Preek van de week

14 februari 2021

Lezing: Deuteronomium 6, 1-9
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,
Zoals ik aan het begin van de dienst al zei wil ik vanmorgen met u nadenken over de eerste drie woorden van de Apostolische geloofsbelijdenis: “Ik geloof in God.“
En nu lijkt het op eerste gezicht niet nodig om in te gaan op het kleine woordje “ik” waarmee de geloofsbelijdenis opent maar bij nader toezien is dit wel nodig. Want wat verstaan we onder “ik”?

In onze cultuur is dit een heel beperkt begrip geworden. Met “ik” bedoelen we onszelf zoals we tegenóver de wereld staan. Ons ik staat tegenover de wereld en los van de wereld. “Ik ben hier, de wereld is daar buiten mij.“ Er is een kloof tussen mij en de planeet aarde, tussen mij en het dierenrijk, tussen mij en het plantenrijk, tussen mij en de mensheid, tussen mij en God.
Dit “ik” noemen we “het individu“ d.w.z. het niet deelbare. Wij zijn losstaande individuen, de mensheid is een optelsom van losstaande individuen.
Dit “ik” wordt ook wel “ego” genoemd. Ons ego moet overleven in een omgeving die levensbedreigend kan zijn. Het ego treedt in werking wanneer we als baby honger krijgen of dorst .We gaan dan huilen om de aandacht van onze moeder te trekken om ons te voeden. Zo overleven we. Zo treedt ons ego in werking om ons te beschermen tegen kou ( we gaan dan op zoek naar warmte, tegen hitte, we gaan op zoek naar koelte, tegen vuur of een afgrond, wedeinzen  terug. ) Ons ego is dus gebaseerd op angst.
Het woordje “ik“duidt in onze cultuur dus aan een ik dat losstaat van de wereld om hem heen, los van de mensen om hem heen, los van de dieren, los van alles wat groeit en bloeit.
Het “ik” duidt in onze cultuur ook in de eerste plaats op een denkend ik. Het ik is een rationeel wezen. Het hart met zijn emoties en gevoelens komt pas op de tweede plaats.
Het “ik“ staat in onze cultuur ook los van God. Dan kan niet anders. Want wanneer je het “ik” losmaakt van de schepping, dan maak je het ik ook los van de Schepper.
Samenvattend: Het “ik” is in onze cultuur een rationele, ondeelbare eenheid, die los staat van de natuur, de mensheid en God. We kijken door onze ogen zoals een astronaut door zijn helm kijkt naar het heelal of een diepzeeduiker door zijn helm kijkt naar de oceaan. Het lichaam afgeschermd door ruimtepak of duikerspak waardoor de huid niets meer voelt , het lichaam uitgeschakeld wordt en de denker in alle eenzaamheid overblijft.

En nu kan ik u tot mijn vreugde zeggen dat dit niet het “ik” is waarmee de Apostolische geloofsbelijdenis opent. Het “ik” dat ik u geschetst heb zou je het “kleine ik “ of het “kleine zelf“ kunnen noemen. Het “ik” waarmee de geloofsbelijdenis opent zou je het “grote zelf “ of het “diepe zelf” kunnen noemen.
Dit diepe zelf staat niet tegenover de wereld en de natuur en de mensheid en God maar maakt er deel van uit. Je kunt onderscheid maken tussen “zijn “en “zijnden”. Alles is er. Wat alles gemeenschappelijk heeft is zijn. De concrete dingen kun je zijnden noemen. Alle zijnden  maken deel uit van het zijn. Alles rust in het zijn.
Zo maakt het diepe zelf deel uit van het zijn. Het diepe zelf rust in het zijn. En het zijn dat is Gód. Het universum is een zijnde, het is deel van het zijn, het is deel van God. De planeet aarde is een zijnde, het is deel van het zijn, het is deel van God. Dat zien astronauten wanneer ze vanuit hun ruimteschip naar die prachtige kwetsbare, blauwe planeet aarde kijken. Ze zien de schoonheid en de kwetsbaarheid. Ze zien de schoonheid en de kwetsbaarheid van God. Het verandert ze voor de rest van hun leven.

Wat geldt voor de planeet aarde in zijn geheel geldt voor de regenwouden, de zeeën en de oceanen: het zijn zijnden, deel van het zijn, deel van God. Het geldt voor de dieren, de bomen en de bloemen: zijnden, deel van God. Wanneer je ogen opengaan en je de schoonheid en de kwetsbaarheid ervan ziet, zie je de schoonheid en de kwetsbaarheid van God. Het is de roeping van de kerk in deze tijd om de mensheid de ogen te openen voor de Aanwezigheid van God in de schepping.

Onze medemensen zijn ook zijnden. Ook zij zijn deel van het zijn. Deel van God. Omdat ook wijzelf deel van het zijn zijn en daarmee deel van God, staan we dus niet als losse individuen in de wereld maar zijn we deel van het grote geheel: God. Paulus zegt: deel van het Lichaam van Christus. We kunnen zeggen dat het universum het lichaam van God is en alle mensen leden daarvan. Geen losse individuen maar broeders en zusters verbonden door een intiemere band dan de bloedband, verbonden door de band van het zijn, verbonden door God.

Tot zover het woordje “ik”.  Nu zou ik nog even met u willen kijken naar de woorden “in God”, van ”Ik geloof in God. “

Vanuit het “kleine i “ dat in de eerste plaats een rationeel ik is, betekent “ik geloof“ dat ik een aantal geloofswaarheden voor waar aanneem. Ik zeg dan met mijn verstand: Ik geloof dat er een God is. Ik geloof dat Hij hemel en aarde geschapen heeft. Ik geloof dat Hij zich in de Heilige Schrift openbaart enzovoort.

Maar het “ik geloof“ in de geloofsbelijdenis duidt niet in de eerste plaats op het met je verstand voor waar aannemen van een aantal geloofswaarheden. De Apostolische geloofsbelijdenis wordt ook wel aangeduid als “het Credo.“  En “Credo“ ik  geloof in het Latijn. In het woord “Credo“ zijn twee woorden te onderscheiden: Het “cre “ verwijst naar het Latijnse woord voor hart: Cor en het “do“ verwijst naar het Latijnse woord “geven, toevertrouwen.“ Credo betekent: “ik geef mijn hart aan“, “ik vertrouw mij toe aan“. Ik geloof in God betekent dus : “Ik vertrouw mij toe aan God.“

Nu kunt u zien hoe prachtig die woorden zijn waarmee de geloofsbelijdenis opent: Ik geloof in God. Het kleine, angstige ik, dat alleen maar bezig is om te overleven, dat zich eenzaam voelt en denkt los te staan van de natuur en de mensheid, laat zijn angst los en vertrouwt zich toe aan God. God die niet ver weg is ergens boven in de hemel maar om ons heen, in de medemens, in de natuur.

Hoe krijgen we nu een relatie met god ?
God is het zijn. Wij zijn zijnden en als zijnden deel van het zijn en dus deel van God. De vraag kan dus niet zijn: hoe krijgen we een relatie met God? Die relatie is er al omdat we deel van God zijn.

De vraag kan wel zijn: Hoe krijgen we een persoonlijke relatie met God? Hoe komen we met Hem of Haar in een persoonlijke relatie te staan? In een Ik – Gij relatie?

Dat gebeurt doordat God in ons een verlangen wekt. Je zou je kunnen voorstellen dat de kom van mijn linkerhand ons hart voorstelt en dat mijn gebalde rechtervuist de scheppingskracht van God is. Met Zijn scheppingskracht oefent God druk uit op ons hart. Zo ontstaat daar de vorm van Zijn scheppingskracht. Die vorm is een ruimte, een leegte. Toen de scheppingskracht van God in ons hart aanwezig was, was ons hart helemaal van Hem vervuld. Toen God Zich weer terugtrok liet hij een ruimte achter, een leegte. Deze leegte is een verlangen naar Hem.

Gerard Reve brengt dat verlangen op poëtische wijze onder woorden. Hij dicht:

“Voordat ik de nacht in ga, die voor eeuwig lichtloos gloeit,
wil ik nog eenmaal spreken en dit zeggen:
dat ik nooit anders heb gezocht
dan U, dan U,  dan U alleen.“

En ook:

“Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat gij waarachtig leeft,
dan denk ik , dat Gij Liefde zijt en eenzaam, en dat,
in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt, zoals ik U “

Ons verlangen naar God motiveert ons om te zoeken naar God, om Hem aan te spreken en om dan te ontdekken dat Hij niet ver is maar wij omringd zijn door Hem en kunnen luisteren naar zijn Stem.
Amen.

 

 

7 februari 2021

Jeugddienst

Lezing: Lucas 8
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Jongens, meiden, broeders, zusters,

Stephan las met ons de gelijkenis van de zaaier uit Lucas 8. Hij begon te lezen met vers 4 omdat daar de gelijkenis van de zaaier begint maar het is toch leuk om even naar de verzen 1 t/m 3 te kijken.
We lezen daar dat Jezus een begin maakte met Zijn rondreis door het land om de mensen zijn boodschap van hoop te brengen. En er wordt verteld dat zijn twaalf leerlingen bij Hem waren. Daar horen we niet van op. Dat Jezus vergezeld werd van zijn twaalf leerlingen wisten we wel. Maar in Lucas 8: 2, 3 lezen we dat er ook drie vrouwen met Hem meereisden : Maria van Magdala, Johanna en Susanna. Maar daar blijft het niet bij . Er staat ook dat er nog vele andere vrouwen met hem reisden en dat uit hun eigen middelen voor Jezus zorgden.
Die twaalf mannelijke leerlingen staan ons helder voor ogen. Veel minder helder staan zijn vrouwelijke leerlingen ons voor ogen. Daarom haal ik ze maar even naar voren: Maria, Johanna en Susanna en nog veel vrouwen die “uit eigen middelen voor Jezus zorgden”. Blijkbaar rijke vrouwen. Het maakt nieuwsgierig waarom juist rijke vrouwen zich tot Jezus aangetrokken voelden. Ervoeren zij een leegte in hun leven?

De gelijkenis van de zaaier vertelt over iemand die naar zijn land ging om te zaaien. Ik heb het wel eens vaker gezegd: het akkerland in Israël was niet te vergelijken met het akkerland dat wij kennen. Hectares land van mooie zwarte aarde waarin geen stenen liggen, dat  wel een dikte van een meter of meer heeft en in zijn geheel omgeploegd kan worden en helemaal ingezaaid of beplant kan worden.
In Israël had je niet van die mooie stukken aaneengesloten akkerland. Hele stukken land waren niet te gebruiken omdat het rotsland was. Er waren stukken die op het oog goed te gebruiken waren omdat je grond zag liggen maar wanneer je er een stok in stak merkte je dat je al na een paar centimeter op rotsachtige bodem stuitte. Maar er waren gelukkig ook stukken land waarop voldoende vruchtbare grond lag  dat dik genoeg was om er te kunnen zaaien en oogsten.

De zaaier kent de verschillen, hij weet dat er geen beginnen aan is om op het ene stukje wel en het andere stukje niet te zaaien. Hij zaait breed uit en zal wel zien welk zaad opkomt en welk niet.
En dan blijkt het zaad te vallen op vier verschillende landingsplaatsen: 1. Er valt zaad op de weg 2. Er valt zaad op rotsachtige bodem 3. Er valt zaad tussen distels 4. En er valt zaad op vruchtbare grond.
Dat Jezus in het verhaal kiest voor vier verschillende soorten grond is geen toeval. In het Joodse onderwijs worden altijd vier verschillende soorten mensen onderscheiden. Bij voorbeeld in de liturgie van de Sederviering waarin de bevrijding uit de slavernij met kinderen gevierd wordt. Daar is spreken van vier soorten kinderen:

  1. Het verstandige kind dat vraagt: Wat wil van God van ons?
  2. Het onverstandige kind vraagt: Wat stelt die onzin allemaal voor?
  3. Het eenvoudige kind vraagt: Hoe kan ik het begrijpen?
  4. Het kind dat niets durft te vragen.

Deze vier zijn eigenlijk geen vier verschillende kinderen maar we zijn ze alle vier tegelijkertijd.
Op Joodse wijze onderscheidt Jezus dus vier verschillende soorten grond. En op Joodse wijze kunnen we zeggen dat we niet of de ene of de andere soort zijn maar op het moment deze en op het andere moment die soort grond.
Het zaad dat zijn de woorden van Jezus. Zijn woorden waren en zijn een boodschap van hoop. Jezus tegen de mensen die treurden: Wees blij want jullie zullen worden getroost. Tegen de mensen die honger hadden zei Hij: Wees blij want jullie zullen te eten krijgen. Tegen de vredestichters zei Hij: Wees blij want er zal vrede komen. Tegen de mensen die zich inzetten voor recht en gerechtigheid zei Hij: Wees blij! Gerechtigheid zal er komen!

Deze boodschap van Jezus hoorden we al in het lied dat klonk voor de dienst. Dat lied: “Ik geloof:”
Ik geloof in tegen bierkaaien vechten. Ik geloof in de helpende hand. Ik geloof in het weerloze, breekbare kleine. Ik geloof niet in zekerheid maar in vermoeden. Met het risico voor gek versleten te worden geloof ik dat het allemaal goed komt. Ik geloof omdat het wel moet!
Dit lied zou Jezus bijzonder aangesproken hebben en hij het uit volle borst meegezongen hebben!

Het zaad dat de zaaier met brede gebaren uitstoot zijn dus woorden van hoop. Hoop dat alles uiteindelijk goed zal komen voor iedereen. Deze woorden van hoop vallen als zaadjes op de bodem van onze ziel.
Een deel valt op de weg die daar loopt en wordt weggepikt door vogels. Voordat de woorden tot ons door kunnen dringen en ons hoop kunnen geven zijn ze alweer weg.
Een andere deel valt op rotsachtige bodem met daarop een laagje vruchtbare grond. De zaadjes ontkiemen en schieten wortel. Maar al snel stuiten de wortels op de rotsbodem. Ze kunnen ze geen water vinden en drogen uit. Wanneer we de woorden van hoop horen worden we er  echt blij van maar de woorden dringen niet zo diep tot ons door dat die blijdschap blijvend is en ons in beweging zet. Al snel zijn we ze weer vergeten.
Een derde deel van het zaad valt tussen de distels, krijgt geen ruimte om te groeien en verstikt. We hebben de woorden van hoop wel gehoord en we worden er blij van maar alles wat we moeten doen en willen doen neemt ons zo in beslag dat de woorden van hoop in de drukte verdwijnen.
Gelukkig valt er ook een deel van het zaad in vruchtbare grond.
De woorden van hoop vallen op de juiste plaats op de grond van onze ziel waar ze kunnen ontkiemen en ons motiveren om ons in te zetten voor God, onze medemens, de dieren en het behoud van onze mooie kwetsbare planeet aarde.

Het lied One day waar we naar luisterden wordt gezongen door mensen bij wie het zaad in vruchtbare aarde gevallen is:
Soms lig ik in het licht van de maan, zie ik de schoonheid en dank ik God dat ik adem. Dank U dat ik hier ben voor een bepaalde reden om me in te zetten voor U en voor mijn medeschepselen: de mensen en de dieren en uw mooie aarde.
Soms verdrink ik in mijn tranen maar ik laat me niet ontmoedigen. Ook al heerst er veel negativiteit , op een dag keert alles ten goede. Ik wacht al mijn leven lang op iemand die zegt: er zal geen oorlog meer zijn, geen vechten, kinderen zullen spelen, iedereen zal gelijk behandeld worden. Stop met  de haat en het geweld ! Iedereen mag blij zijn met zichzelf en met zijn allen leven we onder dezelfde zon !

Ook in dit lied klinkt de blijde boodschap van Jezus door. Wanneer mensen van goede wil de handen ineen slaan dan zal het wereldwijde rijk van vrede, vriendschap , welvaart en veiligheid voor iedereen er komen! Geloof je dat?  Yes, we can!

We gaan nu luisteren naar het lied: “Create in me”. “Schep in mij”. “Schep in mij een rein hart. Laat me op U lijken. Leer me Uw lied., Dan zullen we opnieuw geboren worden om gezegend te worden in Uw liefde.”

Opnieuw geboren worden wil zeggen dat we geloven dat het wereldwijde vrederijk dat Jezus aankondigde er zal komen. Opnieuw geboren worden wil zeggen dat wij gaan leven vanuit de hoop daarop. Opnieuw geboren worden wil zeggen dat wij gaan zien op welke wijze wij op onze eigen plaats, in onze eigen kring, ons steentje kunnen bijdragen aan een betere wereld. Kunnen we dat?  “Yes we can!” Amen,

 

 

 

17 januari 2021

Lezing: Johannes 2, 1-12
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

 

Gemeente van Christus,

Vandaag is het de 2e zondag NA Epifanie of de derde zondag VAN Epifanie. Epifanie betekent: verschijning. Op de zondagen van Epifanie vieren we de verschijning van de Heer. Met kerst vieren we Zijn geboorte. En op de zondagen van Epifanie Zijn verschijning als volwassen man op het wereldtoneel. Plaats je de verschijning op één zondag dan is dat zondag Epifanie en noem je de zondagen daarna de zondagen Na Epifanie. Zie je de verschijning als een doorgaand gebeuren dan spreek je over de zondagen VAN Epifanie.

Vorige week hebben we het prachtige begin van het evangelie van Johannes gelezen: “In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. “Ik heb toen uitgelegd dat met Woord vrouwe wijsheid uit Spreuken 8 wordt bedoeld. Vrouwe wijsheid die voor de schepping Gods lieveling en oogappel was en door wie God hemel en aarde geschapen heeft.

Van deze wijsheid wordt gezegd dat zij mens geworden is in Jezus en bij ons gewoond heeft. In het scheppingsverhaal lezen we dat God de mens schiep naar zijn beeld en gelijkenis en dat hij hen mannelijk en vrouwelijk schiep. Jezus was mannelijk maar zijn wijsheid vrouwelijk. Hij was een compleet mens. Johannes jubelt het uit: “Wij hebben zijn grootheid gezien! “
En hij zegt: “De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. Niemand heeft ooit God gezien maar de enige Zoon, die Zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft Hem doen kennen. “

Prachtig!

Echter, in de zin: “De wet is door Mozes gekomen MAAR goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen.“zou ik één woordje willen veranderen n.l. het woordje “ maar”. Wanneer je zegt: “De wet is door Mozes gekomen MAAR goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen dan klinkt dat alsof de wet van een lagere orde is. Het klinkt dan als: “De wet is door Mozes gekomen, heel mooi! maar nu hebben we iets veel mooiers n.l. Jezus Christus.” Mijns inziens doet dit geen recht aan de hoge waarde van de wet. De wet was het geschenk van God aan zijn volk Israël. Jezus Christus het geschenk van God aan de volkeren van de wereld. Beide zijn geschenken van God. Beide zijn gelijkwaardig. Dat zal ik aan de hand van het verhaal over de bruiloft te Kana uitleggen.

