voorganger: ds. Dick van der Vaart

Meditatie paaswake

Waarom is er water in het doopvont zo midden in de nacht?
Water en nacht zijn oer-menselijke symbolen.
In het scheppingsverhaal lazen we al over water en nacht. Vóór de schepping was er niets dan een oneindige watervlakte. Deze was gehuld in duisternis. Door de duisternis komt een lichtgevende vogel aangevlogen : de vuurvogel Gods. De Stem van God klinkt: “ Er zij licht !” En het wórdt licht. Het duister verdwijnt. Het licht van de zon van God schíttert op het water.
God laat de wateren samenvloeien. De aarde duikt op uit het water van de oervloed. Een práchtige, vruchtbare aarde. Allerlei groen schiet op, boomknoppen en bloemknoppen springen open. Met de kracht van de lente wordt een lusthof geschapen, een hof van Eden, een woonplaats voor de mens.

Iets verderop in de bijbel lezen we weer over water en nacht. Na zich  lange tijd verzet te hebben laat de Farao het volk Israël eindelijk gaan. Maar op de avond van de uittocht krijgt de Farao spijt van zijn besluit. Met zijn leger van paarden en ruiters jaagt hij het volk na om het opnieuw gevangen te nemen. Vlak voor de nacht valt zien de Israëlieten in de verte het leger van de Farao hun kant uitkomen. Ze schreeuwen het uit van ellende. Ze waren zo blij eindelijk vrij te zijn. Nu blijkt die vrijheid maar één dag te duren. Ze willen ontsnappen maar kunnen geen kant op. Achter hen komt het leger van de Farao, voor hen is het water van de Schelfzee. Zo valt de nacht over het volk: water en nacht.

Maar dan gebeurt er iets bijzonders. Bij de uittocht ging God het volk voor in een vurige wolk. Nu verplaatst die vurige wolk zich van zijn positie voor het volk naar een positie achter het volk. De wolk plaatst zich beschermend tussen het volk en de Farao.
De wolk was donker tegelijkertijd verlichte hij de nacht. Aan de kant van de Farao was de wolk donker: de Farao en zijn ruiters konden geen hand voor de ogen zien.
Maar aan de kant van het volk verspreidt de wolk licht. En wat ziet het volk gebeuren in het licht ? Mozes strekt zijn arm uit en houdt zijn stok boven het water. Er steekt een wind op. Deze wind laat het water wegvloeien naar de ene kant en naar de andere kant. God baant een weg voor Zijn volk dwars door het water heen. Een sweg naar de  vrijheid. Waar water en nacht waren is er nu licht en grond onder de voeten.

Ook in het N.T. is er een verhaal over water en nacht: het verhaal over de storm op het meer. De leerlingen van Jezus bevinden zich op een nacht i neen bootje op het meer. Er steekt een zware storm op. De golven slaan over het bootje heen, de wind dreigt de zeilen stuk te slaan. De leerlingen gillen het uit van angst.
Dan komt opeens over het water een lichtende gestalte aanlopen. Het is Jezus. “Vrees niet ! “roept Hij en kalmeert de storm. Dit verhaal  is een opstandingsverhaal. Water is het symbool van chaos en dood. Jezus loopt over het water. De Opgestane Heer loopt over het water. Onder Zijn voeten zijn de dragende handen van God. Waar water en nacht waren zijn er nu de dragende handen van God en het licht van de Opgestane Heer.

Het water in het doopvont is een herinnering aan de drie grote bevrijdende daden van God: de schepping, de doortocht door de Schelfzee en de opwekking van Jezus uit de dood.
Met Jezus worden ook wij opgewekt uit de dood.
Nooit meer zullen wij niet geschapen zijn.
Nooit meer zullen wij in de greep van de Farao zijn.
Nooit meer zullen wij in de macht van de dood zijn.
We zijn bevrijd door God. We leven in God. Amen.