Voorganger:   ds. Jan Ros     

Gemeente van Christus,

           ‘Wees steeds bereid tot verantwoording van de hoop die in u leeft..’. Op grond van die oproep is Petrus wel ‘de apostel van de hoop’ genoemd.  Zoals je Paulus op grond van wat hij schreef ‘de apostel van het geloof’ kunt noemen.  En Johannes is dan te typeren als ‘de apostel van de liefde’. Petrus de apostel van de hoop, dat wil natuurlijk niet zeggen dat het geloof en de liefde een onbelangrijke rol bij hem spelen, maar hij schrijft die drie kernwoorden in de volgorde: hoop, geloof en liefde.

            We zijn de hoop op een betere toekomst kwijt. Wie heeft er nog hoop dat het ooit nog wat wordt met Israël en de Palestijnen, met het klimaatverdrag tegen de opwarming van de aarde, met de armoede en de coronapandemie? Het is om de moed te verliezen, ook al modderen we voort. Het optimistische vooruitgangsgeloof uit de jaren zestig van de vorige eeuw hebben we van ons afgeschud. En er lijkt niks voor in de plaats gekomen, behalve het individualistische jagen op hedonistisch geluk en het korte lontje als we daarbij in de wielen worden gereden. De toestand is hopeloos…

En toch. We kunnen niet leven zonder hoop. Hoop dat het morgen beter gaat, hoop dat de uitslag van het medisch onderzoek meevalt, dat de behandeling aanslaat, de operatie goed lukt, je snel weer herstelt. En: hoop dat je brief er bij de sollicitatie wordt uitgepikt en je eindelijk weer een baan krijgt, hoop dat je huis nu eindelijk eens wordt verkocht, hoop dat het ooit weer goed komt na die ruzie of die ijzige kilte… We zijn gebouwd op hoop. Hoop is als zuurstof, we stikken en sterven af, zonder hoop. Gek eigenlijk: hoop – we hebben het zó nodig, en er is zó weinig van voorhanden. Kunnen we niet proberen achter de geheime formule ervan te komen, zodat we er wat van kunnen bijmaken, als van een toverdrank, als we het nodig hebben? Wat is de code van de hoop? Wie helpt ons het raadsel van de hoop te ontcijferen?

We kijken naar die bijbelse kernwoorden hoop, geloof en liefde.

Ik wil dat doen aan de hand van een gedicht van de Franse dichter Charles Péguy (1873-1914). Péguy was een strijdbare socialist, die eerst niets moest hebben van de kerk, maar zich later bekeerde tot het katholieke geloof. Hij sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog aan het front, 41 jaar oud. De toestand was hopeloos, ook voor hem. En toch, hij zette zich in voor een betere wereld en probeerde dat te verbinden met zijn geloof in God. Vandaar dat ook hij zocht naar ‘de poort naar het geheim van de hoop’, de titel die hij meegaf aan het hele gedicht. Geloof, hoop en liefde worden in de traditie van de kerk wel omschreven als ‘de drie goddelijke deugden’, de geloofsdeugden. Eerst heb je de gewone, menselijke deugden, dat zijn er vier: de moed, de matigheid, de rechtvaardigheid en de wijsheid. Om je die deugden eigen te maken, moet je veel en hard oefenen. Maar als je goed je best doet word je met vallen en opstaan wel een wijs, moedig, matig, rechtvaardig mens. Met die deugden kun je je wel redden in het leven, vonden de oude Grieken. Nou nee, zei de kerk, daarmee kom je er niet. Je kunt je er misschien wel mee handhaven in de maatschappij, maar echt vol en voluit leven, nee, dat doe je ermee niet. Wie niet de deugd van geloof, hoop en liefde bezit, leeft niet het volle leven, zoals God dat bedoeld heeft. Maar hoe kom je eraan? Wat is de geheime code van hoop, geloof en liefde? Die moet je worden gegeven, zegt dan de kerk. De geloofsdeugden kun je niet leren, die moet je krijgen. Ze zijn genade. Je hebt ze gekregen, of je hebt ze niet. Dat is een andere kijk op de hoop dan de visie dat je nu eenmaal zwartkijkers èn optimisten hebt, mensen voor wie het glas altijd halfleeg is èn mensen die hetzelfde glas halfvol vinden. Natuurlijk, het karakter van de één zal zonniger zijn dan dat van de ander, voor de een is het nooit wat geweest en zal het ook nooit wat worden, voor de ander is elke nieuwe ronde er één van nieuwe kansen. Maar hoop is  niet hetzelfde als het optimisme van ‘Kop op, joh!’ Hoop ziet de feiten niet in het rozige perspectief van wishful thinking. Hoop ziet de feiten recht in het gezicht, maar legt zich niet bij die feiten neer. De hoop ziet de feiten namelijk niet aan op hoe ze zich voordoen, maar ziet ze aan op hun mogelijkheden. Niet op dat wat ze zijn, maar op dat wat ze nog kunnen worden. Wie hoopt, is bezig met de dag van morgen. Niet omdat hij vandaag wil vergeten, maar omdat hij vandaag geschikt wil maken voor morgen, en dus alvast ziet in het licht van morgen. De hoop is niet een of ander gen dat je met de geboorte krijgt ingeplant. Het is geen persoonlijke eigenschap of karaktertrek. Om hoop te hebben hoef je niet het zonnetje in huis te zijn. Je moet alleen in morgen kunnen geloven. En dat, zegt de christelijke traditie, moet je gegeven zijn. De geloofsdeugden zijn niet het resultaat van hard werken, of van een grillig lot van de natuur, maar ze zijn het geschenk van God. Er zit altijd iets in van genade. Iets van ‘ondanks alles…’, ‘tegen beter weten in’ , iets van: ‘en toch…’. Ik kan niet anders, geloven, hopen, liefhebben – maar vraag me niet waarom. De geheime code van de hoop, je kunt er dus eindeloos naar zoeken. Maar het is geen bank- of pincode die je ontcijfert door alle mogelijke combinaties te proberen. Het geheim van de hoop moet je gegeven worden.

