk “zegt hij “deze jongen heeft vijf broden en twee vissen. Maar dat is veel te weinig. “

Dan zegt Jezus: “Laat iedereen gaan zitten”. En dan neemt hij de broden, spreekt  zegent ze , breekt ze en begint ze rond te delen. En dan blijkt er een overvloed aan brood en vis te zijn.

Je kunt het verhaal zo lezen dat Jezus werkelijk een wonder verricht heeft. Ik heb respect voor eenieder die dat doet en erken dat dit een te rechtvaardigen mogelijkheid is. Je kunt het verhaal ook op meer symbolische wijze lezen.

Het is opmerkelijk dat het een jongen is, een kind, die vijf broden en twee vissen heeft. Jezus heeft gezegd dat wie niet wordt als een kind het Koninkrijk van God niet binnen kan gaan. Het Koninkrijk van God heeft onbevangen mensen nodig, onbevangen als kinderen. De jongen ziet dat er brood nodig is en onbevangen loopt hij naar voren en biedt zijn brood aan. Hij maakt zich er niet druk over of het genoeg is of niet.

Er zijn vijf broden en twee vissen. Dat is een verwijzing naar het manna verhaal dat we lazen. Het volk had honger. God voedt Zijn volk met brood uit de hemel. Brood is een geschenk van God. Dat hebben we niet, dat maken we niet, daar bidden we om: “Geef ons heden ons dagelijks brood. “

Vijf dagen mag het volk ’s morgens het manna oprapen genoeg voor een dag. Maar op de zesde dag moet het volk manna rapen voor twee dagen. Vijf en twee.

 

Op het moment dat Jezus het brood begint rond te delen blijkt opeens dat vele mensen wel wat brood of ander voedsel bij zich hebben. Jezus’ voorbeeld werkt aanstekelijk. Iedereen begint onbekommerd, onbevangen als een kind, het weinige eten dat hij bij zich heeft uit te delen en dan blijkt er een overvloed te zijn.

Het verhaal wordt altijd aangeduid als het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging maar wonderbare brooddeling zou een betere aanduiding zijn. Het is een wonder dat de menigte zo ruimhartig en onbezorgd begint te delen.

Ons egocentrisme is een groot goed. Het zorgt ervoor dat we als we honger hebben gaan eten. Zo overleven we. Jezus laat zien dat waarlijk menselijk leven meer is dan alleen overleven. Het gaat om samenleven.

Jezus laat zien hoe de graankorrel van het ego kan openbreken en er ruimte komt voor de ander. Niet alleen het eigen overleven staat centraal maar ook dat van een ander en daarmee wordt het leven een feest dat gevierd kan worden.

Amen

 

7 maart 2021

Lezing: Exodus 20,1-17     Johannes 2, 13-22
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het verhaal van de tempelreiniging plaatst de evangelist Johannes direct na het verhaal over de bruiloft te Kana. Door de verschillende verhalen in het evangelie ontdekken we wat voor mens Jezus was. We ontdekken zo de verschillende aspecten van Zijn persoonlijkheid.

In het verhaal over de bruiloft te Kana leren we Jezus kennen als iemand die de mensen liefdevol nabij kan zijn. In het verhaal van vanmorgen ontdekken we dat Jezus ook hevig verontwaardigd kan zijn. Schrik niet! Het is een liefdevolle verontwaardiging. Jezus keert de tafels van de geldwisselaars om maar Hij gooit de manden met duiven niet omver. Hij heeft eerbied en liefde voor de dieren.

Vanmorgen wil ik u laten zien dat de tempelreiniging gezien kan worden als een profetische daad van Jezus. Wat is een profeet? Dat is niet iemand die in een glazen bol kijkt en de toekomst voorspelt maar iemand die door God werd aangesteld om de koning kritisch te volgen. In Israël geloofde men dat de koning regeerde bij de gratie van God. Hij mocht regeren in de Naam van God. Maar hij mocht dat alleen doen wanneer hij ook regeerde in de Geest van God. Het criterium daarvoor was de zorg voor de vreemdeling, de weduwe en de wees en de vraag of er recht werd gedaan. Wanneer de koning hierin tekortschoot dan was het de profeet die hem hierop aansprak. Een profeet is dus iemand die kritiek uitoefent op de machthebbers. Een profeet houdt zich bezig met maatschappijkritiek. Vanmorgen wil ik u laten zien dat Jezus zo’n profeet was.

Jezus reisde naar de tempel van Jeruzalem om daar het Joodse Pesachfeest te vieren. Het feest waarop de bevrijding uit Egypte wordt gevierd. Hij gaat het tempelplein op. Daar heerst grote drukte. Pelgrims uit het land en ook uit de diaspora komen naar de tempel om God een offer te brengen. Mensen met weinig geld kopen daarvoor een duif. Zij die het wat beter hebben kopen een lam of een schaap en de rijken kunnen zich een rund veroorloven.
Zo klinkt er op het tempelplein het geloei van koeien, het geblaat van schapen, het koeren van de duiven, het loven en bieden van handelaren en pelgrims, het gelach en gepraat van oude bekenden die elkaar na lange tijd weer ontmoeten.
Ook staan er tafels van geldwisselaars. Het onderhoud van de tempel en het levensonderhoud van de tempelpriesters kostte geld. Dit werd opgebracht door donaties van de pelgrims uit Israël en uit de diaspora. Deze donaties mochten echter niet worden gedaan met het muntgeld dat de Romeinen hadden laten drukken. Op deze munten stond namelijk aan de ene kant de afbeelding van de Romeinse keizer met daaronder de titel “Zoon van God“ of “Heiland“ of “Verlosser.“ Op de andere kant stond de afbeelding van de god van de Romeinse landmacht “Mars“ of de god van de Romeinse marine “Neptunus.“ En er waren ook munten waarop de Romeinse godin van de overwinning stond afgebeeld “Victoria.”Deze heidense munten gingen in tegen het gebod dat we net nog gehoord hebben: “Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.” Daarom mochten ze in de tempel niet worden gebruikt.