Maar eerst wil ik met u kijken naar een filmpje uit de Park Lane Synagoge in New York waaruit blijkt hoe groot de liefde van de Joden is voor de wet beter gezegd: de Thora. We zien hoe de Thora rollen uit een kast worden gehaald en liefdevol in de armen worden genomen. De naam van de kast is “de ark “. Zoals de stenen tafelen van Mozes in de ark werden bewaard zo worden de papieren Torah rollen in de ark bewaard.

Filmpje

We zien de liefde voor de Torah, we horen hoe zielsverbonden de Torah bezongen wordt.

In de Protestantse kerk hebben we een negatieve kijk op de wet ontwikkelt. Onze kijk op de wet werd voor een groot deel bepaalt door het hoofdonderwerp van de reformatie: de rechtvaardiging door het geloof. Luther worstelde met het gevoel dat hij niet goed genoeg was in Gods ogen. Hij deed zijn uiterste best om door navolging van de wet Gods liefde waardig te worden. Hij probeerde de wet volmaakt te volgen. Maar dat lukt geen mens. Voor Luther was het een enorme bevrijding te ontdekken dat hij Gods liefde niet hoefde te verdienen door perfecte naleving van de wet maar dat God hem al liefhad als zondaar. ”Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof hebben vrede met God door Jezus Christus“ las hij in  de brief van Paulus aan de Romeinen. En dat was Luther’s grote bevrijding.

In het N.T. zie je bij sommige Farizeeën ook het idee dat je Gods liefde zou kunnen verdienen door perfecte naleving van de voorschriften van de wet. En Jezus en Paulus keren zich hiertegen. Ze maken duidelijk dat we Gods liefde niet hoeven te verdienen maar deze al hebben.

De neiging om te denken dat een mens aan voorwaarden moet voldoen om Gods liefde waardig te worden zie je door alle tijden heen in alle wereldreligies. Het is een menselijke neiging die steeds weer de kop op steekt. Niets is zo moeilijk voor een mens dan te geloven dat hij of zijn onvoorwaardelijk door Gods lief wordt gehad. Niets is zo moeilijk om te geloven dat God met liefde naar je kijkt.

Waar het mij nu vanmorgen omgaat is te laten zien dat de opvatting dat je de wet volmaakt zou moeten volgen om Gods liefde te verdienen niet kenmerkend is voor het geloof van het volk Israël. Het is een verkeerde interpretatie ervan voortkomend uit het onvermogen van de mens om te geloven dat hij of zij goed is zoals hij of zij is.

Wie in het oog wil krijgen wat de eigenlijke betekenis is van de Thora voor het volk Israël moet kijken naar het Joodse feest: Simchat Thora, het feest van de vreugde van de wet. Ieder jaar leest men in de synagoge de eerste vijf boeken van Mozes: Genesis 1 t/m Deuteronomium 34. Daarna begint men weer van voren af aan. Dat begin wordt gevierd op Simchat Torah . Men danst dan met de Torah rol in de armen. De Tora rol wordt liefdevol omarmd zoals je danst met een geliefde. De dans met de Torah symboliseert het leven met de Torah. Wie leeft met de Torah kan dansend door het leven gaan. De Torah is geen zwaar juk dat men draagt en waaronder men gebukt gaat en bijna niet kan dragen…de Torah zorgt er juist voor dat je vooruit kunt, dat je dansend door het leven kunt gaan. “Mijn juk is zacht “, zegt Jezus wanneer Hij spreekt over de Torah.
Degene die op Simchar Torah danst met de Torah rol als een geliefde in zijn armen wordt “bruidegom van de Torah “genoemd en een vrouw die danst met de Torah is bruid van de Torah.”

En met deze beeldspraak belanden we op de bruiloft in Kana. Jezus is daar met Zijn eerste drie leerlingen: Andreas, Simon en Filipus. Nu moet u weten dat een bruidegom in Israël gewoonlijk drie bruidsjonkers heeft. Jezus wordt dus geïntroduceerd als de bruidegom van het feest. Dan raakt de wijn op. Maar er staan zes stenen watervaten bedoeld voor het Joodse reinigingsritueel zoals deze wordt voorgeschreven in de Joodse wet. En dan verandert Jezus het water in wijn. Het feest is gered.
Die zes stenen watervaten zijn het symbool voor de Torah. Het water dat kleurloos en smakeloos is symbool voor het leven van een mens die niet kan geloven door God te worden bemind. Voor zo’n mens wordt het leven kleurloos en smakeloos wanneer hij of zij gaat proberen door een perfect leven te leiden Gods liefde te verdienen.

Maar Jezus maakt door Wie hij is en door de wijze waarop hij met mensen omgaat duidelijk dat ieder mens kostbaar is in Gods ogen. Jezus keek de mensen aan met liefdevolle ogen. Er ging zoveel liefde en warmte en kracht van Hem uit dat één liefdevolle blik van Hem het leven van mensen en het gevoel over zichzelf voorgoed veranderde.

Door het water van de wet in wijn te veranderen maakt Jezus duidelijk dat het naleven van de voorschriften van de wet geen loodzware taak is maar het leven vreugdevol maakt.

En deze opvatting van de wet is de eigenlijk Joodse opvatting. Jezus herinnert zijn Joodse broeders en zusters aan de oorspronkelijke bedoeling van de Thora. En wij christenen mogen daarvan leren.

Nu terug naar de proloog van het evangelie van Johannes: “De wet is door Mozes gegeven MAAR goedheid en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. Ik lees in plaats van het woordje “maar” het woordje “en”. De wet is door Mozes gegeven en waarheid en goedheid zijn door Jezus Christus gekomen. “

De Torah is het geschenk van God aan het volk Israël. Door de Thora is het volk vreugdevol verbonden met God, tot op vandaag. Jezus is het geschenk van God aan de volken van de wereld. Door Hem zijn wij vreugdevol verbonden met de God van Israël. De Torah en Jezus zijn helemaal gelijkwaardig. Jezus danst als bruidegom van de Torah met de Torah rol in zijn armen. Hij nodigt ons uit op het Joodse bruiloftsfeest in Kana.

Amen.

 

31 januari 2021

Lezingen: Deuteronomium 18, 15-20    Marcus 1, 21-28
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het is vandaag de vierde zondag van Epifanie. “Epifanie” betekent: “verschijning” op de zondagen van Epifanie richten we onze aandacht op de verschijning van de Heer. Zo richten we vandaag onze aandacht op Jezus’ eerste openbare optreden in de synagoge van Kafarnaum.

De ruïne van deze synagoge kun je tot op de dag van vandaag bezoeken. Wellicht bent u er wel eens geweest. Ik ben er zelf niet geweest maar op een foto ziet de synagoge er wat Grieks uit. Het is een rechthoekig gebouw. Het dak wordt gedragen door zuilen. Op de plek waar bij ons de preekstoel zou staan stond een kast met daarin de Thora rollen. Zoals ik twee weken geleden al zei: deze kast heet de ark. Zoals de stenen tafelen van Mozes in de ark van het verbond bewaard werden ( die houten kist die het volk Israël met zich meedroeg tijdens de reis door de woestijn en die later in het Heilige der heiligen in de tempel geplaats werd )  zo werd ook de papieren Thora in de ark bewaard.

Voor de ark was een spreekgestoelte vanwaar de lezingen werden gedaan. De mannen zaten beneden. De vrouwen op gaanderijen aan weerszijden van het gebouw.
In een synagogedienst mocht één van de aanwezigen de Thora lezing verzorgen en er een uitleg over geven.

Zo kwam het dat Jezus sprak in de synagoge van Kafarnaum. De mensen luisterden naar Hem en dan lezen we bij Markus :
“Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht want hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden”.

Deze toevoeging: “niet zoals de schriftgeleerden” is denk ik niet bedoeld als sneer naar hen. Marcus wil niet de schriftgeleerden naar beneden halen maar hij wil het gezag benadrukken waarmee Jezus sprak.

Wat kunnen we zeggen over dit gezag ? We kennen allemaal wel mensen die gezag uitstralen. Wanneer zij op een vergadering of een verjaardag het woord nemen iedereen als vanzelf stil om naar hem of haar te luisteren. Niet omdat hij of zij met luide stem spreekt of op een dwingende toon spreekt maar omdat hij of zij met natuurlijk gezag spreekt. Nelson Mandela was zo iemand.

Maar terug naar het gezag dat Jezus uitstraalde. Wat kunnen we daar over zeggen? Ik geloof dat Jezus zo één was met God dat Hij niet meer te onderscheiden was van God. Wanneer Hij sprak was het alsof de Stem van God sprak. Met nadruk zeg ik : “alsof de Stem van God sprak”. De mensen hoorden niet een Stem uit de hemel. Ze hoorden de stem van de mens Jezus. Maar de stem van de mens Jezus was bezield met de Stem van God. Zoals je door een mooi lied of mooie muziek boven je zelf uitgetild kunt worden en heel even in de vreugdevolle Tegenwoordigheid van God verblijft, zo werden de mensen door de stem van Jezus boven zichzelf uitgetild en werden ze vervuld van onuitsprekelijke liefde en vreugde en hoop.

Maar er was in de synagoge ook een man die bezeten was door een onreine geest en hij schreeuwde: “Wat hebben wij met jou te maken Jezus van Nazareth? Ben je gekomen om ins te vernietigen ? Ik weet wel wie je bent: de heilige van God.”
Wat moeten wij ons voorstellen bij “een man die bezeten was van een onreine geest?” Het gaat om een man die “bezeten was”, hij was dus niet vrij. Zijn gedachten en handelingen worden niet gestuurd door hem zelf maar door een geest die zijn zelf in bezit genomen heeft. De geest wordt “onrein” genoemd dat betekent dat de geest een liefdevolle houding t.o.v. God en medemens en een liefdevolle omgang met hen in de weg staat.
In onze cultuur is het idee dat er buiten ons boze geesten zouden zijn die geen lichamen hebben maar wel als geesten rondwaren, niet meer zo aanwezig. Dit is een mythische manier van denken. In onze cultuur denken we meer psychologisch.

De relschoppers die deze week in een aantal steden vernielingen aanrichten waren lieve zoons, broers en vaders maar in groepsverband konden ze geen weerstand meer bieden aan de geest van vernieling die van hen bezit nam. Een dag later verklaarden ze voor de rechter: “Ik was mezelf niet, zo ken ik mezelf niet”.

In Rwanda in de jaren 80 raakten als ik het goed zeg de Huti’s bezeten van haat en moordzucht en vermoorden brave huisvaders hun buren met wie ze altijd in vrede geleefd hadden. Er vielen miljoenen doden.

Wat in bijbelse tijd mythische verklaard werd als boze geesten benoemen wij vandaag de dag in psychologische en termen als massahysterie.
Ook zonder het geloof in boze geesten die buiten ons rondwaren en bezit van ons nemen kunnen wij onderscheid maken tussen goed en kwaad. We weten dat we in de ban kunnen komen van hebzucht, eerzucht, heerszucht, jaloezie of haat. Dat zijn heftige gevoelens die ons gevangen kunnen houden en een liefdevolle verhouding tot God en medemens en daarmee een vreugdevol leven in de weg kunnen staan.

 

Iemand die gevangen is door hebzucht, eerzucht, jaloezie, haat is niet gelukkig. Je wordt er ongelukkig van. Zo zal ook de man in de synagoge van Kafarnaum ongelukkig geweest zijn. Je zou zeggen dat hij zielsgelukkig moet zijn geweest toen hij Jezus zo vol gezag en liefde hoorde spreken. Hier was een mens die hem zou kunnen bevrijden! Het tegendeel gebeurt: de man wordt juist heel boos!

“Wat hebben wij met jou te maken Jezus van Nazareth? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent : de heilige Gods!”

Hoewel hij lijdt aan zijn gevangenschap wil hij zich toch niet laten bevrijden. Wij mensen laten onze eerzucht, heerszucht, haat niet zo maar los.

We verbeelden ons dat het een kracht is, dat het ons helpt om te overleven, dat we zonder niets zijn.

Het hart van de mens die bezeten is, is een bevroren hart. God is de zon. Met de stralen van Zijn zon raakt God het bevroren hart. “Help” roept het hart “ik sterf!” maar het hart sterft niet, het komt tot leven. Het wordt een warm kloppend hart. Een hart vol liefde voor God en mensen.

De man in de synagoge van Kafarnaum  wordt doodsbang wanneer hij Jezus hoort spreken. Hij is bang zichzelf te zullen verliezen. Hij weet niet dat hij zichzelf juist zal vinden. Hij zal zichzelf vinden als kind van God en vriend van mensen.

Dan spreekt Jezus hem toe vanuit zijn eenheid met God. Met een stem waarin het gezag en de liefde van God doorklinkt spreekt Jezus de man toe. “Zwijg!” zegt hij tegen de stemmen die de man gevangen houden in hebzucht, eerzucht, heerszucht, jaloezie en haat.

Marcus schrijft: “De onreine geest deed de man stuiptrekken en verliet hem met een luide schreeuw”. Jezus gaf de man terug aan zichzelf. Jezus maakte het de man mogelijk een leven op te bouwen van liefde tot God en medemens.

In vers 25  lezen we “Jezus sprak hem streng toe”. Dit hem slaat op de onreine geest. Hem sprak Jezus streng toe maar de man die door de geest bezeten was keek Jezus met liefdevolle ogen aan. Geen moment sprak er veroordeling of boosheid uit Zijn ogen. Geen honderste, geen miljoenste van een seconde: alleen liefde, pure liefde, goddelijke liefde.

Amen.

 

 

 

 

10 januari 2021

Lezing: Spreuken 8, 12-36.   Johannes 1, 1-18
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

De brieven van Paulus zijn geschreven in de jaren 50 na de geboorte van Christus. De evangeliën Marcus, Matteus en Lucas in de jaren 70 na Christus. Het evangelie van Johannes is het jongste evangelie. Het is geschreven in de jaren 90 na Christus. Er zijn overeenkomsten met en verschillen tussen de drie eerstgenoemde evangeliën en het evangelie van Johannes. De overeenkomst is o.a. dat in alle vier de evangeliën Jezus centraal staat. Maar in de eerste drie evangeliën ligt het accent op het leven van Jezus: op wat hij zei en deed en wat Hem overkwam. In het evangelie van Johannes staat de Persoon van Jezus centraal. Het gaat steeds om de vraag Wie Hij is.

De eerste drie woorden van de bijbel en de eerste drie woorden van het evangelie van Johannes zijn dezelfde: “In den beginne”: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde, de aarde nu was woest en ledig en duisternis lag over de vloed maar de Geest Gods zweefde over de wateren.” Met deze woorden opent de bijbel.

Johannes grijpt hierop terug wanneer hij aan het begin van zijn evangelie schrijft: “
“In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Alles is erdoor ontstaan. “

Johannes begint zijn evangelie met een verwijzing naar de schepping. In Jezus ziet Hij een nieuw begin van de schepping. Jezus als eerste mens van een nieuwe schepping.
En dan lezen we in Genesis 1: “God zei: er moet licht komen” en er was licht. God zag dat het licht goed was en hij scheidde het licht van de duisternis. Het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. “

En zo begint ook Johannes het scheppingsverhaal van Jezus met de schepping van het licht: “In het Woord (dat in het begin bij God was)   was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.”

Dit licht wordt bezongen in talloze liederen. Zo zongen we met kerst: “Er is uit ’s werelds duist’re wolken een licht der lichten opgegaan. “

En in de Paaswake roepen we elkaar toe: “Christus het licht!”

“In het Woord was leven” schrijft Johannes en dan jubelt hij het uit in vers 14: “Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige zoon van de Vader. “
“Het Woord is mens geworden, schrijft Johannes en “Dit Woord was in het begin bij God en alles is erdoor ontstaan. “Wat bedoelt Johannes met het Woord?

In de Griekse grondtekst wordt hier het woord “logos“ gebruikt. Maar om de betekenis van het woord op te sporen moeten we niet te rade gaan in de Griekse literatuur maar in de heilige schriften van het volk Israël.

En dan ontdekken we dat het Woord waar Johannes het over heeft verwijst naar de wijsheid van God. De wijsheid waarmee God hemel en aarde geschapen heeft. En deze wijsheid werd voorgesteld als een vrouw. In Spreuken 8 dat Yvonne met ons gelezen heeft is vrouwe wijsheid aan het woord. Zij zegt daar:

“De Heer heeft mij voor al het andere verworven, toen hij met zijn scheppingswerk begon, schiep Hij eerst mij. Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was, nog voor de aarde vorm kreeg….Ik was zijn lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw. En ik was altijd verheugd in zijn aanwezigheid, ik vond vreugde in zijn hele aarde en was blij met alle mensen. “

In het begin van het evangelie lezen we dat het Woord bij God was en ook dat Woord God was. De wijsheid van God wordt voorgesteld als een vrouw naast God. De wijsheid van God wordt gepersonaliseerd. Dit is een dichterlijke, poëtische, beeldende en mystieke wijze van spreken.

Wat is het een prachtig beeld! Het beeld van God als vader, rechter of koning wordt wat verzacht. De ernst wordt gerelativeerd. Bij de schepping had God een vrouw aan zijn zijde met wie Hij hemel en aarde geschapen heeft. Een vrouw die voor Hem een bron van vreugde was.

En ook het eenzame idee dat God voor de schepping helemaal alleen was wordt gerelativeerd. Hij was niet eenzaam en alleen maar had een vrouw aan zijn zijde. Beeldspraak natuurlijk! Maar mooie beeldspraak!

Wanneer we nu lezen in vers 14 dat het Woord mens geworden is en onder ons gewoond heeft, dan wordt dit dus gezegd over vrouwe wijsheid. Vrouwe wijsheid is mens geworden en heeft bij ons gewoond. En vrouwe wijsheid is mens geworden in Jezus. Vanuit deze beeldspraak bekeken zou het mooi geweest zijn wanneer Jezus een vrouw geweest zou zijn.

Maar Jezus was een man en daarom schrijft Johannes ook: “Het Woord is mens geworden en wij hebben Zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. “

Hoe kunnen wij de bedoeling van Johannes begrijpen wanneer we deze losmaken uit de beeldspraak?

Ik denk als volgt: Voor God hemel en aarde en de mens schiep maakte Hij een ontwerp van deze drie. Een blauwdruk of bouwtekening zou je kunnen zeggen. En ook van de mens maakte hij een ontwerp. In zijn goddelijke wijsheid dacht God na over het functioneren van de organen in het lichaam, hoe ze zouden kunnen worden voorzien van zuurstof, hoe daar een bloedsomloop voor nodig zou zijn en deze op gang gehouden zou moeten worden door het hart. God dacht na over de hersenen, hoe de hersenhelften zouden moeten samenwerken. En hij dacht na over ogen, oren, neus, het proeven in de mond en de tastzin.