Geloof, hoop en liefde, deze drie. Maar de meeste van deze is de liefde – zo schreef de apostel Paulus in de Korinthebrief. Maar Charles Péguy waagt het met hem oneens te zijn. Deze drie, inderdaad. Maar, zegt hij, de meeste van deze is, ondanks dat hij de kleinste is, de hoop. Geloof, hoop en liefde zijn God alle even dierbaar, maar met de hoop, daarmee heeft God nog het meest. Zo dat hij er zichzelf over blijft verwonderen, en er soms zelfs zelf weer ondersteboven van is.

Het kleine meisje hoop

Het geloof waar ik het meest van hou,
zegt God, is de hoop.
Geloof, dat verwondert me niet.
Ik ben overal zo zichtbaar aanwezig,
in de zon en de maan en de sterren aan de hemel
en in ‘t gewemel
van de vissen in de rivieren,
en in alle dieren,
en in het hart van de mens, zegt God,
dat het diepste is
en het meest in het kind
dat het liefste is
dat ik ooit heb geschapen.
In alles wat boven en onder is
ben ik zo luisterrijk aanwezig,
dat geloven, zegt God, in mijn ogen
geen wonder is.
Ook liefde verwondert me niet, zegt God.
Er is onder de mensen zoveel verdriet,
soms niet te stelpen,
dat je toch vanzelf ziet
hoe ze elkaar moéten helpen.
Ze zouden wel harten van steen
moeten hebben als ze voor één
die tekort heeft het brood
niet uit hun mond zouden sparen.
Nee, liefde, zegt God, dat verwondert me niet.
Maar wat me verwondert, zegt God, is de hoop.

Daar ben ik van ondersteboven.
Ze zien toch wat er in de wereld allemaal omgaat
en ze geloven dat het morgen allemaal omslaat.
Wat een wonder is er niet voor nodig
dat zij dat kleine hoopje hoop nooit als overbodig ervaren
maar met voorzichtige gebaren
in hun hand en in hun hart bewaren,
een vlammetje dat keer op keer weer
wankelt en dreigt neer te slaan
maar altijd weer weet op te staan,
en nooit wil doven.

Soms kan ik mijn eigen ogen niet geloven.
Geloof en liefde zijn als vrouwen.
Hoop is een heel klein meisje van niks.
Zij stapt op tussen de twee vrouwen
en iedereen denkt: die vrouwen houden
haar bij de hand,
die wijzen de weg.
Maar daarvan heb ik meer verstand,
zegt God, ik zeg:
het is dat kleine meisje hoop
dat al wat tussen mensen leeft
hun heen en weer geloop
licht en richting geeft.
Want het is dat kleine meisje hoop
– ,je ziet het zwak zijn, bang zijn, beven,
je denkt soms dat het zo onooglijk is ­
het is dat kleine meisje hoop
dat de mensen zien laat, zien soms even,
wat in het leven mogelijk is.
Het geloof, zegt God, waar ik het meest van hou,
de liefde waar ik het meest van hou, is de hoop.
Geloof, dat verwondert me niet.
Liefde, dat is geen wonder.
Maar de hoop, dat is haast niet te geloven.
Ikzelf, zegt God, ik ben er van ondersteboven.