Nu is het verhaal in het verleden vaak zo uitgelegd dat Jezus boss geworden zou zijn omdat het tempelplein in een marktplein veranderd zou zijn en Hij het lawaai van de dieren en mensen en het kopen en verkopen als ontheiliging van de tempel beleefd had.
Deze uitleg leidde nog niet zo heel lang geleden tot discussie in de kerk of je op zondag zou mogen betalen voor een boek uit de boekenkraam van de ambtsgroep V&T of de ZWO-groep. Met een verwijzing naar het verhaal van vanmorgen werd dat soms afgewezen.
Maar de drukte en het lawaai en het kopen en verkopen was niet waar Jezus moeite mee had. Voor de offerdienst waren er nu eenmaal dieren nodig. Deze dieren moesten worden gekocht.
En dat munten met de afbeelding van de keizer niet mochten worden gebruikt daar zal Jezus het ook van harte mee eens geweest zijn.

Wat was het dan dat leidde tot de grote verontwaardiging van Jezus? Dat was het inzicht dat de tempel van Jeruzalem, met daarbinnen het heilige de heiligen, waarin de ark stond met stenen tafelen van Mozes, in dienst was komen te staan van de keizer van Rome.
De tempeldienst werd georganiseerd door priesters die behoorden tot de aristocratie, de elite van het volk Israël. En voor een elite geldt wat voor een koning geldt: zij zijn verantwoordelijk voor de zorg voor de vreemdeling en de weduwe en de wees. Maar de tempelpriesters schoten hierin te kort. Zij collaboreerden met de Romeinse stadhouder Pontius Pilatus en door hem met de keizer van Rome. En het beleid van de keizer van Rome was gericht op het plunderen van de landen die door hem waren gekoloniseerd. Deze plundering werd afgedwongen door militaire macht, de macht van het zwaard.

Tijdens zijn rondreis door het land zag Jezus welke gevolgen dit had voor het gewone volk: armoede, ziekte, uitzichtloosheid en dood. Dat raakte Hem diep. En daarom raakt hij hevig verontwaardigd wanneer het tot Hem doordringt dat er de plek waarvan af profetische kritiek zou moeten klinken op het beleid van de keizer, er gezwegen wordt over recht en gerechtigheid en de offerdienst gewoon doorgaat.

Jezus raakt niet geïrriteerd maar heilig verontwaardigd. Het is een verontwaardiging die u en ik ook voelen wanneer we voor het journaal zien hoe ordetroepen in Myanmar, Wit- Rusland en Moskou op weerloze demonstranten inslaan. Het is een profetische verontwaardiging.

Het omverwerpen van de tafels is een profetische, maatschappijkritische daad van Jezus die doet denken aan Jeremia 7. Daar lezen we dat de Eeuwige tegen de profeet Jeremia zegt:“Ga in de tempelpoort staan en verkondig deze boodschap. Dit zegt de Heer van de hemelse machten, De God van Israël: Beter je leven, dan mogen jullie in dit land blijven wonen. Vertrouw niet op de bedrieglijke leus: Dit is de tempel van de Heer! Dit is de tempel van de Heer! Denken jullie soms dat het huis van de Heer een rovershol is?  Als jullie je leven werkelijk beteren, als jullie elkaar rechtvaardig behandelen, vreemdelingen en wezen en weduwen niet onderdrukken, geen onschuldig bloed vergieten en niet achter andere goden aanlopen jullie onheil tegemoet, dan mogen jullie hier blijven wonen.”
Door het omverwerpen van de tafels zegt de profeet Jezus tegen de priester-aristocratie, de elite van het land: Jullie hebben van de tempel jullie rovershol gemaakt. En dan zegt Hij niet uit boosheid: “Jullie moeten wegwezen! “Nee Hij roept ze op tot omkeer: “Als jullie je leven werkelijk beteren, als jullie elkaar rechtvaardig behandelen, vreemdelingen, weduwen en wezen niet onderdrukken maar voor hen zorgen en het recht herstellen, dan kun je hier blijven wonen. Dan verandert jullie rovershol weer in het huis van de Heer!”

De Romeinse overheid heeft heel goed begrepen dat de reiniging van de tempel door Jezus een profetische, maatschappijkritische daad was die gericht was tegen de uitbuiting van de keizer van Rome, want uit de andere evangeliën weten we dat de tempelreiniging de directe aanleiding tot Jezus’ arrestatie werd.
Jezus boog niet voor de macht van de keizer van Rome en moest dit met de dood bekopen. Pilatus was doodsbang voor Jezus. Zelfs na Zijn dood liet hij nog een stel Romeinse soldaten zijn graf bewaken. Maar deze zwaarbewapende mannen vielen in slaap en Jezus werd door God opgewekt uit de dood. Niet de keizer van Rome die het volk uitbuitte maar de God van Israël, de Redder van de armen heeft het laatste Woord.

Amen.

 

 

Ga naar de bovenkant