En God realiseerde zich dat het saai zou zijn wanneer er alleen mannen zouden zijn. Daarom besloot hij ook vrouwen te ontwerpen. En hij bedacht dat ze van elkaar zouden kunnen houden. Maar dat betekende dat ze zich ook tot elkaar aangetrokken zouden moeten voelen. Ze zouden er dus ook aantrekkelijk uit moeten zien.

En zo werkte God dagen en nachten door aan het ontwerp van de mens. En na maanden en maanden hard werken was Hij eruit.
Voor Zich op de tekentafel lag een ontwerp van de mens waar Hij helemaal tevreden over was. Deze mens zou Hij scheppen.

En wat bedoelt Johannes nu wanneer hij schrijft dat het Woord mens geworden is? Hij bedoelt dat in Jezus, die mens van de tekentafel van God, die ideale mens in Gods ogen, werkelijkheid geworden is.

Johannes is er vol van: Het Woord is mens geworden en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.

En daarom zingen wij met kerst: “Er is uit ’s werelds duist’re wolken een licht der lichten opgegaan” en daarom roepen wij in de paaswake elkaar toe: “Christus het licht!” Wij herkennen in Jezus de mens zoals God die bedoeld heeft bij de schepping. Wij herkennen in Hem de mens die wij kunnen zijn.

In het scheppingsverhaal lezen we dat God de mens schiep: mannelijk en vrouwelijk. Dat betekent dat ieder mens een mannelijke en een vrouwelijke kant heeft. Jezus was een man maar de wijsheid waaruit Hij leefde was Zijn vrouwelijke kant. Daarom kunnen zowel mannen als vrouwen zich met Hem identificeren en met Johannes uitroepen:

“Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die Zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft Hem doen kennen. Amen.

1 november 2020, jeugddienst

Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Lieve mensen,

De lezingen van vanmorgen zijn uit Marcus 7.
De jongeren hebben zojuist een tweespraak laten horen naar aanleiding van het eerste deel van Marcus 7. Ik zal nu iets zeggen over het tweede deel van Marcus 7 het verhaal over Jezus en de Syro- Fenicische vrouw. Deze jeugddienst was geplant op vredeszondag. Als thema hadden we bedacht: “ Woorden kunnen wel pijn doen ! “Wanneer kinderen op een schoolplein elkaar uitschelden dan roepen ze elkaar toe: “Schelden doet geen pij-ijn ! Schelden doet geen pij…ijn! “Maar dat klopt niet: woorden kunnen wel pijn doen. We weten allemaal hoezeer woorden kunnen doen. Hoe je gekwetst kunt worden door woorden van anderen. En helaas zijn het niet alleen kinderen die elkaar met woorden pijn kunnen doen. Ook volwassenen kunnen bijzonder kwetsend zijn.

In de afgelopen week zagen we dat ook in de journaals. Er zijn Nederlanders die zich bijzonder boos maken over de maatregelen die de regering neemt om het Corona-virus in te dammen. Zij geloven helemaal niet dat er een virus is maar menen dat het een verzinsel is van de fabrikanten om rijk te kunnen worden van de verkoop van mondkapjes en vaccins. Zij geloven dat er een complot achter zit. Voor het journaal zagen we hoe deze complotdenkers voor hert gebouw van de tweede kamer, ministers en kamerleden allerlei kwetsende woorden toeschreeuwden: pedofielen! hoeren! enzovoort. Woorden kunnen kwetsen. Woorden kunnen pijn doen.

En kwetsende taal is dikwijls een voorbode van lichamelijk geweld. Vele mensen kunnen het bij schelden houden. Maar er zijn altijd een paar mensen die zo opgehitst worden door het schelden dat ze tot lichamelijk geweld over gaan. Dan heb je een burgeroorlog in het klein.

Wanneer wij nu van iemand geen kwetsend taalgebruik zouden verwachten is het van Jezus. Jezus is toch bij uitstek iemand die mensen géén pijn wil doen met woorden menen wij. Hij is toch vol liefde. Hij is toch de vredestichter bij uitstek.

En dat is denk ik ook zo maar hoe moeten wij dan die woorden verstaan die Jezus spreekt tegen de Syro – Fenicische vrouw die aan Jezus vraag om haar dochtertje te genezen? Jezus zegt immers tegen haar: “Het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te geven ! “

Om het verhaal te kunnen begrijpen moet ik jullie even een paar dingen vertellen:

We lezen dat Jezus zijn intrek neemt in een huis in Tyrus. Tyrus ligt buiten Israël. Dit is één van de weinige keren dat Jezus naar het buitenland gaat. Hij neemt zijn intrek in een huis en wil niet dat iemand dat weet. Er staat niet bij waarom Hij dat niet wil maar we kunnen vermoeden dat Hij even rust zoekt. Hij wordt altijd omringd door heel veel mensen die allemaal iets van Hem willen. Hij wordt er doodmoe van en heeft rust nodig. Je zou kunnen zeggen dat Hij naar Zijn vakantiehuis in het buitenland gaat. En hij hoopt dat Hij in het buitenland niet herkent zal worden.

Maar zoals Willem Alexander en Maxima ook vaak gespot worden wanneer ze incognito in het buitenland verkeren zo wordt Jezus ook snel gespot. Het gerucht dat Hij in een huis in Tyrus verblijft gaat als een lopend vuurtje rond.

We lezen dat een vrouw die een dochter heeft die bezeten is van een demon zodra zij dit hoort naar Jezus toegaat voor Hem op de knieën valt en Hem smeekt haar dochtertje te genezen.

Wij in onze tijd en cultuur zouden niet zeggen dat het dochtertje van de vrouw bezeten zou zijn door een demon. Wij zouden vandaag zeggen dat het meisje psychiatrische problemen heeft en de hulp nodig heeft van een psychiater. Maar zo dacht men toen nog niet. Een psychiatrische ziekte duidde men in religieuze taal.

Van de vrouw wordt gezegd dat ze van Syro – Fenicische afkomst is. Dat zegt ons niet zoveel. Maar je moet weten dat koningin Izebel uit het Oude Testament ook van Syro – Fenicische afkomst was en zei probeerde de profeet Elia te doden. Zij was dus een vijand van het volk Israël. Door de moeder van het zieke dochtertje Syro-Fenicisch te noemen wordt ook zij afgeschilderd als een vijand van het Joodse volk.

Nu komt een vijand van het Joodse volk de welverdiende rust van Jezus verstoren. Ze valt Hem lastig in Zijn vakantiehuis.

Deze Syro-Fenicische vrouw is een prachtige vrouw en een moedige vrouw en ze kan een rolmodel zijn voor jullie meiden van de Tienerkerk.

Hoewel ze weet dat ze beschouwd wordt als vijand van het Joodse volk, hoewel ze weet dat het voor een vrouw niet fatsoenlijk was om zich zo maar te wenden tot een haar onbekende man, gaat ze onbevreesd naar Jezus toe. Ze wéét wat ze wil: genezing voor haar dochtertje. Ze laat zich niet door vooroordelen of fatsoensregels tegenhouden.

Ze valt voor Jezus op de knieën en smeekt Hem haar dochtertje te genezen. Hij is een goede man en een heilige man. Hij zal het zeker doen!

Maar wat doet Jezus? Hij reageert niet begripvol en liefdevol maar Hij zegt tegen haar: “Het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de kinderen te voeren! “De kinderen , dat zijn de Joden en de honden dat zijn de heidenen. Is het niet bijzonder kwetsend wat Jezus hier doet? Hoe reageert de vrouw (let op meiden van de Tienerkerk!) zei laat zich niet door de woorden van Jezus uit het veld slaan maar ze blijft fier overeind staan en antwoordt Jezus: “Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen? “En ze kijkt Jezus krachtig en vol zelfvertrouwen aan. “

Jezus schiet in de lach en antwoordt: “Dat hebt u goed gezegd! Ga naar huis de demon heeft uw dochter al verlaten. “

 

Je kunt dit verhaal op verschillende manieren lezen. Het is mogelijk dat Jezus tot dat moment dacht dat Hij er alleen zou hebben te zijn voor de Joden. Dat is aannemelijk omdat Joden geen zendingsdrang hebben. Joden vinden niet dat iedereen Joods zou moeten worden.  “God gaat met ieder volk zijn eigen gang “zo menen ze. En nu zou het kunnen zijn dat deze vrouw Jezus er de ogen voor opent dat hij er niet alleen voor de Joden is maar ook voor de heidenen, de volkeren van de wereld. Dat betekent dat we een groot respect voor haar mogen hebben. Ze is een leraar voor Jezus.

 

Het zou ook kunnen zijn dat we het verhaal in een heel ander licht moeten lezen. Daarvoor wil ik jullie een schilderij van Jan Steen laten zien.

Een prachtig tafereel met humor geschilderd. Een vrolijk tafereel. Ook de hondjes springen vrolijk in het rond. De hondjes die Jan Steen geschilderd zijn, zijn vriendelijke, wanneer je iemand uitscheldt voor “hond” of een heel volk “een volk van honden “noemt dan heb je niet zulke lieve hondjes voor ogen maar “rothonden. “Zou het kunnen zijn dat Jezus toen Hij tegen de vrouw zei dat het niet goed is om het brood van de kinderen af te pakken en het aan de honden te voeren een olijke blik in Zijn ogen had en een glimlach rond zijn mond en bij “honden “geen rothonden voor ogen had maar vrolijk spelende hondjes zoals op het schilderij van Jan Steen?

Jezus woorden waren niet bedoeld om de vrouw te kwetsen maar om haar uit te dagen op fiere en zelfbewuste wijze voor zichzelf op te komen.

Jongeren van de tienerkerk: Deze Jezus en deze vrouw wil ik jullie vanmorgen voor ogen houden. Zoals Jezus naar deze vrouw keek zo kijkt Hij ook naar jou: met liefdevolle en vriendelijke ogen. En Hij daagt ook jullie uit om ruimte in te nemen. Jullie mogen er zijn. Sterker nog: het is goed dat jullie er zijn! Jullie zijn een verrijking van het leven van de mensen om jullie heen.

Tot slot: Jezus zei tegen de vrouw: “Het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te geven.” De vrouw antwoordde: “Heer de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen? “Jezus suggereert dat er niet voldoende brood is. De vrouw antwoordt dat ze aan een paar kruimels genoeg heeft. Welk verhaal staat er denk je in het volgende hoofdstuk? Inderdaad het verhaal over de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. Jezus heeft maar twee broden maar Hij breekt en Hij breekt en Hij breekt en hij voedt er een hele menigte mensen mee. Er is genoeg brood voor iedereen!

Amen.

 

10 mei 2020, online-dienst

Onlinedienst op zondag 10 mei 2020, Oosterkerk Hoogeveen

Voorganger: mevr. Hetty Kleinjan

Lezing: Psalm 31 : 1 t/m 17 en 22 t/m 25 en het morgengebed van Dietrich Bonhoeffer:

Tot U, God, roep ik in de vroege morgen.
Help mij te bidden
en mijn gedachten te richten op U,
ik kan het niet alleen.

In mij is duisternis, bij U is licht.
Ik ben eenzaam, Gij verlaat mij niet.
Ik ben bevreesd, bij U is hulp.
Ik ben onrustig, bij U is vrede.
In mijn hart is bitterheid, bij U is geduld.
Ik begrijp uw wegen niet, maar Gij kent mijn weg.

Lieve mensen thuis en hier aanwezig, gemeente van Jezus Christus,

Inleiding
Sinds de eerste persconferentie van Mark Rutte op donderdag 12 maart jl. – over het coronavirus – hebben we wekenlang prachtig voorjaarsweer gehad, met strak blauwe  luchten. De natuur laat zich met voorjaarsbloesems en het nieuwe groen aan de bomen van zijn mooiste kant zien. Crisis of niet: de lente gaat door.
Ik zal mij altijd dit mooie voorjaarsweer blijven herinneren, dat zo in contrast is met de wereld om ons heen, die in de ban is van het coronavirus. Ik begrijp nu veel beter het gevoel van mijn moeder en veel ouderen meer die mij vertelden dat het op 10 mei 1940, – de start van de Tweede Wereldoorlog, vandaag 80 jaar geleden – een prachtige voorjaarsdag was. We maken nu hetzelfde contrast mee: het mooie voorjaarsweer en nu de strijd tegen een onzichtbare vijand, het coronavirus.  

Die onzichtbare vijand maakt, dat we contact met anderen beperken, of zelfs geen contact mogen hebben. Een tijd waarin we stil worden gezet als het gaat om onze gewone doen en laten. Een tijd die contrasten in emoties bij ons op kan roepen: aan de ene kant missen we het samenzijn met familie en vrienden enorm. Aan de andere kant is het een tijd zonder vergaderingen of andere wekelijkse activiteiten die ‘moeten’ gebeuren: er is rust en ruimte in onze agenda’s. Wandelen en fietsen in de prachtige natuur – voor zover u dat kunt – of genieten van de natuur om je heen vanuit je raam of tuin. Genieten van de vogels, die rondom je huis een nest maken, de stilte, de vogels die je hoort fluiten, de natuur die uitbot. Wat kan maken dat je zegt – net als iemand in de vrouwengesprekskring – ik ervaar dan God dichtbij!
Maar het is ook een tijd, waarin we de onrust van de wereld om ons heen elke dag lezen of horen. Misschien hoort u in uw eigen familie- of vriendenkring ook de verhalen van mensen die besmet zijn geraakt of zich zorgen maken over hun werk. Gelukkig neemt het aantal besmettingen en doden in Nederland op dit moment nog steeds af. De persconferentie van afgelopen week gaf daarom een versoepeling – in stappen – van de maatregelen. Er werd hier verschillend op gereageerd: Blijheid bij de één om meer bewegingsruimte. Teleurstelling bij de ander, die ook weer het werk of activiteiten op had willen pakken of gehoopt had dat bezoek in het verzorgingstehuis weer mogelijk zou worden. Wat ons allemaal rond de maatregelen bezig houdt: blijven de besmettingen wereldwijd dalen?
Een ander contrast afgelopen week was de herdenking op 4 en 5 mei dit jaar: Een 4 mei-herdenking op een lege Dam in Amsterdam, die anders vol met mensen zou hebben gestaan. We vierden op 5 mei 75 jaar vrijheid thuis, zonder de vele bevrijdingsfeesten, die in ieder plaats dit jaar waren gepland.

Een leven met contrasten. Waar vinden we ons houvast in deze tijd?
In de Tweede Wereldoorlog zochten de mensen steun bij God, de kerken stroomden vol. Ik hoorde van een oudere, dat er hier in Hoogeveen destijds een bidstond was in de Grote Kerk, waar mensen uit alle kerken van Hoogeveen wekelijks bij elkaar kwamen. ‘Nood leert bidden’, zegt het spreekwoord. Dat is nu in deze crisistijd niet anders: op internet las ik een bericht van begin april dat het aantal keer, dat naar een gebed is gezocht via Google explosief is toegenomen. Er stond: “Per 80.000 besmettingen met het coronavirus
verdubbelt het aantal zoekpogingen naar ‘gebed’ op Google.”

In crisistijden hebben we behoefte aan een hogere macht en kracht buiten onszelf: we zoeken in het gebed contact met God. In de tijd van het volk Israël in het Oude Testament was dat niet anders. David schreef ruim 3.000 jaar geleden psalm 31, waarschijnlijk toen hij vervolgd werd door Saul.

Net zoals er in het morgengebed van Dietrich Bonhoeffer een contrast is van tegenstellingen in emoties, zo zijn er in deze psalm van David ook verschillende emoties te vinden. De psalm kent verschillende abrupte overgangen: uitingen vol vertrouwen en gebeden – in het eerste deel – wisselen af met angstige smekingen en klagen over de moeilijke situatie – in het tweede deel. Psalmen hebben vaak verschillende emoties in zich, daarom spreken denk ik psalmen ook zoveel mensen aan. Misschien ook u in deze crisistijd. Ik wil stil staan bij drie verzen uit deze psalm.

In uw hand leg ik mijn leven (vers 6)
In vers 6 staat: ‘In uw hand leg ik mijn leven’. Misschien meer bekend zijn de woorden uit de vertaling van 1951 ‘In uw handen beveel ik mijn Geest’. Deze woorden ‘in mijn handen beveel ik mijn Geest’ uit psalm 31 vers 6 zijn de laatste woorden, die Jezus heeft gebeden aan het kruis, voordat Hij stierf. In Lukas 23 vers 46 zegt Jezus: ‘Vader, in uw handen beveel ik Mijn Geest.’ Indrukwekkend dat Jezus in de moeilijkste, laatste momenten van Zijn leven steun vond in deze psalmwoorden. Woorden die Jezus mogelijk als kind al geleerd had, omdat psalm 31 vers 6 een Joods avondgebed was: na een drukke dag legt je met deze woorden je leven in Gods handen. Woorden van overgave. Dit wil niet zeggen dat er niets kan gebeuren, maar het geeft wel een steun en houvast.

Dit vers was ook een steun en houvast voor een predikant in Hardenberg, waar ik vier jaar geleden stage liep als kerkelijk werker. Medio april werd hij getroffen door het coronavirus.
Ziek thuis schreef hij openhartig hierover op de Facebookpagina van zijn wijkgemeente.
Na een dikke week flink ziek zijn, schreef hij heel eerlijk, dat hij zichzelf in gedachten op de Intensive Care terecht zag komen. Angsten gingen met hem op de loop, ook in de nacht, maar hij bleef deze woorden voor zichzelf herhalen: ‘In Uw handen leg ik mijn leven’, de woorden uit psalm 31 vers 6. Dit gebed gaf hem een soort basisrust en voorkwam paniek bij hem.
Mogelijk heeft u dat zelf meegemaakt: momenten in het leven die je brachten tot intens gebed. Waren dat – terugkijkend – niet vaak de momenten, dat we zelf geen controle meer hadden over ons leven? Wat kan het dan een rust geven om het bij God neer te leggen. 

David had net als Jezus en deze predikant een rotsvast vertrouwen op God door Zijn leven in Gods handen te leggen, op het moment dat hij angstig is, omdat zijn vijanden een net voor hem spannen. In de eerste verzen gebruikt hij verschillende woorden voor wat het schuilen bij God voor hem betekent. Het bidden tot God geeft hem rust. Wij kunnen voelen dat er een corona-angst-net voor ons gespannen is, maar het leven in Gods hand leggen, geeft rust.