Het is God zelf die Péguy aan het woord laat in dit gedicht. Geloven, laat hij God zeggen, dat is eigenlijk geen kunst, al doen de mensen het veel te weinig. Het is hen gegeven, ook al weigeren ze het geschenk vaak te aanvaarden. Maar kijk goed om je heen, en je kunt bijna niet anders dan de conclusie trekken dat de wonderen van de natuur verwijzen naar hun Schepper. De zon, de maan en sterren, maar meest nog de geboorte van een kind – het kan niet anders of je gaat ervan in Mij geloven.

De liefde, dat is ook een bovennatuurlijke goddelijke deugd, die we van onszelf niet hebben maar die ons gegeven is. Maar zij ligt toch voor het grijpen, als je ziet hoeveel leed en verdriet onder mensen is. Ze kunnen dan toch, zegt God vanuit zijn perspectief, niet anders dan elkaar liefhebben? We hebben elkaars troost hard nodig. Er is zoveel liefde te geven, er wordt ook zoveel bemind.

Maar de hoop, dat is werkelijk een godswonder. Kijk maar eens om je heen. De toestand is hopeloos, èn ernstig. En niets wijst erop dat het morgen anders zal gaan. En toch…. Mensen worden murw gebeukt door het leven en door elkaar. En toch hopen ze tegen heug en meug in. Morgen, als ik weer beter ben; morgen, als we weer van elkaar zullen houden; morgen, als er vrede zal zijn en recht, morgen…. Het is eigenlijk ongelooflijk, zegt God zelf, de hoop zou allang gestorven moeten zijn, met wortel en tak uitgeroeid – en toch blijft zij springlevend onder de mensen. De hoop is een Godswonder. De hoop is een godsbewijs, zou je ook kunnen zeggen. Péguy zegt met zijn gedicht, het werkelijke godsbewijs is niet het geloof in een Schepper of de naastenliefde, maar de hoop die, ondanks alles, niet uit te roeien valt.

Morgen… Hij gebruikt een mooi beeld. Geloof en liefde zijn vergeleken bij de hoop twee wandelende, stevige dames. Je denkt dat ze de weg goed weten en ons de wijzen. Maar ondertussen drijft en trekt het kleine meisje hoop, een meisje van niks, dat tussen hen in loopt, hen de toekomst in. Het geloof dat er straks weer een nieuwe morgen zal zijn, dat houdt het geloof en de liefde op de been.  De hoop is een heel klein meisje van niks. Een godswonder, een godsbewijs. Misschien mag je nog verder gaan en zeggen: de hoop, dat is God zelf. Dat de hoop een geschénk van God is, dat we ons niet op kunnen werken tot de deugd van de hoop maar hem cadeau krijgen, dat is iets dat we alleen vanuit het perspectief van God zelf kunnen zeggen. Van ons uit, vanuit onze hopeloze toestand, hebben we geen zicht op een God in de hemel. We zien alleen de hoop, waarin hij vlees en bloed geworden is. De hoop, dat is God zelf. God met ons, Immanuël. In elke sprankje hoop is God zelf aanwezig. In het christelijk geloof is de goddelijke hoop vlees en bloed geworden. De hoop is mens geworden, geloven we.

Soms hebben christenen grootse voorstellingen van Christus. Dat hij de wereld wel eens even op orde brengen zal. ‘Toe maar! Kan het ook een toontje lager? Er is geen reden voor christelijk triomfalisme. Dan maken we van de hoop gauw weer een stevige dame, die wel eens even zegt waar het heen moet. Maar Jezus, ons godswonder, ons godsbewijs – het is een klein jongetje, een klein jongetje van niks. En toch. Geloof, hoop en liefde – deze drie. Maar de meeste van deze is toch: de hoop.

 

Hoogeveen, 16 augustus 2020, de 9e zondag van de zomer

1Petrus 3, 13-22

Oosterkerk