Mijn tijden zijn in uw hand
(vers 16)
Maar hoe menselijk is het niet dat David – ondanks het geloofsvertrouwen in het eerste deel van de psalm – in het tweede deel van de psalm opeens worstelt met alles wat hem overkomt. Worstelingen die we nu ook kunnen ervaren als we geconfronteerd worden met verhalen van mensen, die dierbaren moeten missen. Ons leven is zo kwetsbaar; het kan van de ene op de andere dag opeens veranderen. Nog elke dag zien we de harde cijfers van besmettingen en doden wereldwijd. En misschien heeft u meegemaakt dat in familie- of vriendenkring iemand is overleden. Moeilijk, vooral als er geen mogelijkheid was om afscheid te nemen, persoonlijk of in een dienst.
Worstelen met het niet op bezoek mogen gaan naar je moeder, vader, oma of opa in het verzorgingstehuis, of die thuiswonend is, waardoor er geen contact is en je je afvraagt:
is dat dan nog wel kwaliteit van leven voor hem of haar? Maar tegelijk de worsteling dat als je wél mocht gaan, je niet degene wil zijn die hem of haar ongemerkt besmet.  

Bij David zien we ondanks al die sombere woorden en negatieve ervaringen op zijn pad toch een ommekeer. Hij spreekt uit dat hij vertrouwt op God en zegt – in vers 16 – in uw hand liggen mijn lot en mijn leven. In de vertaling van 1951 staan de bekende woorden:
Mijn tijden zijn in uw hand. David weet dat zijn hele leven, met alle tijden – alle wisseling van vreugde en verdriet – veilig is in de hand van God. Mijn tijden zijn in Gods hand; een belijdenis van David midden in verwarring en nood. Hij weet dat Gods hart van liefde klopt achter deze hand; een hand die vasthoudt door de diepte van het leven heen. Dat wil niet zeggen dat als mens altijd die hand voelt en beleeft. Ook David was het zicht op God soms kwijt, maar hij bleef zeggen: Mijn tijden zijn in Gods hand. Dat is geloven. Door alle strijd en aanvechting heen.
Vertwijfeling en aanvechting, hoe menselijk is dat niet? Dat hoorden we ook in het morgengebed van Dietrich Bonhoeffer dat hij schreef in gevangenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een gebed waarin de contrasten verwoord worden, die een mens innerlijk kan voelen op het moment dat het moeilijk is. Misschien ervaart u dat nu ook.
Een morgengebed, waarin Bonhoeffer zijn onrust tot uiting brengt en zijn onzekerheid over de toekomst enerzijds en anderzijds zijn vertrouwen op God, als hij zegt: Ik begrijp uw wegen niet, maar Gij kent mijn weg.

Heb lief. Wees sterk en houd moed (vers 24 en 25)
Bonhoeffer liet ons van zijn tijd in gevangenschap verschillende gebeden, gedichten en gedachten na. Eén van die gedachten van Bonhoeffer die ik las, is de volgende:
‘Vrijheid is niet in de eerste plaats gericht op het individu, maar op de naaste.’
Een tekst die mij raakt, omdat deze ook zó van toepassing is op deze tijd: we leven al 75 jaar in een vrij land, maar op dit moment is onze bewegingsvrijheid beperkt, waardoor we uitzien naar de tijd dat we weer onze vrijheid weer volop kunnen vieren. Vrijheid vieren, niet alleen, maar samen met anderen om ons heen. Anderen, waar we nu geen contact mee kunnen hebben, die we nu geen knuffel kunnen geven. De afgelopen weken heeft het woord ‘samenleving’ een heel andere klank gekregen. We missen het samenzijn als kerk hier met elkaar. We leven enorm met elkaar mee, maar wel met anderhalve meter afstand. Gelukkig komt onze creativiteit boven om hierin wegen te vinden naar elkaar. Dat is wat deze tijd ons brengt: meer betrokkenheid bij elkaar. Om met Bonhoeffer te spreken, ervaren we misschien wel eens te meer, dat vrijheid gericht is de naaste. Dietrich Bonhoeffer zag in oorlogstijd hoe kostbaar het is om vrijheid te beleven samen met de ander.

Ook David beseft dit. Aan het eind van de psalm prijst hij God omdat hij door alle moeiten heen, Gods trouw heeft ervaren. Hij schrijft: ‘God ontzette mij als een belegerde stad’. Hij voelt zich bevrijdt van zijn angst. En vanuit dat bevrijdende gevoel komt hij tot het besef, dat hij ook anderen kan troosten, die dezelfde benauwdheid hebben gevoeld.
Hij beschrijft in vers 24 en 25 bemoedigende slotwoorden van de psalm: In vers 24: ‘Getrouwen van de HEER, heb hem lief’. En in vers 25: ‘Allen die uw hoop vestigt op de HEER: wees sterk en houd moed.’ Woorden die doen denken aan de poster, die onlangs in de Kerkentrommel zat: ‘Houd moed. Heb lief’. Posters die op verschillende plekken in Hoogeveen zichtbaar voor het raam hangen.

‘Houd moed. Heb lief’: deze woorden hebben een fundament in God en in elkaar.
Woorden die een hart onder de riem zijn in alle tijden: de moeilijke tijden die David meemaakte, de moeiten van Bonhoeffer tijdens de Tweede Wereldoorlog, de moeilijke tijd nu rond de coronacrisis. Maar dit is wat we elkaar mogen wensen: ‘Houd moed. Heb lief’: In verbondenheid met God en met elkaar.

Amen

11 oktober 2020

Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Lezingen:

uit het oude testament Ezra 1 en Ezra 3:1-6

Gemeente van Christus,

Twee weken geleden werd het volk Israël door de koning van Babel in ballingschap gevoerd. De tempel in Jeruzalem en de stad werd verwoest. De tempelschat: het gouden en zilveren tempelgerei werd geroofd en geplaatst in de schatkamer van de koning van Babel.

 We lazen we het verhaal over Daniël en zijn vrienden die door de koning van Babel als gijzelaars naar de hoofdstad van zijn rijk werden gevoerd. Daniël en zijn vrienden waren gijzelaars maar ze kregen een goed leven. Ze werden geplaatst op de universiteit van Babel waar ze werden opgeleid als ambtenaar in dienst van de koning.

In de eetzaal van de universiteit kregen Daniël en zijn vrienden voedsel dat in die als gezond werd beschouwd. Dit voedsel was echter niet in overeenstemming met de Joodse spijswetten. Daniël en zijn vrienden vroegen de hofmeester of ze kosjer zouden mogen eten. De hofmeester wilde hen dit wel toestaan maar hij was bang dat Daniël en zijn vrienden er ongezond uit zouden gaan zien en de koning er dan achter zou komen dat hij als hofmeester afgeweken was van de voedselvoorschriften die de koning uitgevaardigd had. Daniël stelde voor dat ze het een tijdje uit zouden proberen. Zouden ze er minder gezond uit gaan zien dan de andere studenten dan zouden ze zich voortaan aan het dieet van de koning houden. Maar zie na de afgesproken periode zagen ze er fris en fruitig uit. Ze leken gezonder dan de andere studenten. Zo bleven Daniël en zijn vrienden in de ballingschap trouw aan de God van Israël. Ze bleven trouw aan zichzelf.

Vanmorgen maken we een sprong in de tijd van 70 jaar. De koning van Babel wordt verslagen door de koning van Perzië: Cyrus. Cyrus veroverde veel landen en stichtte een groot rijk. Om dit rijk bijeen te houden en om opstand te voorkomen schonk hij de door hem veroverde landen en volken vrijheid van godsdienst. En zo geeft hij de Joden die als ballingen in Babel woonden toestemming om terug te gaan naar hun land en om de tempel in Jeruzalem en de stad te herbouwen. Het schenken van godsdienstvrijheid was van Cyrus een strategische zet om de door hem overwonnen volken rustig te houden. De schrijver van het boek Ezra ziet er echter Gods hand in. Hij schrijft:

“In het eerste regeringsjaar van Cyrus. De koning van Perzië, ging in vervulling wat de Heer Jeremia al had laten aankondigen. Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit kenbaar te maken: Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Laten al degenen onder u die tot zijn volk behoren, zich met hulp van hun God naar Jeruzalem in Juda begeven om er de tempel van de Heer weer op te bouwen. “

De machtige koning Cyrus, die zichzelf wereldheerser waant blijkt niet meer te zijn dan een instrument in Gods hand.

En dan lezen we in het vervolg dat een deel van de ballingen zich o.l.v Ezra inderdaad opmaakt om naar Jeruzalem terug te keren om daar de tempel en de stad te herbouwen. Niet iedereen kan of durft mee terug te gaan. Maar zij die gaan krijgen van de achterblijvers ter ondersteuning goud, zilver, goederen en vee mee.

Onder andere hieruit blijkt dat de schrijver van het boek de gebeurtenissen beschrijft als een tweede Exodus. Toen het volk uit de slavernij in Egypte terugkeerde naar het land kreeg het van de Egyptenaren goud en zilver mee.

En dan lezen we in Ezra drie dat Ezra en de zijnen wanneer ze in Jeruzalem aankomen en beginnen met de wederopbouw van de stad en de tempel als eerste een altaar bouwen van de God van Israël om daarop te kunnen offeren. En dan staat er: “ om daarop te kunnen offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes. “

Ook hier weer een verwijzing naar de eerste Exodus. Wanneer de Farao het volk laat gaan trekt het volk de woestijn in en verzamelt zich bij de berg Sinaï. Daar wordt het volk tot een nieuwe eenheid gesmeed wanneer zij via Mozes de leefregels van God ontvangen voor het leven in het beloofde land. Die leefregels die het mogelijk maken dat het volk in vrijheid kan leven in het beloofde land. Leefregels die voorkomen dat het beloofde land verandert in een tweede Egypte. Leefregels die voorkomen dat de Israëlieten zelf veranderen in slavendrijvers. Daar bij de berg Sinaï wordt een nieuw begin gemaakt.

Zo wordt ook in Ezra 3 door de teruggekeerde ballingen o.l.v Ezra een nieuw begin gemaakt. Men bouwt een altaar zoals voorgeschreven door de wet van Mozes men geeft daarmee aan die wet van Mozes , waarin de leefregels voor het leven in het beloofde land staan opnieuw als grondwet voor het leven in het land Israël te nemen.

Het altaar moet opnieuw worden gebouwd, de tempel moet opnieuw worden gebouwd, de samenleving moet opnieuw worden gebouwd. En de samenleving zal worden gebouwd op het fundament van de leefregels van God: zorg voor de vreemdeling de weduwe en de wees, de landbouwgrond niet uitputten maar om de zeven jaar een jaar de kans geven te herstellen. De kloof tussen arm en rijk niet onrechtvaardig groot te laten worden maar één keer in de vijftig jaar de rijkdom op een rechtvaardig manier te herverdelen. De spirituele dimensie van het leven niet te verwaarlozen maar één keer in de week een dag van rust te nemen om die dimensie te kunnen beleven.

De eerste drie hoofdstukken van Ezra lijken op het eerste gezicht een beetje saai. Het lijkt een zakelijk verslag te zijn van gebeurtenissen, lang geleden. Gebeurtenissen waar wij niet veel van doen mee hebben. Maar wanneer je dan beter kijkt dan blijkt het te gaan om een opwindende periode in de geschiedenis van Israël. Het gaat om de beschrijving van een hoopvol nieuw begin. Het optimisme en de hoop die er onder de teruggekeerde ballingen geheerst zal hebben lijkt denk ik op het optimisme en de hoop die er was toen Obama presidentskandidaat van Amerika was: “ Yes we can !“ was zijn boodschap. En dit optimisme, deze hoop deze energie heeft Ezra denk ik ook uitgestraald.

En hoezeer verlangen we in deze tijd weer naar een dergelijk optimisme, naar een dergelijke hoop. We zien in de wereld grote vluchtelingenstromen, we zien armoede bij een groot deel van de wereldbevolking en extreme rijkdom bij een paar honderd miljardairs. We zien een aarde die zucht en steunt onder landbouw, mijnbouw, ontbossing, opwarming. We zien een wereld waarin mensen jagen en jachten en zichzelf voorbijlopen.

De wereld is toe aan een nieuw begin. De wereldsamenleving moet opnieuw worden opgebouwd op de fundamenten van de wet van Mozes, de leefregels van God. Voor vreemdeling, weduwe en wees moet worden gezorgd. De landbouwgrond moet rust gegund worden, tijd voor herstel. Het kappen van de regenwouden moet worden gestopt. De gigantische rijkdom van een paar miljardairs moet worden herverdeeld. Wereldwijd moet mensen een dag in de week rust gegund worden om de spirituele dimensie van het bestaan te beleven: voor de moslims mag dat de vrijdag zijn, voor de joden de zaterdag, voor de christenen de zondag. De rest mag kiezen met wie ze mee willen doen.

“Houd je aan mijn geboden” zegt God tegen Israël “opdat je lang mag leven in het land dat Ik je geven zal. Jullie en je kinderen en je kindskinderen. “Houd je aan Mijn geboden “zegt God ook vandaag tegen ons en tegen de mensheid. “Houd je aan Mijn geboden zodat jullie lang zullen leven op deze prachtige planeet aarde. Jullie en je kinderen en je kindskinderen. “

Vorige week zagen we dat we het helemaal niet zo moeilijk is om je aan deze geboden te houden. Ze komen niet van ver. Je hoeft niet naar de hemel te gaan om ze te halen of daarvoor diep in de aarde af te dalen. Ze liggen vlak voor ons. Vervulling ligt binnen ons bereik.

“Yes,we can ! “  
Amen.

13 september 2020

Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Lezingen:

uit het oude testament Daniël 1: 1 t/m 21
uit het nieuwe testament Kolossenzen 3: 12 t/m 17

Gemeente van Christus,

Het boek Daniël is geschreven in de tweede eeuw voor Christus. De verhalen in het boek spelen zich af in de zesde eeuw voor Christus, in de tijd van de Babylonische ballingschap.

Voor ik op het boek Daniël inga zal ik eerst iets vertellen over de situatie van het volk Israël in de tweede eeuw voor Christus.

In de tweede eeuw voor Christus heerste in Israël de Syrische koning Epiphanes de vierde. In het jaar 168 voor Christus gaf hij het bevel om een beeld van de heidense god Baal Hasjamin (de Syrische variant van de Griekse god Zeus ) neer te zette in de tempel in Jeruzalem. Dat trof de Joden in het hart. Hoe vaak hebben ze niet die woorden uit de Tien geboden gehoord: “Vereer naast Mij geen andere goden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hierboven is of van beneden op aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer en vereer ze niet want Ik ben de Heer uw God. “

De Joden werden zo geraakt in hun diepste geloofsbeleving dat ze in opstand kwamen tegen koning Antioches. Deze werd woedend en probeerde de opstand met veel geweld te onderdrukken. Duizenden Joden kwamen om. Maar nog tijdens de opstand stierf Antioches aan een ziekte. De Joodse opstand slaagde en tot 63 voor Christus heersten er Joodse koningen over Israël.

Het boek Daniël is geschreven in de tijd dat Antioches heerste over Israël. En zijn heerschappij was niet het enige probleem dat de schrijver van het boek zag. Hij zag ook dat het geloof in de God van Israël in gevaar kwam omdat de joden zich meer en meer aanpasten aan de Griekse cultuur die Antioches meebracht. Wanneer mensen denken dat de macht van een veroveraar blijvend is dan zijn ze al snel geneigd zich aan te passen aan de nieuwe situatie. In Nederland gebeurde dat ook toen ons land bezet werd door de Duitsers. Een deel van de bevolking paste zich al snel aan en ging samenwerken met de bezetter.

De schrijver van het boek Daniël heeft het boek geschreven om de Joden ten tijde van Antioches op te roepen zich niet aan te passen aan de Griekse cultuur en godsdienst maar trouw te blijven aan de God van Israël. Daarom vertelt hij verhalen uit de tijd van de Babylonische ballingschap.

In de 7e eeuw voor Christus, dus vijfhonderd jaar eerder, had Nebukadnessar, de koning van Babylonië, Israël veroverd. Hij neemt de koning van Juda Jojakim gevangen en rooft een deel van het tempelgerei uit de tempel in Jeruzalem.  Nebukadnessar was een dictator die veel leed veroorzaakt heeft maar hij was wel een verstandig bestuurder. Hij selecteerde zijn ambtenaren niet op basis van afkomst of rijkdom maar op grond van geschiktheid en betrouwbaarheid. En om voldoende geschikte ambtenaren te kunnen vinden zocht hij ze niet alleen in eigen land maar ook daarbuiten. Hij haalde jonge mensen uit de elite van de door hem veroverde landen naar zijn hof. Ze waren in feite gijzelaars. Mensen wier kinderen gegijzeld worden zullen niet snel in opstand komen. Maar deze jongelui werden goed behandeld. Ze werden op de staatsuniversiteit van Babel geplaats waar ze een academische opleiding ontvingen. Pas nadat ze met succes een examen hadden afgelegd werden ze aangesteld als ambtenaar in het rijk.

Zo belandden Daniël en zijn vrienden op de universiteit van Babel. Ze waren waarschijnlijk no heel jong 15 – 17 jaar. Uit hun namen blijkt dat ze uit gelovige gezinnen kwamen. Daniël betekent: God is mijn rechter. Hananja: God heeft genade bewezen. Misaël: wie is als God? en Azarja: God heeft geholpen. Hun namen verbinden hen met de God van Israël. Het is dus geen kleinigheid dat deze namen van hen worden afgenomen en heidens namen krijgen die verwijzen naar heidense goden: Daniël heet voortaan: Beltassar. Bel is een heidense god. Beltassar betekent: Bel bewaren zijn leven. Hananja heet voortaan Sadrach, een toespeling op de heidense god Mardoek. Azarja heet voortaan: Abednego , dienaar van de god Nebo. De jongens krijgen een andere naam, ze krijgen een andere identiteit. Ze dreigen hun verbondenheid met de God van Israël te verliezen.

Daniël en zijn vrienden hebben geen keuze. Ze moeten hun heidense namen wel accepteren. Maar ze begrijpen wel dat ze zich op en hellend vlak bevinden. Ze kunnen niet nog meer van hun Israëlische identiteit inleveren. Dan zouden ze zichzelf kwijtraken.

Wanneer de koning hen dan ook nog wil voorschrijven wat ze moeten eten, besluiten ze dat de tijd gekomen is om hun grenzen te stellen.

In onze tijd hebben we welomschreven ideeën over welk voedsel gezond is en welk voedsel niet. Veel groente en fruit, niet te veel vet…noem maar op. Zo had men aan het hof van koning Nebukadnessar ook welomschreven ideeën over welk voedsel gezond was en welk niet. Op grond van die ideeën had men maaltijd adviezen opgesteld en iedereen aan het hof werd geacht zich daaraan te houden. Iedereen…ook Daniël en zijn vrienden.

Onderdeel van een gezond dieet aan het hof van koning Nebukadnessar waren een stuk vlees en een beker wijn. Daniël en zijn vrienden zouden vlees moeten eten en wijn moeten drinken. Nu is het eten van bepaalde soorten vlees en het drinken van wijn volgens de spijswetten van Israël wel geoorloofd maar Daniël en zijn vrienden hielden zich aan een bepaalde uitleg van Genesis 1:29, waar staat dat God het zaaddragend gewas en de vruchten van de boom aan de mens te eten gaf. Op grond hiervan wilden Daniël en zijn vrienden geen vlees eten en geen wijn drinken. Dat botste met de voedselvoorschriften aan het hof.

Nu had Daniël vriendschap gesloten met het hoofd van de huishouding. Ze vragen hem om toestemming alleen groente te eten en water te drinken. Hij zegt: “Wat mij betreft is dat okay maar wanneer jullie er minder gezond gaan uitzien dan de andere hovelingen, komt het uit en vlieg ik eruit. “Daniël stelt voor het tien dagen uit te proberen. En dan blijkt na tien dagen dat zij er niet minder maar zelfs meer gezond uitzien dan de andere hovelingen.

 Daniël en zijn vrienden mogen zich aan de spijswetten van Israël houden. Een dagelijkse maaltijden zijn zo een terugkerende herinnering aan de God van Israël. De God die hun eigenlijke namen in de palm van zijn hand geschreven heeft.

En dan eindigt het eerste hoofdstuk met de woorden: “En God schonk de vier jongemannen wijsheid, kennis en verstand van alle geschriften. Bovendien was Daniël bij machte alle mogelijke visioenen en dromen uit te leggen. Zij traden in dienst van de koning. En over welke kwestie van wijsheid of inzicht de koning hen ook raadpleegde, hij vond hen tien keer zo voortreffelijk als alle magiërs en bezweerders in zijn rijk.”

Met dit prachtige verhaal dat zich afspeelt in de zesde eeuw voor Christus, roept de schrijver van het verhaal in de 2e eeuw voor Christus, zijn volksgenoten op, om hun identiteit als leden van het volk Israël en hun verbondenheid met de God van Israël niet kwijt te raken door op te gaan in de Griekse cultuur en denkwereld van die tijd maar om als Daniël trouw te blijven aan de God van Israël.

Wat heeft dit verhaal en de oproep van de schrijver van het boek Daniël ons vandaag de dag te zeggen? Ik denk het volgende.

Zoals Daniël en zijn vrienden hun naam kwijtraakten, de naam die hen verbond met de God van Israël, zo dreigen wij on onze cultuur onze doopnaam kwijt te raken, de naam die ons verbindt met de God van Israël die wij hebben leren kennen door Jezus Christus.

In onze naam ligt onze ware identiteit verborgen. In onze naam liggen onze creatieve gaven besloten. God roept ons bij name. God roept ons op om uit te groeien tot de mens die wij kunnen worden. En wie wij kunnen worden is vaak nog verborgen. De mens die we kunnen worden, onze creatieve gaven zijn vaak nog niet groter dan een klein plantje op de bodem van onze ziel. Een klein plantje dat nog moet uitgroeien in het licht van de zon van God’s liefde. Heel vaak verhinderen omstandigheden dat de mens die we kunnen worden tot volle wasdom komt. Maar God kent ons bij name. En Hij zal ervoor zorgen dat we zullen uitgroeien tot de mens die we kunnen zijn. Dat zal gebeuren in deze of anders in eeuwigheid. We zullen er zelf nog versteld van staan welke gaven er in ons sluimeren. Wellicht groeien we uit tot zangers, componisten, schrijvers of schilders. Wat onze gaven ook zijn. Ze zullen aan het licht komen want God kent ons bij name! Laten we trouw blijven aan God en daarmee aan onszelf!

Amen.

  

14 juni 2020, online jeugddienst

lezing: 1 Samuël 18 en 19

Voorganger: ds. Dick van der Vaar

Beste jongens en meisjes hier in de kerk en mensen thuis,

Beste jongens en meisjes hier in de kerk en mensen thuis,

Het thema van deze jeugddienst is vriendschap.
In de filmpjes Ike, Ilse, Jan en Lise vertelt wat vriendschap voor hen betekent.

Uit hun verhalen blijkt dat vriendschap op de basisschool dikwijls nog niet bepaald wordt door een persoonlijke keuze. Je wordt vrienden met kinderen die bij je in de klas zitten of dicht bij je in de buurt wonen. Het klinkt een beetje gek maar wie dat zijn maakt niet heel veel uit.

Op de middelbare school verandert dat. Je sluit dan vriendschap met klasgenoten die dezelfde interesses hebben als jij. Je gaat om met mensen met wie je op dezelfde golflengte zit, met wie je goed overweg kan. Mensen die jij begrijpt en door wie je je begrepen voelt.

Na de middelbare verdiepen vriendschappen zich. Je voert gesprekken met diepgang. Durft je zelf echt te laten zien. En daardoor kun je ervaren dat je door je vrienden werkelijk geaccepteerd wordt zoals je bent.

En Jan, heeft de middelbare school al lang achter zich gelaten.  Hij heeft al een leven lang ervaring met vriendschap. “Vriendschap maakt het leven waard om te leven, “zei hij. Hij vertelde dat je op school vriendschap kunt sluiten, daarna iemand dan soms een tijd niet meer ziet maar elkaar dan opeens in de bus tegen kunt komen en je de vriendschapsband dan opeens weer sterk kunt ervaren. Zo heeft hij in de loop van zijn leven meer vriendschappen gesloten die niet voortdurend intens beleefd worden maar zoals hij heel mooi zegt: “Vriendschap voelt als een sluimerende verbondenheid die op de kruispunten van je leven weer helder zichtbaar worden. “

Door de corona crisis werd het de afgelopen maanden moeilijker om vriendschappen te onderhouden. Je zag elkaar niet meer regelmatig op school of sport. Je moest er moeite voor doen om je echte vrienden te ontmoeten. En de ontmoetingen met klasgenoten en teamgenoten die misschien geen goede vrienden zijn maar met wie je wel dagelijks of wekelijks op vriendschappelijk voet mee omging, vielen weg. En was je als vrienden wel bij elkaar dan moest je steeds blijven denken aan de anderhalve meter regel. Heel lastig!  Davina Michelle en Snelle brengen dit heel mooi onder woorden in hun lied 17 miljoen mensen: “Ik zou juist nu een arm om je heen willen slaan.“

In de afgelopen week heb ik dat ook van veel oudere mensen gehoord die niet geknuffeld of omarmd mochten worden door kinderen of kleinkinderen. “Ik mis het zo! “zeiden ze. “Ik ben al wekenlang niet meer aangeraakt.” “Huidhonger “wordt dat genoemd.

Jan zei: “Vriendschap is niet alleen via een scherm elkaar zien. Vriendschap is elkaar vasthouden. Samen er voor elkaar zijn. Genieten van elkaars aanwezigheid.”

Wat vonden de jongeren en Jan belangrijk aan vriendschap?
1. Dat elkaar accepteert zoals je bent.
2. Dat je met elkaar kan lachen.
3. Dat je elkaar kunt vertellen wat je dwarszit, wat je kwijt wilt.
4. Vriendschap maakt het leven waard om geleefd te worden.

Dat vriendschap iets is van alle tijden blijkt uit de verhalen van David en Jonathan die voorgelezen werden door Ike en Lise. Uit die verhalen blijkt dat er tussen David en Jonathan een hechte vriendschap ontstond. Deze vriendschap wordt in hele warme woorden beschreven:

“Jonathan voelde zich meteen sterk tot David aangetrokken en vatte een innige vriendschap voor hem op. “

“Jonathan had David lief als zijn eigen leven. “

Soms wordt wel gezegd dat David en jonathan niet alleen vrienden waren maar ook verliefd waren op elkaar. Dat ze een liefdesrelatie hadden. Dat zou best kunnen. Waarom niet?

Jonathan is de zoon van koning Saul. Hij is de kroonprins. Hij zal later koning worden. Maar we hoorden al dat Saul geen goede koning was en dat hij zijn koningschap niet zou mogen voortzetten. David zou zijn opvolger worden.

Je zou verwachten dat dit Jonathan, de kroonprins woedend zou maken. Je zou verwachten dat hij David zou willen doden. Maar zo is het niet. In plaats daarvan lezen we dat Jonathan een verbond sloot met het huis van David. En daarna liet hij David dit verbond bekrachtigen met een eed want (lezen we opnieuw) : “ Hij had David lief als zijn eigen leven. “

En dan eindigt het verhaal met de ontroerende laatste ontmoeting tussen David en Jonathan. David had zich, op de vlucht voor Saul, verborgen achter rotsblokken. Jonathan zoekt hem. Dan komt David tevoorschijn, hij knielt voor Jonathan neer en buigt drie keer diep voorover. Hij heeft nog steeds een grote eerbied voor de kroonprins Jonathan. Dan moeten ze afscheid nemen. Ze weten dat ze elkaar niet weer zullen zien. En dan lezen we: “Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonathan zich vermande en zei: “Vaarwel.” Daarop ging David weg en Jonathan keerde terug naar de stad.

De bijbel is geen saai boek. De bijbel staat vol mooie verhalen zoals het verhaal over de vriendschap tussen David en Jonathan. Het gaat in de bijbel ook niet alleen om de ziel van de mens. Het gaat in de bijbel om ziel en lichaam. Wanneer David en Jonathan afscheid nemen van elkaar dan omarmen ze elkaar en kussen ze elkaar. Ze hebben elkaar lief en willen elkaar daarom voelen.

Jullie hebben vast wel eens die zin uit het begin van het evangelie van Johannes gehoord. De zin die slaat op Jezus: “Het Woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien.”
Je kunt ook vertalen: “Het Woord is lichaam geworden.” Dat Woord is de wijsheid en de liefde van God. Die wijsheid en die liefde van God is mens, is lichaam geworden in Jezus. En in de afgelopen Coronatijd hebben we allemaal ervaren hoe belangrijk ons lichaam is. Communicatie door een beeldscherm is mooi maar een mens wil meer. Je wilt aangeraakt, geknuffeld worden. In de kerk gaat het niet alleen om de ziel van de mens. Het gaat om ziel en lichaam. De wijsheid en die liefde van God is lichaam geworden in Jezus maar ook in de vriendschap tussen David en Jonathan. En de wijsheid en liefde van God kan ook lichaam worden, zichtbaar en voelbaar worden in de vriendschappen die jullie sluiten.

Amen.

16 augustus 2020

Voorganger:   ds. Jan Ros     

Gemeente van Christus,

           ‘Wees steeds bereid tot verantwoording van de hoop die in u leeft..’. Op grond van die oproep is Petrus wel ‘de apostel van de hoop’ genoemd.  Zoals je Paulus op grond van wat hij schreef ‘de apostel van het geloof’ kunt noemen.  En Johannes is dan te typeren als ‘de apostel van de liefde’. Petrus de apostel van de hoop, dat wil natuurlijk niet zeggen dat het geloof en de liefde een onbelangrijke rol bij hem spelen, maar hij schrijft die drie kernwoorden in de volgorde: hoop, geloof en liefde.

            We zijn de hoop op een betere toekomst kwijt. Wie heeft er nog hoop dat het ooit nog wat wordt met Israël en de Palestijnen, met het klimaatverdrag tegen de opwarming van de aarde, met de armoede en de coronapandemie? Het is om de moed te verliezen, ook al modderen we voort. Het optimistische vooruitgangsgeloof uit de jaren zestig van de vorige eeuw hebben we van ons afgeschud. En er lijkt niks voor in de plaats gekomen, behalve het individualistische jagen op hedonistisch geluk en het korte lontje als we daarbij in de wielen worden gereden. De toestand is hopeloos…

En toch. We kunnen niet leven zonder hoop. Hoop dat het morgen beter gaat, hoop dat de uitslag van het medisch onderzoek meevalt, dat de behandeling aanslaat, de operatie goed lukt, je snel weer herstelt. En: hoop dat je brief er bij de sollicitatie wordt uitgepikt en je eindelijk weer een baan krijgt, hoop dat je huis nu eindelijk eens wordt verkocht, hoop dat het ooit weer goed komt na die ruzie of die ijzige kilte… We zijn gebouwd op hoop. Hoop is als zuurstof, we stikken en sterven af, zonder hoop. Gek eigenlijk: hoop – we hebben het zó nodig, en er is zó weinig van voorhanden. Kunnen we niet proberen achter de geheime formule ervan te komen, zodat we er wat van kunnen bijmaken, als van een toverdrank, als we het nodig hebben? Wat is de code van de hoop? Wie helpt ons het raadsel van de hoop te ontcijferen?

We kijken naar die bijbelse kernwoorden hoop, geloof en liefde.

Ik wil dat doen aan de hand van een gedicht van de Franse dichter Charles Péguy (1873-1914). Péguy was een strijdbare socialist, die eerst niets moest hebben van de kerk, maar zich later bekeerde tot het katholieke geloof. Hij sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog aan het front, 41 jaar oud. De toestand was hopeloos, ook voor hem. En toch, hij zette zich in voor een betere wereld en probeerde dat te verbinden met zijn geloof in God. Vandaar dat ook hij zocht naar ‘de poort naar het geheim van de hoop’, de titel die hij meegaf aan het hele gedicht. Geloof, hoop en liefde worden in de traditie van de kerk wel omschreven als ‘de drie goddelijke deugden’, de geloofsdeugden. Eerst heb je de gewone, menselijke deugden, dat zijn er vier: de moed, de matigheid, de rechtvaardigheid en de wijsheid. Om je die deugden eigen te maken, moet je veel en hard oefenen. Maar als je goed je best doet word je met vallen en opstaan wel een wijs, moedig, matig, rechtvaardig mens. Met die deugden kun je je wel redden in het leven, vonden de oude Grieken. Nou nee, zei de kerk, daarmee kom je er niet. Je kunt je er misschien wel mee handhaven in de maatschappij, maar echt vol en voluit leven, nee, dat doe je ermee niet. Wie niet de deugd van geloof, hoop en liefde bezit, leeft niet het volle leven, zoals God dat bedoeld heeft. Maar hoe kom je eraan? Wat is de geheime code van hoop, geloof en liefde? Die moet je worden gegeven, zegt dan de kerk. De geloofsdeugden kun je niet leren, die moet je krijgen. Ze zijn genade. Je hebt ze gekregen, of je hebt ze niet. Dat is een andere kijk op de hoop dan de visie dat je nu eenmaal zwartkijkers èn optimisten hebt, mensen voor wie het glas altijd halfleeg is èn mensen die hetzelfde glas halfvol vinden. Natuurlijk, het karakter van de één zal zonniger zijn dan dat van de ander, voor de een is het nooit wat geweest en zal het ook nooit wat worden, voor de ander is elke nieuwe ronde er één van nieuwe kansen. Maar hoop is  niet hetzelfde als het optimisme van ‘Kop op, joh!’ Hoop ziet de feiten niet in het rozige perspectief van wishful thinking. Hoop ziet de feiten recht in het gezicht, maar legt zich niet bij die feiten neer. De hoop ziet de feiten namelijk niet aan op hoe ze zich voordoen, maar ziet ze aan op hun mogelijkheden. Niet op dat wat ze zijn, maar op dat wat ze nog kunnen worden. Wie hoopt, is bezig met de dag van morgen. Niet omdat hij vandaag wil vergeten, maar omdat hij vandaag geschikt wil maken voor morgen, en dus alvast ziet in het licht van morgen. De hoop is niet een of ander gen dat je met de geboorte krijgt ingeplant. Het is geen persoonlijke eigenschap of karaktertrek. Om hoop te hebben hoef je niet het zonnetje in huis te zijn. Je moet alleen in morgen kunnen geloven. En dat, zegt de christelijke traditie, moet je gegeven zijn. De geloofsdeugden zijn niet het resultaat van hard werken, of van een grillig lot van de natuur, maar ze zijn het geschenk van God. Er zit altijd iets in van genade. Iets van ‘ondanks alles…’, ‘tegen beter weten in’ , iets van: ‘en toch…’. Ik kan niet anders, geloven, hopen, liefhebben – maar vraag me niet waarom. De geheime code van de hoop, je kunt er dus eindeloos naar zoeken. Maar het is geen bank- of pincode die je ontcijfert door alle mogelijke combinaties te proberen. Het geheim van de hoop moet je gegeven worden.

Geloof, hoop en liefde, deze drie. Maar de meeste van deze is de liefde – zo schreef de apostel Paulus in de Korinthebrief. Maar Charles Péguy waagt het met hem oneens te zijn. Deze drie, inderdaad. Maar, zegt hij, de meeste van deze is, ondanks dat hij de kleinste is, de hoop. Geloof, hoop en liefde zijn God alle even dierbaar, maar met de hoop, daarmee heeft God nog het meest. Zo dat hij er zichzelf over blijft verwonderen, en er soms zelfs zelf weer ondersteboven van is.

Het kleine meisje hoop

Het geloof waar ik het meest van hou,
zegt God, is de hoop.
Geloof, dat verwondert me niet.
Ik ben overal zo zichtbaar aanwezig,
in de zon en de maan en de sterren aan de hemel
en in ‘t gewemel
van de vissen in de rivieren,
en in alle dieren,
en in het hart van de mens, zegt God,
dat het diepste is
en het meest in het kind
dat het liefste is
dat ik ooit heb geschapen.
In alles wat boven en onder is
ben ik zo luisterrijk aanwezig,
dat geloven, zegt God, in mijn ogen
geen wonder is.
Ook liefde verwondert me niet, zegt God.
Er is onder de mensen zoveel verdriet,
soms niet te stelpen,
dat je toch vanzelf ziet
hoe ze elkaar moéten helpen.
Ze zouden wel harten van steen
moeten hebben als ze voor één
die tekort heeft het brood
niet uit hun mond zouden sparen.
Nee, liefde, zegt God, dat verwondert me niet.
Maar wat me verwondert, zegt God, is de hoop.

Daar ben ik van ondersteboven.
Ze zien toch wat er in de wereld allemaal omgaat
en ze geloven dat het morgen allemaal omslaat.
Wat een wonder is er niet voor nodig
dat zij dat kleine hoopje hoop nooit als overbodig ervaren
maar met voorzichtige gebaren
in hun hand en in hun hart bewaren,
een vlammetje dat keer op keer weer
wankelt en dreigt neer te slaan
maar altijd weer weet op te staan,
en nooit wil doven.

Soms kan ik mijn eigen ogen niet geloven.
Geloof en liefde zijn als vrouwen.
Hoop is een heel klein meisje van niks.
Zij stapt op tussen de twee vrouwen
en iedereen denkt: die vrouwen houden
haar bij de hand,
die wijzen de weg.
Maar daarvan heb ik meer verstand,
zegt God, ik zeg:
het is dat kleine meisje hoop
dat al wat tussen mensen leeft
hun heen en weer geloop
licht en richting geeft.
Want het is dat kleine meisje hoop
– ,je ziet het zwak zijn, bang zijn, beven,
je denkt soms dat het zo onooglijk is ­
het is dat kleine meisje hoop
dat de mensen zien laat, zien soms even,
wat in het leven mogelijk is.
Het geloof, zegt God, waar ik het meest van hou,
de liefde waar ik het meest van hou, is de hoop.
Geloof, dat verwondert me niet.
Liefde, dat is geen wonder.
Maar de hoop, dat is haast niet te geloven.
Ikzelf, zegt God, ik ben er van ondersteboven.

Het is God zelf die Péguy aan het woord laat in dit gedicht. Geloven, laat hij God zeggen, dat is eigenlijk geen kunst, al doen de mensen het veel te weinig. Het is hen gegeven, ook al weigeren ze het geschenk vaak te aanvaarden. Maar kijk goed om je heen, en je kunt bijna niet anders dan de conclusie trekken dat de wonderen van de natuur verwijzen naar hun Schepper. De zon, de maan en sterren, maar meest nog de geboorte van een kind – het kan niet anders of je gaat ervan in Mij geloven.

De liefde, dat is ook een bovennatuurlijke goddelijke deugd, die we van onszelf niet hebben maar die ons gegeven is. Maar zij ligt toch voor het grijpen, als je ziet hoeveel leed en verdriet onder mensen is. Ze kunnen dan toch, zegt God vanuit zijn perspectief, niet anders dan elkaar liefhebben? We hebben elkaars troost hard nodig. Er is zoveel liefde te geven, er wordt ook zoveel bemind.

Maar de hoop, dat is werkelijk een godswonder. Kijk maar eens om je heen. De toestand is hopeloos, èn ernstig. En niets wijst erop dat het morgen anders zal gaan. En toch…. Mensen worden murw gebeukt door het leven en door elkaar. En toch hopen ze tegen heug en meug in. Morgen, als ik weer beter ben; morgen, als we weer van elkaar zullen houden; morgen, als er vrede zal zijn en recht, morgen…. Het is eigenlijk ongelooflijk, zegt God zelf, de hoop zou allang gestorven moeten zijn, met wortel en tak uitgeroeid – en toch blijft zij springlevend onder de mensen. De hoop is een Godswonder. De hoop is een godsbewijs, zou je ook kunnen zeggen. Péguy zegt met zijn gedicht, het werkelijke godsbewijs is niet het geloof in een Schepper of de naastenliefde, maar de hoop die, ondanks alles, niet uit te roeien valt.

Morgen… Hij gebruikt een mooi beeld. Geloof en liefde zijn vergeleken bij de hoop twee wandelende, stevige dames. Je denkt dat ze de weg goed weten en ons de wijzen. Maar ondertussen drijft en trekt het kleine meisje hoop, een meisje van niks, dat tussen hen in loopt, hen de toekomst in. Het geloof dat er straks weer een nieuwe morgen zal zijn, dat houdt het geloof en de liefde op de been.  De hoop is een heel klein meisje van niks. Een godswonder, een godsbewijs. Misschien mag je nog verder gaan en zeggen: de hoop, dat is God zelf. Dat de hoop een geschénk van God is, dat we ons niet op kunnen werken tot de deugd van de hoop maar hem cadeau krijgen, dat is iets dat we alleen vanuit het perspectief van God zelf kunnen zeggen. Van ons uit, vanuit onze hopeloze toestand, hebben we geen zicht op een God in de hemel. We zien alleen de hoop, waarin hij vlees en bloed geworden is. De hoop, dat is God zelf. God met ons, Immanuël. In elke sprankje hoop is God zelf aanwezig. In het christelijk geloof is de goddelijke hoop vlees en bloed geworden. De hoop is mens geworden, geloven we.

Soms hebben christenen grootse voorstellingen van Christus. Dat hij de wereld wel eens even op orde brengen zal. ‘Toe maar! Kan het ook een toontje lager? Er is geen reden voor christelijk triomfalisme. Dan maken we van de hoop gauw weer een stevige dame, die wel eens even zegt waar het heen moet. Maar Jezus, ons godswonder, ons godsbewijs – het is een klein jongetje, een klein jongetje van niks. En toch. Geloof, hoop en liefde – deze drie. Maar de meeste van deze is toch: de hoop.

 

Hoogeveen, 16 augustus 2020, de 9e zondag van de zomer

1Petrus 3, 13-22

Oosterkerk

18 oktober 2020

Hoogeveen, 18 oktober 2020, 5e zondag van de herfst
Genesis 1, 26 – 2, 3 en Matteüs 22, 15-22
Oosterkerk
Voorganger: ds. Jan Ros

Gemeente van Christus,

    Er is een tijd geweest – ik heb het nu over de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw- dat er in de kerken vaak een verband werd gelegd tussen geloof en politiek. Het was de tijd van heftige discussies over kernenergie en kernwapens, van het Conciliair Proces. De mensen met grijs haar weten daar nog wel van. Er kwam daarna een periode van reactie, zoals dat in de geschiedenis altijd gaat: geen politiek op de kansel, daar komt alleen maar gedonder van, en van de weeromstuit werd de aandacht verlegd naar binnenkerkelijke problemen, rond Samen op Weg, de persoon van Jezus, spiritualiteit.

De laatste jaren zie je weer een verschuiving. De kerken worden uitgedaagd om zich uit te spreken en van zich te laten horen in de vragen rond normen en waarden, de rol van religie in onze samenleving. Daarom sluiten de lezingen van vandaag verrassend goed aan bij deze vragen en problematiek. Want daarin staat een tekst die in de geschiedenis van het christendom klassiek geworden is als het gaat over de verhouding tussen staat en kerk, geloof en maatschappij. Geef dan wat van de keizer is aan de keizer is en geef aan God wat God toebehoort.

         Wat er gebeurd is in de afgelopen jaren weten we allemaal. Het vertrouwen van de burger in de politiek is flink gedaald. En dat was al niet zo bijster groot. De staat verliest aan gezag en betekenis als het gaat om het stellen van en toezien op grenzen en regels over hoe wij met elkaar samen hebben te leven. De tendens in onze sterk individualistisch ingestelde samenleving is dat wij dat het liefst ieder voor onszelf uitmaken. We houden er niet van dat ons de wet wordt voorgeschreven. Pas als de vrijheid die ook de ander daarin neemt negatieve gevolgen heeft voor onszelf gaan we roepen om een herstel van normen en waarden dat van bovenaf moet komen.

Heeft geloof iets met politiek te maken? Of is het het beste om je als gelovige maar verre te houden van de politiek, al dat gekonkel, de belustheid op macht, de onoprechtheid? Om aan de keizer te laten wat van de keizer is? Is geloof in God iets dat beperkt is tot het privé-domein?

Laten we eens kijken naar onze tekst. Jezus is Jeruzalem binnengekomen op een ezel en vanaf dat moment zijn de tegenstel-lingen met farizeeën en schriftgeleerden steeds scherper geworden. Jezus heeft onder meer de schijnheiligheid van de farizeeën aan de kaak gesteld en zij hebben Jezus van godslastering beschuldigd. Ze wilden hem gevangennemen, maar waren bang voor de mensen, omdat die Jezus voor een profeet hielden.

Ik vertel dit erbij om duidelijk te krijgen waar het hier om gaat: niet over geloof, maar over macht. Wie heeft het hier voor het zeggen, wiens autoriteit wordt erkend?  Ook in de geschiedenis van de kerk heeft de machtsvraag een grote rol gespeeld. Terwijl vaak gedaan werd en misschien ook wel oprecht geloofd werd dat het alleen maar ging over geloof. Macht, dat hoorde thuis in een ander gebied, dat van de keizer, de politiek, de wereld. Met geestelijke dingen heeft dat niets van doen. Maar het ergste misbruik van macht gebeurt daar waar ontkend wordt dat macht een rol speelt. Want daar wordt macht onzichtbaar en ongrijpbaar. Dat is in geloofszaken vaak zo geweest. Je hoeft niet alleen maar te denken aan heftige kerkstrijd.  Macht hoeft niet altijd het gezicht te hebben van botte dwang. Het kan veel subtieler. Op het geweten van mensen inwerken. Hen een gevoel van onmacht, van schuld bezorgen.

Dat laatste is de methode die de farizeeërs proberen toe te passen op Jezus. Ze doen een beroep op zijn geloof en prijzen dat. Vervolgens zetten ze hem daarmee klem. Het doet mij een beetje denken aan mensen die van anderen, omdat zij christen,  zijn dingen eisen waarover ze zelf niet zouden piekeren. Wat ze zeggen klinkt meestal heel redelijk en er is bijna geen verweer op mogelijk. Als iemand gelooft dan mag je toch iets van hem of haar verwachten? Maar wie zo redeneert stelt een ander in staat van beschuldiging en blijft zelf buiten schot.

De vraag naar het belasting betalen aan de keizer is zo’n poging, en wel een hele geraffineerde. Voor de joden in die tijd echt een geloofsvraag, een gewetenskwestie. De keizer is een vreemde heidense overheerser. Belasting betalen betekent het erkennen van zijn macht. Op de Romeinse munten stond een beeltenis van de keizer en het opschrift ‘goddelijk heerser’ eronder. Voor de joden pure blasfemie. Als Jezus zou zeggen dat men de keizer belasting moet betalen keurt hij die blasfemie goed en maakt zich onpopulair bij het volk dat de Romeinse bezetter haat. Zegt hij echter dat men niet moet betalen, dan kunnen de herodianen die meegekomen zijn hem direct oppakken wegens volksopruiing. De vraag is zo slim dat er geen ontsnapping mogelijk lijkt.

Maar toch heeft Jezus een antwoord. Hij stelt een tegenvraag. Hij vraagt zijn ondervragers om hem een belastingmunt te laten zien. Alsof hij die nog nooit gezien heeft. Hij had hen ook zelf zo’n munt kunnen tonen. Maar hij is een rondreizend rabbi en heeft zulke munten niet op zak. Zij hebben dat wel. Met dat ze de munt met die blasfemische voorstelling erop uit hun zak moeten halen maken ze meteen duidelijk voor iedereen dat ze zelf die belasting wel betalen en de macht van de keizer erkennen.

Geef aan de keizer wat van de keizer is, zegt Jezus dan en daarmee zegt hij hen door te gaan met wat ze toch al doen. Daar hebben zij natuurlijk geen enkel antwoord op. Als ze nu tegenwerpingen zouden maken, zouden ze voor het oog van heel het volk zichzelf in staat van beschuldiging stellen. 

Dit antwoord van Jezus kan alleen maar een nog slimmere truc lijken dan de strikvraag van de farizeeërs, waar je bewondering voor kunt hebben; heeft hij zich daar mooi uitgered! Maar het is meer dan dat. In wat Jezus zegt laat hij blijken dat hij de opzet van de farizeeërs doorziet. Waarom stelt u mij op de proef, huichelaars? Het gaat hier niet om een eerlijke vraag om het geweten, om God, vanuit een gedeeld geloof zoeken naar waarheid. Het geloof wordt hier gebruikt om iemand pootje te lichten.

Jezus’ antwoord is in de eerste plaats ontmaskerend. Het kwaad in onze wereld verbergt zich vaak onder de vermomming van iets goeds en dat maakt het zo ongrijpbaar. Jezus is gekomen om de macht van het kwaad te ontmaskeren, zodat het zijn ware gezicht laat zien. Om dat te doen trekt hij niet, zoals veel van zijn geloofsgenoten zo graag zouden willen, ten strijde tegen de keizer en de Romeinse bezetting, het kwaad van buiten. Hij is gekomen om te laten zien dat het verlangen naar macht en overheersing, het heilig maken van het eigen belang en het zich keren tegen de ander die dit bedreigt, niet beperkt is tot het domein van de keizer, maar te vinden is in het hart van de godsdienst zelf.

Het is het uitsteken van de beschuldigende vinger naar anderen en het zelf buiten schot willen blijven dat geen van ons vreemd is, dat door hem consequent ontmaskerd wordt. Met die ontmaskering maakt Jezus zich niet populair en hij weet dat. Het gevolg daarvan is dat met toenemende heftigheid alle beschuldigen-

de vingers in zijn richting wijzen. Die dreiging is hier al sterk voelbaar. Toch gaat hij door op deze weg. Wat de farizeeërs over hem zeggen is namelijk waar, ze weten zelf niet hoe waar: Meester wij weten dat u oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God, en u door niemand laat beïnvloeden want u ziet geen mens naar de ogen. Het kwaad moet ontmaskerd worden om te wijken, om ruimte te maken voor het goede waarvan het de plaats heeft ingenomen. De waarheid moet aan het licht komen. De weg van de ontmaskering is de weg van God in onze wereld.

De munt die het beeld van de keizer draagt, zijn jullie schuldig aan de keizer. Maar jullie zelf, mensen die Gods beeld dragen, zijn aan God je leven schuldig, in de erkenning van zijn koningschap.  Jezus stelt ons over de hoofden van de Farizeeën en de herodianen voor de keus: Kruis of munt – God of de keizer? Volgens welk programma wil je leven? Wil je leven in het besef dat de aarde en alles wat daarop leeft van God is?  Wij zijn geen slaven of knechten, maar bevrijde mensen. Maar ook: wij zijn pachters of rentmeesters en geen eigenaren van de aarde, van het leven van onszelf of van anderen. Wij zijn beeld en gelijkenis van God, maar niet God zelf. Wie dat soort gedachten heeft vervalt vroeg of laat tot onmenselijke praktijken of lijdt aan hoogmoedswaanzin. Weet als mens je plaats in dit leven. Leef in eerbied voor God, en laat je leiden door zijn beloften. Hij heeft hoge verwachtingen van ons, Hij wil immers dat wij op Hem lijken. Jezus herinnert ons aan die bestemming en gaat ons voor op die weg. Aan ons de keus om hem daarin te volgen. Amen.

20 december 2020

Overdenking van ds. A.P. Heiner, Elim
(gelezen door mevr. Rieke van Dijk-Veenstra)

Lucas 1: 5-24; 57-64

Gemeente van de Heer
Om maar met de deur in huis te vallen! Zacharias. Ik mag hem wel. De verhalen zijn dubbel, er knarst van alles. De onverhoorde gebeden – onvrijwillig kinderloos. Zet daar maar een uitroepteken bij.

Grote woorden, van de grote Engel Gabriël notabene en….

“Kijk” zegt Zacharias., “Ik als kleine dienstknecht, knechtje van de Heer – maar ik doe al meer dan 40 jaar, keurig op mijn beurt, dienst in de tempel- en als ik om mij heen kijk, al dat geweld, die Herodes, en de terreur. En Engel, was zeg je me nou?”

Zacharias. Wat ik mij nog van mijn kinderbijbel herinner. Zacharias was een beetje “foei” – niet zo gelovig – verder tja.
Op het zijpaneel van het grote kerstverhaal, een doezelig oud mannetje, dat niet wist waar Abraham de mosterd haalt. Ja, Abraham moest ook zo heel lang wachten op een kindje van Sara. En Jacob en Rachel en Hanna moeder van Samuel en ….
Die namen zullen bij Zacharias door zijn hoofd zijn gevlogen. Ik een zoon? Elisabeth en ik zijn oud. Zacharias zo tussen zingende vrouwen, zwijgend in de coulissen?

Of is het ook een verhaal met een glimlach een beetje humor. “Humor ist wenn man trotzdem lacht”.

Ik zal u een verhaal vertellen. Het gaat om een spreuk op een schildje, dat ik kreeg van een oom van mij. Ik zat toen net op de middelbare school, leerde wat Duits. Op het schildje stond met mooie krulletters: “Humor ist wenn man trotzdem lacht”. Humor is als je tòch lacht.
Ik hing het boven mijn bed. Interessant vond ik het. Ik was 13 jaar.
Dertien jaar later, op onze trouwdag, zei mijn oom “gefeliciteerd”, en jongen, jij wilt dominee worden nietwaar? Denk nog eens aan de spreuk die ik je gaf en vervang humor door geloven

– Glaube – “geloven is als je toch nog lachen kunt”.

Even terzijde. U moet weten, die oom was in de Tweede Wereldoorlog in Ned. Indië, werd gevangengezet, was Japans krijgsgevangene en hij moest naar Japan, werken in een mijn in de stad Nagasaki. Toen viel de atoombom. Mijn oom was toen net in de mijn onder de grond. Toen hij weer bovenkwam uit de mijn was alles weg.
Als zo iemand, die dat heeft meegemaakt, je zo’n schildje meegeeft, maakt dat diepe indruk. Letterlijk, wonderlijk, een glimlach? Toch geloven, andere tijden, volhouden. Hart onder de riem, vrede, humor. Trotzdem. Toch!?
Moet je vooral kijken hoe Lucas deze verhalen vertelt. Met humor èn geloof.

Lucas 1 en 2. Een hoop bombarie. Machtigen kom je tegen. Humoristisch bijna die opsomming. Herodes, Augustus en Quirinius. Wie verbijsterd zich niet over machten en mensen. Van grote en kleine Trumpjes.
En daarbij ook een hoofdrol van Gabriël. Gabriël – opperengel – je zult hem tegenkomen, alles gaat Lock down en de sleutel om alles open te krijgen – het sleutelwoord wordt een naam van een kind-  “Johannes is zijn naam”.  De Heer is genadig. Ook met een glimlach zeg ik. Kom daar maar eens aan bij het RIVM.

Lucas schrijft zijn evangelie heel anders dan Marcus of Mattheus, laat staan Johannes de evangelist. Lucas probeert vooral mensen van de Grieks- Romeinsewereld van toen te bereiken met een geboorteverhaal in de context van het jaar nul. Je telde toen – alleen toen? – mee als je van hoge komaf was. Daarom besteedt Lucas ook zoveel regels aan Jezus, zoon van David, zoon van God, de Allerhoogste! Dat is een komaf!
De moeder van Johannes stamt af van Aaron.

Nu ben je nog in de tempel. Daar kun je God zoeken. Maar je ziet God niet zelf, alleen in een wolk, die meegaat met de Ark. Symbool van God onderweg in voorspoed en tegenspoed. De woestijntocht in de Bijbelse geschiedenis.
Maar nu. Nu het er om gaat spannen. Nu komt Gabriël die voor Gods aangezicht zegt: “jouw kind Zacharias, jullie kindje, een Elia zal hij zijn, profeet van de allerhoogste. Grote woorden, verzoening, zondaars, rechtvaardigen. Jouw Kind, bode van de Heer.
Zwijgt Zacharias eerbiedig? Merkwaardig dat Zacharias niet onder de indruk is zeker niet van de theologische impact van wat Gabriël zegt. Dus zegt Zacharias (hij durft) “hoe kan dat nou?” (Heeft Abraham dat ook eens niet gezegd?) Dus, maar? Elisabeth en ik zijn op hoge leeftijd…… Ongeloof?
Zacharias gaat in tijdelijke lock down, omdat hij zijn oren niet kan geloven. Maar hij vergeet niet het volk te zegenen. En het volk, de mensen op het plein, is niet afgestompt of angstig. De mensen op straat herkennen het gebeuren als en visioen. Die man die zwijgt is priester! Laat dat in je omgaan. Dat je -visioen- herkent in het tumult van zoveel om je heen. Avond aan avond praatprogramma’s.

Een gebaar, een zegen, zomaar inspiratie, perspectief. We snakken er soms naar. Lees in het evangelie niet over zulk soort kleine dingen heen. Ik heb bewondering voor Zacharias.
“Wij zullen zien” gebaart hij met een glimlach, en dan naar huis. Hoe vertel ik het Elisabeth. Het kind mag een naam hebben. Johannes: de Heer is genadig! Hij Johannes zal het volk gereed maken voor de Heer. Messiaans perspectief, toekomst, advent.

Negen maanden en acht dagen later schrijft Zacharias: “Johannes is zijn naam”, en vanaf dat moment kan Zacharias weer spreken. Het slot verdwijnt van zijn mond. De engel had toch gelijk: Johannes is zijn naam, wegbereider, stratenmaker, profeet van de Allerhoogste.

Voorafgaand aan de Zoon van de Allerhoogste. Een bijzonder duo Johannes en Jezus.
En u en ik. Sta je wat stuntelig aan de kant bij de zoveelste Kerst? Compleet met een Lock down en letterlijk en figuurlijk een bak met vragen anno 2020/2021. Hoe zal dit gaan?

Daar heb je in je leven nog hele legioenen engelen – als in de velden van Bethlehem – voor nodig om het allemaal te begrijpen.
Geloven èn humor. Gods ‘humor’. Ere zij God.

Wie glimlacht niet, wie het Kind ziet, in het spoor van herders en wijzen?
Geloof is, dat je toch, trotzdem – ondanks alles- soms door je tranen heen lacht.
Volg het spoor van de engelen en glimlach als teken van hoop.
Amen.

 

 

 

 

21 juni 2020

Preek van ds. Hetty Boersma op zondag 21 juni 2020, Oosterkerk Hoogeveen

 Lezingen:          

Jeremia 20, 7-11a en Matteus 10, 16-22

 

Gemeente van Jezus Christus,
De Bijbel is een spiegel, zo heeft de Deense filosoof en theoloog Kierkegaard eens gezegd. Je kunt die spiegel onderzoeken en bestuderen. En daar is ook alle reden toe, want er zijn tal van vragen te beantwoorden. “Hoe oud is de spiegel?” bijvoorbeeld. En: “wie heeft hem gemaakt?” “Van welk materiaal is spiegel?” “Is hij kunstzinnig of meer functioneel?” “Past de spiegel qua grootte en vormgeving in ons interieur of is ie te ouderwets of lelijk?” Hele studies kun je aan deze vragen wijden, boekenkasten kunnen we erover vol schrijven. En dat gebeurt ook. En zeker niet onverdienstelijk. Er zijn veel bijbelwetenschappers. Zo heb ik over Jeremia en Matteus – de boeken waaruit we zojuist hebben gehoord – mooie werken op het bureau liggen: taal, historische achtergrond, schrijver, doelgroep. Wat valt er veel over te zeggen…!

Maar Kierkegaard zegt: door al dat onderzoek aan de spiegel kan het je gebeuren dat je vergeet in de spiegel te kijken. Door al die kennis over de Bijbel kan het zijn dat je er niet toe komt om jezelf weerspiegeld te zien in de woorden van God. Je ziet niet hoe God je via de Bijbel aankijkt, hoe hij je bemint. Je ziet jezelf niet terug als zijn kind.

Maar misschien willen we dat wel niet. Misschien willen we liever de bijbel in onze hand houden. Het zou net zo goed een ander boek kunnen zijn, een voorwerp, een onderzoeksobject. Wij kijken ernaar, maar we laten het boek niet terugkijken. En zo blijven we onaangedaan, onveranderd. We houden het zelfbeeld dat we altijd hebben gehad. God, geloof, de Bijbel zijn boeiend en interessant maar dan wel op onze tijd en onder onze voorwaarden.

En toch denk ik dat de meesten van ons op dit uur verlangen naar meer. Toch denk ik dat de meesten van ons zelfs wéten van een meer, weten van een God, wiens liefde zo overvloedig is, zo onstuitbaar, ja zelfs zo onontkoombaar, dat het je soms te veel kan worden. Je hebt soms zelfs helemaal geen zin in deze God. En toch kun je geen nee tegen hem zeggen.

Nu: over die God spreekt Jeremia in onze lezing. De profeet behandelt met ons dus geen gedachte of idee. Hij heeft geen mening over God. Met een opinie of levensovertuiging hebben zijn woorden zelfs niets te maken. Want Jeremia is bij de kladden gegrepen. De Heer heeft hem als een minnaar verleid. En hij, de stoere en sterke profeet, is voor die goddelijke verleiding bezweken. Te sterk is deze God voor hem. God heeft Jeremia in zijn greep.

De passie spat van Jeremia’s woorden af. Misschien zijn ze wel te hartstochtelijk voor ons. Misschien vinden we Jeremia ook wel wat al te onderdanig. In Gods greep zijn…tsja…is dat wat we willen? Misschien zien we onszelf liever als een gelijkwaardige partner van God, met een eigen wil en eigen keuzes. We staan toch op onze eigen benen? Ook als het om geloven gaat?

Maar is dat ook zo? Is dat echt zo? Jeremia houdt ons een spiegel voor. Want híj staat niet op eigen benen. Hij staat op Gods benen, ervaart zichzelf als aan God overgeleverd. Hij heeft geen andere identiteit dan de door God beminde. Maar de mensen om hem heen vinden dit bespottelijk en lachwekkend. Want jezelf zien als in de hand van God dat is niet erg bij de tijd. Toen niet en nu niet. Liever houden we de illusie in stand zelf aan het roer te staan. En voor alles wat mij dat roer kan doen loslaten, wat me onzeker maakt of bang, voor alles wat mij de controle zou kunnen doen verliezen, sluit ik een verzekeringspolis af, stel ik een protocol op, zet ik sloten op mijn deur.

Maar dan nog blijkt er een virus te zijn en een overheid die meer grip lijken te hebben dan ikzelf.

Want in wiens greep zijn wij eigenlijk?

Jeremia weet dat jan en alleman hem in de greep willen hebben. Hij weet dat hij zelf meer grip wil hebben. Hij denkt zelfs Gods greep te kunnen tegenhouden. Maar het lukt hem niet. En uiteindelijk zegt hij tegen God: U, ja u hebt mij in uw greep. Jeremia is gecapituleerd, door de knieën gegaan. Hij heeft zich overgegeven. In alles wat hij doet en zegt weerkaatst hij Gods liefde. God heeft de plaats van zijn ‘ik’ overgenomen.

En zo is hij voor anderen een spiegel geworden waar ze liever niet in willen kijken. Want wie geeft nu zijn eigen ‘ik’ op? Daarom trappen ze de spiegel liever kapot, dan dat ze in de ogen van Jeremia hun eigen drang tot zelfbehoud zien. “Ik mag toch zeker wel een eigen mening hebben?”  Zeggen ze. Ja natuurlijk mag dat.  Maar met die eigen mening komen ze aan beminnen niet toe.

Mensen worden vaak boos van oorlog, uitbuiting en overheersing. Heel begrijpelijk. Maar belangrijker is dat ook liefde kan tegenstaan. Misschien is dat bij ons ook zo. Natuurlijk vinden we het vreselijk dat vredestichters als Ghandi, Bonhoeffer en Maarten Luther King vermoord zijn. En toch denk ik dat totale belangeloze liefde ook ons vreselijk kan irriteren. Liever kijken we naar een stevige een man of een vrouw, met een sterk ontwikkeld zelf. Niet egoïstisch of narcistisch, Maar stevig, zelfbewust. Als we met zulke mensen omgaan, ons aan hen spiegelen, dan voelen we onszelf vaak ook stevig. We laten niet met ons kisten.

Mensen die zichzelf uitleveren aan God, daarvan zou je maar de zenuwen kunnen krijgen. Daarom wordt Jeremia ook uitgelachen, mishandeld en onderdrukt. Zoals Jezus dat later ook zal overkomen, en zijn leerlingen net zo goed. Die worden niet als sterke leiders of helden door Jezus op weg gestuurd, maar als schapen. Zo kwetsbaar. Wolven staan hen naar het leven. Mensen brengen ze voor het gerecht.

Alles om maar te voorkomen dat zij, dat wij in de ogen van Jeremia, van Jezus of van zijn leerlingen onze eigen weerloosheid en kwetsbaarheid zien. We trekken onze wolfskleren aan of we omkleden ons met een olijke lach of een afstandelijke houding. Of we verbergen ons achter een redelijkheid, een nuchter gezicht, professionaliteit. Dat allemaal liever dan de controle over ons eigen leven verliezen.

Maar wat nu als we onze wolfskleren niet aantrekken, wat nu als we de spiegel niet achter een kast vol studieboeken verstoppen. Wat nu als we mensen als Jeremia of Jezus niet afserveren of een etiket op plakken. Wat nu als we ondanks al onze weerstand, angst of ongemak  toch in de ogen kijken van de weerloze aan God overgeleverde mens en onszelf in die ogen weerspiegeld zien…

Zou het dan kunnen,

Zou het dan kunnen dat we dan niet alleen onze weerloosheid zien, onze afhankelijkheid, onze onhandigheid, onze niksigheid, maar ook dat brandende vuur, waarover Jeremia spreekt?

Vuur dat oplaait in ons hart

Vuur van Gods Geest. Hij doet ons spreken als we het zelf niet kunnen.

Vuur dat onze bezorgdheid wegbrandt

Vuur dat ons doet standhouden

Vuur dat ons redt…

God.

Zou het kunnen dat we de greep op onszelf toch loslaten en onszelf aanvaarden als Gods kinderen, levend uit zijn hand?

Amen

 

22 november 2020. Eeuwigheidszondag, overdenking

Overdenking op Eeuwigheidszondag 2020

Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Lezing:

Uit het oude testament psalm 103
Uit het nieuwe testament 1 Korintiërs 13

 

Gemeente van Christus,

Op deze Eeuwigheidszondag waarop wij onze overleden dierbaren gedenken wil ik met u nadenken over de vraag of het naïef is om te geloven dat zij in de hemel zijn. Buiten de kerk zijn er heel veel mensen die geloven dat er wel iets moet zijn na de dood. Ze geloven niet meteen in een hemel maar geloven meestal niet dat het met de dood helemaal over en uit is met een mens. Maar binnen de kerk kom ik steeds vaker mensen tegen die me zeggen niet meer in een hemel te kunnen geloven. Dat vind ik jammer want voor mij is het een grote troost dat mijn overleden opa’s en oma’s en mijn schoonouders in de hemel zijn. Ik hoop ze weer te zien. Ik heb altijd het idee dat mijn schoonvader me bij de hemelpoort lachend zal staan op te wachten. Is dat naïef? Of is het wellicht diepe wijsheid?

Om te beginnen moeten we denk ik nuchter vaststellen dat mensen in hele verschillende culturen over de hele wereld door de eeuwen heen , tot op de dag van vandaag hebben geleefd en leven in het vertrouwen dat er leven na dit leven is. De meeste mensen geloofden en geloven dat er leven dat dit leven is. Zo naïef kan dit geloof dus ook weer niet zijn.

Maar wat maakt nu dat velen in onze tijd en in onze cultuur niet meer kunnen geloven in een hemel? Dat is natuurlijk een hele complexe vraag die ook een complex antwoord nodig heeft. Omwille van de tijd kan ik deze vraag echter alleen aanduidend en kort beantwoorden. Dat zal ik proberen.

Op de Aziatische afdeling van het Rijksmuseum in Amsterdam staat een houten beeld van een Chinese priester. Ik zag meteen dat het een mooi en sierlijk beeld is maar toen ik ervoor ging staan gebeurde er iets wonderlijks. Toen ik naar het gezicht van het beeld keek, de man in zijn ogen keek , was het alsof het  beeld tot leven kwam. Het leek werkelijk alsof de man me aankeek . Het beeld is van hout. Het hout is dood maar de kunstenaar heeft het hout zo bewerkt dat het beeld bezield leek.

De ervaring die ik had met dat beeld was de ervaring die mensen in vroegere generaties hadden wanneer ze naar de natuur keken. Ze hadden het gevoel alsof de natuur tot leven kwam, alsof de natuur bezield was. Zij zagen God in de natuur.
“Mij spreekt de blomme een tale.
Mij spreekt het kruid gewis.
Mij zegt het altemale :
dat  God de schepper is !”
dichtte Guido Gazelle. En we hebben vermoed ik allemaal wel eens zo’n ervaring van verwondering en ontzag gehad wanneer we een zonsondergang of zonsopgang aanschouwden of in een berglandschap stonden of tijdens een wandeling over de Drentse heide.

Deze ervaring vinden we b.v. ook in psalm 104 waarin de psalmdichter het bij het zien van de schoonheid van de natuur uitbreekt in een jubelzang:

“Loof de Here mijn ziel

Here mijn God, gij zijt zeer groot,

Gij hebt U met majesteit en luister bekleed.

Hij hult zich in het licht als in een mantel.

Hij spant de hemel uit als een tentkleed.

Hij zoldert zijn opperzalen in de wateren.

Hij maakt de wolken tot zijn wagen.

Hij wandelt op de vleugels van de wind. “

 

In vorige generaties ervoeren de mensen de natuur als bezield, bezield door God en kon de dichter van Genesis 1 zijn scheppingsgedicht ook beginnen met de woorden:

“In de beginne schiep God de hemel en de aarde. “Sindsdien is er veel veranderd. In onze cultuur werd ons afgeleerd om de natuur te zien als bezield. In onze cultuur werd ons afgeleerd om de natuur te zien als schepping van God. Ons werd geleerd om de natuur te zien met wetenschappelijke ogen door een microscoop of een telescoop. Wij hebben geleerd om de natuur te zien als dode materie die ontleed kan worden. Wij hebben geleerd om de natuur te zien als buiten ons. Er is een kloof tussen ons en de natuur. De natuur is daar en wij zijn hier. Wij hebben geleerd de natuur te zien als een verzameling objecten. Wij hebben geleerd om de natuur te zien als iets wat aan ons onderworpen moet worden, als iets dat ontgonnen kan worden. Wanneer we kijken naar een boom dan zien we niet zijn schoonheid maar het aantal planken dat eruit gehaald kan worden en de winst die we daarmee kunnen maken. En zo worden de oerwouden omgekapt. We hebben geleerd de natuur te zien als dode materie en onszelf als levende wezens t.o.v. die dode materie.

 

Het tweede scheppingsverhaal heeft hieraan bijgedragen. Daar lezen we dat God een lichaam van klei boetseert en dan naast het lichaam neerknielt, het hoofd in zijn handen neemt en het kleilichaam levensadem inblaast. Zo werd de mens een levende mens. Een mooi beeld. Maar het beeld schept ook een kloof tussen God en mens. God is de boetseerder die van klei buiten Hem een mens maakt die ook buiten Hem is. En heb je eenmaal een kloof ingevoerd tussen God en mens dan kom je er nooit meer van af. Wij zijn hier. God is daar.

“In den beginne schiep God de hemel en de aarde “ lezen we. “Hemel en aarde “duiden het geheel van de werkelijkheid aan. Er wordt een eenheid mee bedoeld. Hemel en aarde zijn één. Wij zijn er in de loop van de tijd een tweeheid in gaan zien. Wij hebben een kloof geschapen tussen hemel en aarde. De hemel is daarboven en wij zijn hierbeneden op aarde. Maar zo is Genesis 1 niet bedoeld. In deze tijd zouden wij zeggen:
“In den beginne schiep God de hele werkelijkheid.“

Waar het nu om gaat is dat wij met nieuwe ogen naar de werkelijkheid om ons heen gaan kijken. We mogen ons realiseren dat die wetenschappelijke bril waarmee we naar de werkelijkheid geleerd hebben te kijken weliswaar een hele waardevolle bril is die ons veel gebracht heeft maar ook ons ook maar een heel beperkte kijk op de werkelijkheid verschaft. Wanneer ik naar mijn vrouw kijk door een wetenschappelijke bril dan moet ik haar beschrijven in biologische, medische en chemische termen. Ze is dan een vrouwelijk exemplaar van het specimen homo sapiens. Dat is helemaal waar. Maar wanneer ik mijn wetenschappelijke bril afzet dan pas zie ik de vrouw van wie ik houd. En als ik mijn gelovige bril opzet dan zie ik een kind van God. Je hebt niet genoeg aan één bril om de werkelijkheid te begrijpen. Je hebt er meerdere nodig.

Waarom ervaren velen het geloof in de hemel als naïef? Daar zijn drie redenen voor:

In de eerste plaats omdat we vooral met de wetenschappelijke bril naar de werkelijkheid kijken. Een bril die slechts een heel beperkt zicht op de werkelijkheid verschaft.

In de tweede plaats omdat we van de eenheid van hemel en aarde een tweeheid maken: De hemel is daar boven ons. Wij zijn hierbeneden op aarde.

In de derde plaats omdat we een kloof zien tussen God en mens. God is daar. Wij zijn hier.

 

Een beeld dat ons kan helpen om niet alleen met wetenschappelijke blik maar ook met verwondering naar de werkelijkheid als geheel te kijken, en deze weer te kunnen beleven als bezield door God, is het beeld van de oceaan en zijn golven. De oceaan is het beeld voor het mysterie van de werkelijkheid en het mysterie van God.

God is de oceaan. De golven op de oceaan dat is alles wat wij om ons heen zien: de bomen, de bloemen, de dieren , de bergen ..noem maar op. De golven zijn ook het beeld voor de mensen. De golf is deel van de oceaan. De mens is deel van God. De oceaan is natuurlijk oneindig groot. De oceaan is oneindig veel groter dan alle golven bij elkaar. God is oneindig veel groter dan de mens. Maar toch als golf van de oceaan van God is de mens deel van God.

Nu zijn er golven die omhoog kijken en roepen: “Een oceaan ? Ik zie nergens een oceaan! Ik geloof niet in een oceaan!” Maar wanneer zij zouden afdalen in zichzelf dan zouden zij daar in de diepte van hun ziel de oceaan ontmoeten. Zij zouden beseffen dat ze gedragen worden door de oceaan.

Zoals de golven gedragen worden door de oceaan zo wordt de werkelijkheid gedragen door God, zo worden de mensen gedragen door God. En zoals een golf één is met de oceaan en net als de oceaan van water gemaakt is zo is de mens één met God en is de mens van God gemaakt.

Zoals een golf niet van de oceaan gescheiden kan worden zo kan de mens niet van God gescheiden worden omdat hij, omdat zij déél is van God. Zoals Paulus al schreef:

“Niets kan ons scheiden van de liefde van God welke is in Christus Jezus, noch lengte noch breedte, noch hoogte, noch diepte, noch leven noch dood.”

Wij zijn golven op de oceaan van God. Onze overleden dierbaren waren en zijn golven op de oceaan van God. Lengte, noch breedte, hoogte, noch diepte kon, noch leven, noch dood kon en kan hun scheiden van de liefde van God die zichtbaar werd in Christus Jezus.

Amen.

 

23 augustus 2020

Preek over Matth. 16: 21-28, gehouden in de Oosterkerk te  Hoogeveen op 23- augustus 2020

Voorganger: ds. H. Rooze

Broeders en Zusters,
  “Van toen aan begon Jezus zijn leerlingen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan.” Deze uitspraak snijdt het evangelie naar Mattheüs letterlijk in twee delen. In de eerste helft van het evangelie hoorden we geregeld het woordje “uitwijken”. Jezus week uit, week steeds verder uit, dat wil zeggen steeds verder van Jeruzalem vandaan. Aan het eind van het eerste deel wijkt Jezus zelfs uit naar het buitenland, we treffen Hem aan in de streken van Tyrus en Sidon, in de omgeving van Caesarea Filippi, in het land dat tegenwoordig Libanon heet.

   En dan nu opeens: “Van nu aan begon Jezus zijn leerlingen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan” – om er te lijden en te sterven. Ik kan me voorstellen dat dit aankwam als een mokerslag. Ik kan me die reactie van Petrus dan ook maar al te goed voorstellen: nee Heer, dat nooit, dat kan niet, dat mag niet! Tot nu toe leek alles zo mooi. In die eerste helft van het evangelie is Jezus weliswaar voortdurend op de vlucht, zo lijkt het – maar anderzijds: er gebeuren wel voortdurend de meest geweldige dingen. Blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt, en armen ontvangen het evangelie. Het kon niet op, aan de lopende band gebeurden er wonderen, het één nog indrukwekkender dan het ander. Het enthousiasme rond Jezus groeide met de dag, de scharen waren niet meer bij Hem weg te slaan, en ook bij Jezus’ leerlingen had het zijn hoogtepunt bereikt. Dat eerste deel van het evangelie naar Matteüs eindigt dan ook met die stralende belijdenis van Petrus: “U bent de Messias, de Zoon van de levende God!” Een climax, een hoogtepunt; hier zou het evangelie bij wijze van spreken uit kunnen zijn.

   Maar het is niet uit; we zijn pas op de helft. En nu opeens dit: van toen aan begon Jezus zijn leerlingen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan, om er te lijden en te sterven. Ja, Hij zegt er ook bij: en om op te staan op de derde dag; maar het lijkt alsof dat laatste niet meer tot Petrus doordringt. Petrus hoort alleen maar van lijden en sterven, en zijn reactie is: dat nooit! Hij begon Jezus te bestraffen, staat er, alsof hij, Petrus, het voor het zeggen heeft, alsof hij de baas is over Jezus – terwijl hij nota bene net beleden heeft: U bent de Zoon van God.

   Toegegeven: het was ook een moeilijke boodschap die Petrus te horen kreeg. Lijden, gedood worden, dat is toch niet iets dat je bij een Messias, een Zoon van God verwacht. Bij zo iemand denk je aan een held, een stralende overwinnaar, een koning – maar toch niet aan een stervende aan een kruis. Ja, en dit is nu precies wat het christelijk geloof onderscheidt van alle andere geloven. Ik moet denken aan dat prachtige woord uit het boek Openbaring. Openbaring 5 – eerst krijgen we daar te horen: de leeuw uit de stam van Juda heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen. Die boekrol, dat is het boek van de wereldgeschiedenis – wie beslist daarover, wie gaat daar uiteindelijk over? Hij dus, de leeuw uit de stam van Juda. Nu, dat belooft wat. We zijn benieuwd, zullen we Hem te zien krijgen, die leeuw, die mannetjesputter? En  dan staat er: en ik zag – een lam, staande als geslacht. De leeuw blijkt een lam te zijn, een lam dat geslacht is nog wel. Je ziet de kerf nog in zijn nek. Ja, dan sta je wel met stomheid geslagen.

   Zoiets gebeurt ook hier. Nogmaals, ik kan me de reactie van Petrus zo goed voorstellen. Naar Jeruzalem gaan, jawel, om er koning te worden, koning van Israël, koning van de hele wereld zelfs – maar toch niet om er te lijden en te sterven? Maar Jezus wijst op zijn beurt Petrus terecht: ga weg, achter mij, Satan, want jij bent bedacht niet op de dingen van God maar op de dingen der mensen. De dingen der mensen – want Petrus verwoordt hier wat ieder ander mens in zijn plaats gezegd zou hebben. Wij mensen houden nu eenmaal van glamour en glorie, we houden van winnaars en niet van losers, of het nu in de politiek is of in de sport of op welk ander terrein dan ook. Maar Jezus zegt tegen Petrus – en dus tegen ons allen: Ga weg, achter Mij, Satan. Want dat wat iedereen zegt en wat iedereen vindt, de dingen der mensen, dat komt bij Satan vandaan en niet van God. God heeft heel andere ideeën, andere plannen dan wij.

   “Van toen aan  begon Jezus zijn leerlingen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan”. Dat begint hier, en het houdt niet meer op. Nog ettelijke malen zullen de leerlingen het te horen krijgen: we gaan op naar Jeruzalem, om er te lijden en te sterven. Jezus is van die weg niet meer af te krijgen, want Hij weet dat dit, en dit alleen, Gods weg is.

   En dat is nog niet alles. Nadat Hij dit tot Petrus gezegd heeft, richt Hij zich tot al zijn leerlingen, en Hij zegt tot hen: en jullie ook! Jullie zullen dezelfde weg moeten gaan die Ik ga. “Indien iemand achter Mij wil komen, Hij verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij.” Navolgers van Jezus, dat wilden jullie zijn; welnu, dan zul je Mij ook op deze weg moeten volgen, op de weg van het kruis.

   Wat bedoelt Jezus daarmee? Ja, in de eerste plaats geldt het voor hen heel letterlijk. Eens zullen ook zij zo aan hun eind komen, van sommigen weten we het zeker, maar het is zeer waarschijnlijk dat ze allen uiteindelijk de marteldood gestorven zijn. En niet alleen zij, maar van die eerste christenen hebben velen hun geloof in Jezus met de dood moeten bekopen. Het gold toen heel letterlijk: als je Jezus volgde, dan wist je dat je daarmee je kruis op je nam, het kruis waaraan je wellicht eenmaal zou komen te hangen. En ook in later tijden is dat het geval geweest, tot de huidige dag.

   Nu zijn niet alle christenen geroepen tot het martelaarschap. Toch richt Jezus zich met dit woord tot ons allen, als we tenminste volgelingen van Hem willen zijn. Jezus volgen betekent: Hem volgen op de weg van het kruis. Wat betekent het dan voor ons?  Het eerste wat Hij zegt is: wie Mij volgen wil, die verloochene zichzelf.  Dat is het eerste, en wellicht ook het centrale woord: jezelf verloochenen. Dat betekent met andere woorden: voortaan doe je niet meer je eigen wil, maar de wil van God, de wil van Jezus. Paulus zegt het zo in zijn brief aan de Galaten: wie Jezus Christus toebehoren, die hebben hun vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. Met andere woorden: ze hebben hun eigen wil gekruisigd. “Niet meer wat ik wil, maar wat U wilt”, dat is voortaan hun parool. Dat hoeft niet altijd te betekenen dat je letterlijk aan een kruis zult komen te hangen, maar het houdt wel in dat je Jezus wilt volgen, Hem gehoorzamen, koste wat het kost, ook als dat tegen jezelf, tegen je eigen vlees ingaat.

   En nu is de vraag: is dat geen sombere boodschap? Zo is er wel eens tegen het christelijk geloof aangekeken, met name ook op grond van juist dit woord van Jezus. Men heeft wel gezegd: het christelijk geloof is een somber geloof. Christenen zijn blijkbaar mensen die behagen scheppen in het lijden, in de pijn, in het verdriet, in plaats van zich te verheugen in het vrolijke, blije, gelukkige leven. Mensen die er een ziekelijk genoegen in scheppen zichzelf te kwellen. Je hebt inderdaad zulke mensen, die zichzelf voor de lol pijn doen; masochisme heet dat, en dat beschouwen we als een geestelijke afwijking, daarvoor moet je naar de psychiater.

   Maar dat is niet Jezus’ bedoeling. Hij zegt ook niet dat we opzettelijk het lijden moeten zoeken.  Dat hebben  mensen  er wel van gemaakt, het schijnt dat er in de eerste eeuwen christenen zijn geweest die bewust het martelaarschap opzochten. En ook later hebben mensen gedacht dat ze God een plezier deden door zichzelf zoveel mogelijk te kastijden.  Maar dat bedoelt Jezus hier niet. Uiteindelijk gaat het Hem juist om het ware leven, om blijdschap, om vreugde, om het ware geluk. Ook Hij ging niet zomaar naar het kruis, omdat Hij daar op de een of andere manier een pervers plezier in zou hebben, maar Hij ging om zijn leven te geven voor anderen. Hij stelt ons hier de vraag: wat wil je eigenlijk met je leven, wat wil je bereiken? Wat beschouw jij als het hoogste geluk? Is dat zoveel mogelijk rijkdom, zoveel mogelijk macht? Jezus spreekt hier in boekhoudkundige termen, in termen van winst en verlies. Wat baat het een mens, zegt Hij, als hij de hele wereld wint – dat staat dus aan de ene kant van de balans, aan de winstzijde: stel je voor, ik heb alles gekregen wat ik hebben wou, ik heb de hele wereld gewonnen. En aan de andere kant staat als verliespost: maar ik heb mijn leven, mijn ziel, ik heb mijzelf verloren. Dan ben je toch alleen maar een verliezer. Ja, wat is eigenlijk leven? Wanneer leef je echt? Het staat zo prachtig in die berijmde psalm 119: “Slechts in uw spoor kan leven leven zijn.” Zo is het: wie Jezus volgt, wie Gods geboden gehoorzaamt, die zal gelukkig zijn, zelfs al kost het hem het leven. Toch gelukkig, want je hebt het ware leven gevonden: “wie zijn leven verloren heeft om mijnentwil, die zal het vinden”.  Ik ga nog even terug naar Paulus: “Zij die Jezus Christus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd”, zei hij. En als hij opsomt wat dat kruisigen inhoudt, de “vrucht van de Geest”, noemt hij het, dan staat in het rijtje dat hij opsomt, naast liefde en vrede, ook: blijdschap. Ja, dat hoort er ook bij. Want het is een blijde zaak, een vrolijke aangelegenheid om Christus te volgen, zelfs al houdt het in dat je een kruis draagt.  Dat staat ook zo prachtig in het gebed dat stond in het oude doopformulier. Daar werd voor de kinderen die gedoopt worden gebeden dat ze “Christus navolgende hun kruis blijmoedig dragen mogen”. Kan dat, blijmoedig een kruis dragen? Ja, dat kan. En dat heeft natuurlijk alles te maken met wat erop volgt in dat gebed: “dat ze op de jongste dag voor de rechterstoel van Christus, uw Zoon, onbevreesd mogen verschijnen”. 

   Daar eindigt ook het woord van Jezus mee dat we vanmorgen met elkaar lazen: het eindigt met de komst van Jezus in heerlijkheid, “en dan zal Hij eenieder vergelden naar zijn daden”. Gelukkig maar, gelukkig dat er een oordeel is. Want als dat niet zo was, als we niet beoordeeld werden , dan had ons leven geen enkele zin. Dan was er geen sprake van goed en kwaad, dan had het geen zin om je ergens voor in te zetten. De vraag is niet: hoe lang heb je geleefd, maar heb je echt gelééfd? “Slechts in uw spoor kan leven leven zijn.” In het boek Deuteronomium stelt Mozes het volk voor de keuze: je kiest óf het leven en het goede, óf je kiest de dood en het kwade. Daarmee is gezegd wat ook Jezus ten diepste bedoelt in de woorden die we gehoord hebben: het leven, het eigenlijke, echte leven is gelijk aan het goede – en het kwade betekent in feite de dood, zelfs al heb je de hele wereld gewonnen.

   Juist omdat Hij hartstochtelijk in het leven gelooft, in het goede, het echte leven, gaat Jezus vanaf Matteüs 16 vers 21 de weg naar Jeruzalem, de weg van het kruis. De weg die tevens de weg is naar de opstanding, naar het leven, het eeuwige leven. Wij allen mogen Hem volgen op die weg – met vreugde.

Amen.

 

24 november 2019, Eeuwigheidszondag

Lezingen: Exodus 3:1-15 en 1Kor.13

Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Het mooie van het christelijk geloof is dat het lijden niet wordt ontkend.

 In iedere kerk hangt een kruis : het symbool van het lijden. En het kruis is niet alleen het symbool van het lijden van Christus maar ook het symbool van het lijden van de mensheid.

Ook in de bijbel wordt het lijden niet ontkend. Het is geen boek van rozengeur en maneschijn. Midden in het O.T. staat psalm 22 met daarin de wanhopige uitroep van de psalmist:

“ Mijn God, mij God , waarom hebt Gij mij verlaten ! “

En midden in het N.T. staat het verhaal over de gekruisigde Jezus die de woorden uit psalm 22 citeert wanneer hij wanhopig uitroept:

“ Mijn God, mijn God waarom ? “ 

In deze dienst komen we bijeen om onze dierbaren te gedenken en om troost te zoeken bij  God en bij elkaar. We zoeken woorden van troost maar die mogen pas klinken wanneer het verdriet en de pijn erkend zijn. Daarom lees ik u een citaat van Henri Nouwen :

“ Er is een leegte in jouw bestaan, een afgrondelijk diep gat. Die leegte zul je nooit kunnen opvullen. Je moet werken op het terrein eromheen, zodat de afgrond zich geleidelijk sluit.

Omdat het gat zo enorm groot is en je gevoel van beklemming zo diep, zul je er altijd weg van willen lopen. Twee uitersten moet je vermijden: helemaal opgaan in je pijn en je door zoveel dingen laten afleiden dat je ver verwijderd blijft van de wond die je juist wil genezen. “

Heel kort samengevat: loop niet weg van je verdriet maar ga er ook niet in onder.

Nu ik uw pijn erkend heb wil ik met u delen wat ik nog niet zo lang geleden meemaakte. In een rouwdienst voorafgaande aan een begrafenis waren liefdevolle woorden gesproken. En de familie ging niet om de pijn heen maar doorleefde hun verdriet. Er kon ook worden gelachen. Na de dienst gingen we naar het graf en daar bij het graf hoefde eigenlijk niets meer te worden gezegd. Wat er gezegd moest worden was al gezegd. Wat er doorleefd moest worden was doorleefd.

Het enige wat we toen nog deden was het lezen van 1 Corinthiërs 13:

“ Als sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen maar ik had de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cymbaal…..de liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon, geen zelfgenoegzaamheid….alles verdraagt ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze…..de liefde zal  nooit vergaan. “

Op dat moment voelden we : “ Dit is de spijker op zijn kop !  Deze woorden troosten, geven hoop, geven kracht om verder te gaan. “

Bij een open graf lazen we :  “ De liefde zal nooit vergaan. “

De liefde zal nooit vergaan. Wanneer we iemand verliezen dan overheerst lange tijd het gevoel dat we iemand zijn kwijtgeraakt. Het verlies overheerst. En dikwijls zeggen mensen ook tegen me : het gemis lijkt niet kleiner maar groter te worden. Maar we kennen denk ik ook allemaal de ervaring dat wanneer de eerste schok, het eerste heftig verdriet een beetje afneemt, er mooie herinneringen aan de overledene boven komen en we bemerken dat de overleden voortleeft in ons hart.

En zelfs na iemands dood staat de relatie die je met iemand hebt niet stil. Mijn schoonvader is tien jaar geleden overleden. En naarmate ik zelf ouder wordt merk ik dat ik hem in het licht van nieuwe ervaringen beter ga begrijpen en liefhebben. “De liefde zal nooit vergaan. “ Onze dierbaren leven voort in ons hart.

“ De liefde zal nooit vergaan. “  betekent ook een oproep. Wat blijft er van ons over na onze dood ?  Dat zijn eerst en vooral de liefde woorden die we hebben gesproken, de liefdevolle daden die we hebben gedaan. Dat zijn zaadjes die we hebben gezaaid. Zaadjes die nog na onze dood kunnen ontkiemen en opbloeien. Zo zijn de woorden : “ De liefde zal nooit vergaan. “  ook een oproep om tijdens ons leven liefdevolle woorden te spreken en liefdevolle daden te stellen. Wanneer Joden de naam van een dierbare overledene uitspreken, laten ze daarop volgen : “ Moge zijn /haar nagedachtenis ons tot zegen zijn. “

“ De liefde zal nooit vergaan “ betekent ook :  Onze dierbaren zullen nooit vergaan. Het hart van het Joodse en het Christelijke geloof is het geloof dat God ons bij name kent. Bij onze doop werd onze naam in één adem uitgesproken met de Naam van God . Hoe luidt die Naam ?

In verhaal over de roeping van Mozes hebben we dat gehoord. Toen God Mozes vroeg om naar het volk Israël te gaan om hen uit de slavernij te leiden, toen vroeg Mozes aan God :

“ Stel dat ik naar de Israëlieten ga “ ( hij zegt “stel “, hij weet nog niet of hij durft ) Stel dat ik naar de Israëlieten ga en zeg tegen hen dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft en ze  vragen: “ Wat is de Naam van die God ? Wat moet ik dan zeggen ?”

Toen antwoordde God hem: “ Ik ben die er zal zijn. Zeg daarom tegen de Israëlieten : “ Ik zal er zijn heeft mij naar u toegestuurd. “

Wat God Zijn volk beloofde toen ze moesten besluiten of ze het waagstuk van de uittocht zouden aangaan of beter veilig in slavernij zouden kunnen blijven, wat God onze dierbaren en ook ons beloofde bij de doop was en is :  “ Ik zal er zijn ! “  “ Ik zal er zijn voor jou. “

God was er al voor ons toen wij nog in de schoot van onze moeder verkeerden. God is er tijdens ons leven. God was er tijdens het leven van onze overleden dierbaren. God is ook nu voor hen :  “ De liefde zal nooit vergaan. “  God kende en kent hen bij name. Hij roept ze bij name. Wie door God geroepen wordt leeft !

“ De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan- want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. Toen ik nog een kind was sprak ik als kind, dacht ik als een kind en redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. Nu kijken we nog in een wazige spiegel maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. Ons resten geloof , hoop en liefde maar de grootste daarvan is de liefde.

Amen

Ga naar de bovenkant